Belijdenis doen in gemeenschap
De kerk in de belijdenis
Wie belijdenis des geloofs aflegt, treedt daarmee door een bewuste keuze toe tot de gemeenschap der kerk. Voor de één is dat de kerk, waartoe men reeds krachtens de doop behoorde. Voor een ander is dat de kerk, waarbinnen men (soms vanuit de wereld getrokken) voor het eerst en bewust de woorden Gods voor eigen hart en leven hoorde. Voor een derde is dat de kerk, waarvoor men, na afweging van andere mogelijkheden, door een bewuste keuze toetreedt. De vraag tot wèlke kerkelijke gemeenschap men toe zal treden is immers, gegeven de grote verdeeldheid van de kerk, op heel verschillende wijzen te beantwoorden.
Men moet allereerst zeggen, dat toetreden tot de gemeenschap der kerk betekent toetreden tot de gemeenschap van de kerk der eeuwen. Zo'n keuze is niet niets. Het betekent, dat men zich voegt binnen een gemeenschap, die begonnen is met patriarchen, zich voorgezet heeft bij profeten, psalmisten en apostelen, bij kerkvaders en vaderen van minder of meer bekendheid. Maar het betekent ook dat men zich voegt in de rij van de miljoenen, die wereldwijd en de tijden door zich hebben geschaard bij de militia Christi, de strijdende kerk van alle tijden en alle plaatsen. Men voegt zich dan bij die gemeenschap, waarbinnen Christus de eeuwen door in de gemeenten her en der de scepter voert, waar Hij wandelt temidden van de zeven gouden kandelaren.
Concrete keuze
Maar intussen voegt men zich bij het afleggen van de openbare belijdenis ook bij een concrete gemeenschap, zoals die vandaag hier en nu gestalte krijgt. In de belijdenisvragen heet het dan (b.v.) of men zich voegen wil binnen de gemeenschap van de Nederlandse Hervormde Kerk; of men zich voegen wil onder haar opzicht.
Aan het belijdenis doen in déze kerk als zodanig wordt ook elders in dit nummer aandacht gegeven (ds. A. Baas). Want nogmaals, anderen komen tot een andere, persoonlijk gemotiveerde of door traditie bepaalde keuze. Het gaat mij er hier nu slechts om te onderstrepen, dat men belijdenis doet binnen een concrete gemeenschap, binnen de kerk, die een zichtbare gestalte heeft. De kerk der eeuwen treedt de eeuwen door in de zichtbaarheid.
Wie zich dan ook binnen de concrete gemeenschap van een kerk begeeft, is voor die gemeenschap ook verantwoordelijk.
Dan wordt dáár van zondag tot zondag het Woord Gods gehoord.
Dan wordt dáár van zondag tot zondag 'met de kerk van alle tijden en alle plaatsen' beleden, namelijk wanneer het Apostolicum wordt gelezen als een belijdenis van díé concrete gemeente binnen díé concrete kerk.
Belijdenis doen vindt dan ook plaats ten óverstaan ook van een gemeente, die daar aanwezig is en het hoorbaar uitgesproken ja-woord horen mag.
Dat betekent overigens ook een tweezijdige verantwoordelijkheid. Diegenen, die hun ja-woord uitspreken, betuigen daarmee medeverantwoordelijk te willen zijn voor de gemeente, waartoe ze behoren. De gemeente echter — dat wil zeggen de leden der gemeente afzonderlijk en samen — verklaart zich ook verantwoordelijk voor diegenen, die toetreden. Dat schept ook verplichtingen wanneer het voorvalt, dat later door leden der gemeente de gemeenschap wordt verbroken. Helaas zien we, niet in het minst ook (en nòg) in onze tijd, dat velen, die ooit hun ja-woord voor God en de gemeente uitspraken, met Demas de tegenwoordige wereld liefkrijgen. Het moet dan echter niet mógelijk zijn, dat een gemeente dat zomaar toelaat, zomaar laat geschieden. Wanneer leden afhaken, wordt het lichaam van Christus verminkt. Dat raakt alle leden. De hele gemeente voelt daarvan de pijn, als tenminste de gemeente echt een gemeenschap is.
Zichtbaar
Mij dunkt, dat ook in onze tijd wel mag worden onderstreept, dat belijdenis des geloofs niet wordt afgelegd in de onzichtbare kerk, maar in een zichtbare kerk. In onze Nederlandse Geloofsbelijdenis komt die benaming 'onzichtbare kerk' ook niet voor. Wel zet onze belijdenis aangaande de kerk (universeel) breed en geestelijk in.
