Globaal bekeken
Dezer dagen verscheen bij Ambo, Baarn, in de reeks Ambo-klassiek een fraai uitgegeven hedendaagse vertaling van het werk van de befaamde joodse geschiedschrijver Flavius Josephus, waaraan is toegevoegd zijn autobiografie 'Uit mijn leven'. Over zijn jeugd vertelt hij het volgende:
'Mijn vader Matthias onderscheidde zich niet alleen door zijn edele afkomst, meer nog viel hij op door zijn rechtvaardige karakter. Zijn prestige onder de inwoners van Jeruzalem, de belangrijkste stad van ons land, was groot. Ik werd opgevoed samen met mijn broer Matthias – een volle broer met dezelfde vader en moeder – en verwierf op grond van mijn studieresultaten de reputatie over een uitstekend geheugen en een hoge intelligentie te beschikken. Toen ik nog een jongen was – ongeveer 14 jaar oud – complimenteerde iedereen mij met mijn voorliefde voor boeken. Voortdurend kwamen de hogepriesters en notabelen van de stad mij raadplegen over bijzondere kwesties in onze wetten. Op mijn zestiende jaar wilde ik de verschillende sekten van mijn volk uit eigen ervaring leren kennen. Dat zijn er, zoals ik al verscheidene keren heb gezegd, drie: de Farizeeën, de Sadduceeën en de Essenen. Ik meende door een diepgaand persoonlijk onderzoek in staat te zullen zijn de beste te kiezen. Derhalve onderwierp ik mij aan een intensieve opleiding en een harde training bij alle drie. Ik was echter niet tevreden met de daar opgedane ervaringen. Toen ik hoorde spreken over Bannus, een kluizenaar in de woestijn die zich alleen maar kleedde met boomschors en bladeren, alleen de vruchten der aarde tot zich nam en gewoon was zich overdag en 's nachts te wassen met koud water omdat dat rein was, werd ik zijn toegewijde volgeling. Drie jaar bracht ik bij hem door en deed ik wat ik wilde doen, daarna keerde in naar de stad terug. Ik was negentien jaar oud toen ik mijn leven begon in te richten naar de regels van de Farizeeën, een sekte die op velerlei gebied gelijkenis vertoont met wat de Grieken de Stoa noemen.'
Op de laatst gehouden vergadering van de generale synode stelde ds. R. Holwerda te Pijnacker, de vraag 'wie laten we doceren?' Na één en ander te hebben opgemerkt over de modaliteiten in de Nederlandse Hervormde Kerk en de gebondenheid aan art. X van de Kerkorde ('wie laten we preken?') zei hij terzake het volgende:
'De hierboven geschetste situatie is ook toe te passen op heel de Hervormde Kerk en haar kerkeraad, de generale synode.
Je kunt het dan voor de synode toepassen met de vraag: "wie laten wij doceren aan de theologische fakulteiten als kerkelijke hoogleraar en leiding geven aan het seminarium als lid van het rectorium?"
Ook de synode heeft erop toe te zien dat deze leraren zich bewegen in de weg van het belijden der Kerk. Zeker de synode, die leiding geeft aan en dienstbaar is voor heel de kerk zal erop hebben te letten dat de pluriformiteit van de kerk tot uitdrukking komt in de benoemingen die zij doet. Op de laatstgehouden synodevergadering werden twee benoemingen gedaan. (De opmerkingen, die ik verder maak staan los van de integriteit, de bekwaamheid en ijver van de toen benoemde docenten.) Deze benoemingen vormen voor mij de aanleiding om te wijzen op een blinde vlek in het denken en dientengevolge het handelen van de synode.
Half om half
Onze kerk bestaat voor een derde uit gemeenten, die zich rekenen tot de modaliteit van de Gereformeerde Bond. 2/6 deel der leden voelt zich thuis in deze modaliteit. Zeker 1/6 deel van de gemeenten en predikanten is confessioneel.