De kerk is een heilige vergadering van ware Christgelovigen.
Deze kerk is er geweest van het begin van de wereld en zal er zijn tot aan het eind.
Die kerk is niet gebonden aan plaatsen of personen.
Die kerk is ook verenigd door éénzelfde Geest, door de kracht van het geloof. Het al dus (dat wel!) van kardinale betekenis zijn of 'ik' van die kerk een levend lidmaat en (Heidelbergse Catechismus zondag 21), om het dan ook eeuwig te blijven.
Maar op harmonische wijze gaat het belijdend spreken van de kerk dan toch over op wat we de zichtbare kerk noemen.
Ieder moet zich bij die zichtbare kerk voegen en de eenheid van de kerk mee bevorderen.
Ieder is geroepen de broeders (en zusters) mede op te bouwen, zijnde leden van hetzelfde lichaam.
Men moet zich afscheiden van hen, die niet van de kerk zijn maar men mag zich niet afscheiden van hen, die van de kerk zijn. En dan volgen de kènmerken van de kerk en wordt ook gezegd, dat de kerk door de ambten wordt geregeerd.
Kortom, onze Nederlandse Geloofsbelijdenis spreekt enerzijds over de kerk, die geestelijk en wereldwijd en van alle tijden is, en anderzijds, daarmee verweven, over de kerk, die zich in zichtbare gestalte vertoont. Bij die kerk voegt men zich door belijdenis des geloofs.
Hier treedt overigens een opmerkelijk verschil aan de dag met een belijdenisgeschrift, dat weliswaar de naam heeft het meest verbreide belijdenisgeschrift van het protestantisme in de wereld (met name de Engelstalige, presbyteriale wereld), maar dat toch niet onder de belijdenisgeschriften van de kerken van gereformeerde belijdenis in ons land wordt gerekend. Ik bedoel de Westminster confessie. Deze zet in met de kerk, die onzichtbaar is en die 'bestaat uit het volle aantal uitverkorenen, die tot één vergaderd werden, worden of zullen worden onder Christus, haar Hoofd.' Over de zichtbare kerk wordt gezegd, dat deze (wereldwijd) bestaat uit diegenen, die de ware godsdienst belijden. Terwijl ook wordt gezegd, dat de kerk soms meer, soms minder zichtbaar is geweest en dat de afzonderlijke kerken, 'die lid ervan zijn', meer of minder zuiver zijn, omdat de zuiverste kerken nog bloot staan aan verwarring en en dwaling. Maar sommige kerken zijn — zo wordt gezegd — zo verbasterd, dat ze geen kerken van Christus meer zijn maar synagogen van Satan. Hoe Schriftgetrouw ook deze belijdenis aangaande vele zaken belijdt en wèlke waarheidselementen er ook in deze belijdenis aangaande de kerk zijn mogen, deze belijdenis als zodanig handelt toch op andere wijze over de kerk dan de Nederlandse Geloofsbelijdenis dat doet. Het principe van afscheiding ligt daarin toch meer verankerd. Ook waar de Nederlandse Geloofsbelijdenis over 'ware en valse kerk' spreekt, gaat het nochtans over de (ene) Kerk, (ook) in haar zichtbare gestalte. De Nederlandse Geloofsbelijdenis blijft over de kerk (enkelvoud) spreken. De Westminster Confessie spreekt van kerken (meervoud), vanuit de overheersende gedachte van de ene ònzichtbare kerk.
Waar het ons nu vooral om gaat is, dat wij leven in een kerkgemeenschap, die de Nederlandse Geloofsbelijdenis tot de hare heeft gemaakt. Dat onderstreept intussen wel, dat óók datgene, wat wordt gezegd over de ware en de valse kerk, voluit ernstig moet worden genomen. De strijd tussen de ware en valse kerk kan zich in meerdere of mindere mate binnen één en dezelfde kerk afspelen. Dat maakt de wezenlijke moeite ook uit van het gereformeerd zijn binnen een kerk als de Hervormde Kerk. Maar wie door het afleggen van openbare belijdenis tot haar toetreedt, voegt zich wel binnen deze gemeenschap zijnde een deel van het Lichaam van Christus. Dat kan ook heel concreet lijden aan de kerk betekenen als de gemeente niet het beeld van Christus vertoond.