De synode heeft de taak om, het totale aantal van de kerkelijke hoogleraren en rectoren overziende, zich af te vragen of ook daar de zg. breedte der kerk (dus der modaliteiten) duidelijk bespeurbaar is. Momenteel is dit geenszins het geval. De hoogleraren die behoren tot de Confessionele of Gereformeerde Bonds-modaliteit zijn ver in de minderheid.
Toch zou het heel goed zijn voor aanstaande predikanten de genoemde modaliteiten tijdens hun studie en vorming te leren kennen op dit niveau. Te vaak konstateer ik ten aanzien van de Gereformeerde Bond en de Confessionele Vereniging bij jonge predikanten een karikatuurbeeld, dat ontstaan is door onbekendheid met deze modaliteiten. Het gevaar is dat zulke predikanten, die de breedte der kerk niet kennen, verworden tot "mannekes" en "vrouwtjes", die met oogkleppen op hun ambtswerk verrichten en op het smalle spoor van het eigen gelijk voortrazen als een lokomotief (zijzelf) zonder wagons (de gemeenteleden).
Het gaat de synode toch om de gemeenten!
Het 3/6e deel van onze kerk, dat zich rekent tot de G.B. en de CV. is trouw. Trouw in het meeleven met de kerk; trouw in het afdragen van geldelijke middelen voor alle kerkewerk. Ook werk waartoe dit deel nooit opdracht heeft gegeven en waarover vaak verontrusting bestaat.
Om te komen tot een benoeming laat de synode zich door velen adviseren. Dit voorwerk der adviseurs is een moeilijk en belangrijk werk. Synodeleden hebben de gewoonte dit als heel serieus verricht te beoordelen. Zo hoort het ook in de kerk. Als we taken delegeren moeten we de mensen, die de arbeid verrichten ernstig nemen. Maar tenslotte beslist de synode. En de synode heeft zeker tot taak de breedte der kerk binnen het kader van art. X van de kerkorde in het oog te houden.
De opleiding van aanstaande predikanten staat qua struktuur momenteel op de helling. Vele zijn de problemen van b.v. de commissie voor het theologisch wetenschappelijk onderwijs. Deze commissie is van groot belang voor heel de kerk; ook voor de kerk van morgen.
Nog groter is het belang dat heel de kerk heeft bij een goede kerkelijke vorming van de predikanten.
Het ware te wensen dat de leden van de generale synode hun verantwoordelijkheid in dezen duidelijker verstaan dan de laatste jaren het geval is.'
Een Amerikaans schrijver (William Ury) schreef een boekje over 'onderhandelen met lastige mensen'. 'Zoek naar het achtiende paard' is het advies. Hier volgt wat we erover vonden in Trouw:
'Het gaat over een oude boer, die in zijn nalatenschap zijn 17 paarden aan zijn drie zoons naliet. Maar met een verdeelsleutel. De oudste zoon had recht op de helft van de paarden, de tweede zoon had recht op één derde en de derde zoon op één negende van de paarden. De drie zoons gingen om de tafel zitten voor de verdeling, maar ze kwamen al gauw tot de ontdekking dat 17 niet te delen is door 2 of door 3 of door 9. Ze hadden dus een probleem in hun onderhandelingen en ze vroegen advies aan een wijs man. Die dacht na en zei toen: "Neem mijn paard er maar bij; dan heb je er achttien. Kijk maar of je er dan uitkomt".
De drie broers gingen weer om de tafel zitten en ja hoor: het probleem was opgelost. De oudste zoon kreeg de helft van de paarden zoals zijn vader had beschikt: negen paarden dus. De tweede zoon kreeg zijn derde deel van de achttien paarden, zes. En de jongste kreeg zijn negende deel: twee paarden. Dat was dus samen 9 + 6 + 2 = 17 paarden – precies het aantal dat hun vader hun had nagelaten. Het achttiende paard gaven ze terug aan hun wijze adviseur. Conclusie van Ury: "Zoek naar het achttiende paard".'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 april 1992
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 april 1992
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's