De vraag is of de doordenking aangaande de kerk in de belijdeniscatechese wel altijd voldoende, en dan vanuit het zicht op de (kerkelijke) gemeenschap aandacht krijgt. Recent kwam mij een schrijfsel onder ogen, waarin een hervormd predikant de artikelen uit de Nederlandse Geloofsbelijdenis aangaande de kerk uitsluitend toepaste op díé plaatselijke gemeenten of een deel daarvan, waar nog het zuivere Woord wordt bediend. De vraag of daarmee de gemeente als geheel aan de norm van dezelfde zuiverheid beantwoordde, werd naar achter gedrongen. Of deed niet terzake, omdat niet alleen de kèrk als geheel maar ook de geméénte als geheel, dus ook in haar soms gedeformeerde gestalte, buiten het blikveld lag. Heimelijk kan toch dan de gedachte worden gekoesterd, dat de kerk niet meer is dan een afgerond maar onzichtbaar geheel van uitverkorenen. Maar zo spreekt onze belijdenis ten principale niet over de kerk.
In concreto: waarom zouden we ons ook nog druk maken over de vraag naar welke kerk het Samen op Weg proces leidt, als het tòch maar gaat om enkele gemeenten (zeg groepen), die nog echt tot de kerk behoren? Dan is toch wèlk huis ook maar om in te wonen geschikt?
Als tot niet
De Nederlandse Geloofsbelijdenis geeft ook aandacht aan situaties, waarin de kerk 'klein en als tot niet schijnt gekomen te zijn in de ogen der mensen'. Dan wordt verwezen naar de tijd van Elia toen zevenduizend mensen (tegen de verwachting van Elia zelf in) de knie niet voor Baäl hadden gebogen. Maar die drie duizend leefden wel onder het oude verbond, binnen het gehéle volk van het verbond, dat kennelijk in de bredere verbanden de Baäl wel diende. Die drieduizend stonden niet buiten de gemeenschap van de kerk van het oude verbond, maar erbinnen. Het machtige van de belijdenis is dan echter, dat beleden wordt, dat God ook in zulke situaties Zijn 'heilige Kerk' bewaart en staande houdt.
Wie vandaag toetreedt tot de gemeenschap der kerk, voegt zich daarmee binnen de gemeenschap van de kerk der eeuwen, maar ook binnen de gemeenschap van een historisch en plaatselijk bepaalde kerk van Christus. Het waarheidselement in de Westminster Confessie is, dat de zuiverste kerken nog bloot staan aan verwarring en dwaling. Maar of het nu méér is of minder, wat betreft die verwarring, Christus wandelt tussen de zeven gouden kandelaren.
Binnen de gemeenschap heeft evenwel elk, die door het afleggen van openbare belijdenis, dat wil als het goed is zeggen: door een keuze van het hart, tot haar wil behoren, een eigen verantwoordelijkheid voor het geheel. Men is verantwoordelijk voor de gemeenschap in de gemeente, niet zolàng en omdàt er een bepaalde predikant is, maar omdat ze gemeente van Christus is.
Dat intussen vanuit die gemeenschap zelf voldoende brandstof moet komen om het vuur van de gemeenschap ook geestelijk brandende te houden, is buiten kijf. Niets binnen de gemeente mag 'automatisch' gelden. Want bij alles gaat het om de levende gemeenschap met het Hoofd der Kerk, het Hoofd der gemeente. Met name dat vuur der liefde jegens Christus en dan ook de Zijnen moet brandende blijven. Daarom gaat het altijd ook weer om de rechte verkondiging. Maar recht overeind blijft, dat de leden van een concrete kerk leden van een zichtbare gemeenschap zijn. De gemeenschap, hoewel daar een onzichtbare, mystieke zijde aan is, treedt voortdurend in de zichtbaarheid.
'Ik geloof één heilige, algemene (katholieke) christelijke kerk, de gemeenschap der heiligen.' In een tijd van individualisme staat de beleving daarvan onder geduchte spanning. Het geroepen zijn onderstreept echter ook vandaag alleen maar de roeping.
Maar Christus bewaart Zijn kerk, in de moeilijkste tijden, ook als ze gesmaldeeld wordt, ook als hier en daar onder 'de grote hoop kafs' (Calvijn) de korrels maar moeilijk te onderscheiden zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 april 1992
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 april 1992
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's