De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een voluit Bijbels gegeven! (2)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een voluit Bijbels gegeven! (2)

De wedergeboorte

9 minuten leestijd

Uitvoerig ben ik in een vorig artikel ingegaan op de wedergeboorte in ruimere zin. Omdat de wedergeboorte in engere zin later breedvoerig ter sprake zal komen, volsta ik nu met de volgende omschrijving: 'Onder de wedergeboorte in engere zin verstaat men alleen de eerste levendmakende daad, waardoor de Heilige Geest het hart van de zondaar omzet en in beginsel vernieuwt'.

Tijdperken
Over de wedergeboorte zijn, zoals ik aantoonde, twee verschillende opvattingen. Wij spreken over de wedergeboorte in ruimere en in engere zin. Over beide opvattingen is heel wat op te merken. Ook kan men stellen dat er voor beide opvattingen verschillende perioden zijn aan te wijzen. Ja, zelfs is het mogelijk om vrij nauwkeurig de tijd aan te wijzen waarin het engere wedergeboorte-begrip scherper werd geformuleerd met als gevolg dat de opvatting over de wedergeboorte in ruimere zin meer naar de achtergrond werd gedrongen. Zelfs soms helemaal verdween.
Dordt (1618/1619) is in vele dingen véélzeggend. Ook hierin, dat het engere wedergeboorte-begrip wordt bepaald en uitvoerig omschreven. De Dordfse Leerregels tonen dit duidelijk aan. De reformatoren onder wie vooral Calvijn maken wel onderscheid tussen het begin en de voortgang van het nieuwe leven. Echter... zowel het begin als de voortgang noemen zij de wedergeboorte. Ook de heiligmaking wordt er dus onder gerekend.
Hetzelfde kan men aantreffen in de oudste symbolische en liturgische geschriften ten tijde van de Reformatie. Men kan niet zeggen dat daarin een strak onderscheid gemaakt wordt tussen wedergeboorte, vernieuwing en bekering, boetvaardigheid en heiligmaking.
Trouwens wie het derde hoofdstuk van het derde boek van de Institutie van Calvijn over de wedergeboorte erop na leest zal met mij tot de conclusie moeten komen, dat deze systematicus bij uitstek de wedergeboorte nu eens in engere zin dan weer in ruimere zin gebruikt. Allerlei termen haalt hij door elkaar. Beter gezegd: gebruikt hij door elkaar.
De Franse en de Nederlandse Geloofsbelijdenis (Guido de Brès, dus vóór Dordt!) maken geen onderscheid tussen wedergeboorte en bekering. Als zij het over wedergeboorte hebben is het duidelijk, dat zij daarmee bedoelen het nieuwe leven. Dit willen zij er specifiek mee aanduiden. Een treffend bewijs hiervoor vinden wij in artikel 24 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Wij lezen daarin onder andere: 'Wij geloven, dat dit waarachtig geloof, in de mens gewerkt zijnde door het gehoor van het Woord Gods en door de werking des Heiligen Geestes hem wederbaart en maakt tot een nieuw mens, en doet hem in een nieuw leven leven en maakt hem vrij van de slavernij der zonde'. Typisch een omschrijving van de wedergeboorte in ruimere zin. Toch is dit voor de Dordtse synode geen reden geweest om dit artikel van de hand te wijzen. Zowel voor de ene als de andere opvatting was er plaats. Men heeft er elkaar niet lelijk om aangekeken noch verketterd. Dit laatste zeker niet! Wat dat betreft kunnen wij van de ruimhartigheid en mildheid in Bijbelse zin van deze synode nog wel iets leren. Vooral in onze tijd waarin wij vaak veel te detaillistisch bezig zijn om niet te zeggen met haarkloverijen. Maar dit terzijde, hoewel ter zake.
Om kort te gaan: vóór Dordt wordt de wedergeboorte gewoonlijk voorgesteld als vrucht van het geloof. De wedergeboorte volgt op het geloof. Bij Calvijn kan men dan ook lezen, dat wij door het geloof wedergeboren worden. In artikel 22 van de Franse confessie heet het: 'dat wij die van nature slaven der zonde zijn, door tussenkomstvan ditzelfde geloof tot een nieuw leven worden wedergeboren'.
Na Dordrecht (1618/19) als de wedergeboorte meer beperkt wordt tot de eerste principiële verandering van het hart, wordt de daarop volgende vernieuwing van de mens in de regel bekering en heiligmaking genoemd.

De wedergeboorte in engere zin
Op allerlei manieren is de wedergeboorte in engere zin omschreven. Polanus noemde de wedergeboorte reeds een weldaad van God, waardoor onze verdorven natuur naar het beeld Gods door de Heilige Geest opnieuw verwekt en hersteld wordt.
De ons bekende Voetius beschrijft haar als een werking van God (God is de Generator), waardoor Hij de uitverkoren zondaren realiter verandert van de verdorvenheid tot het nieuwe leven en de heiligheid, opdat zij voortaan tot eer van God zouden leven.
Voor Witsius is zij een bovennatuurlijke werking van God, waardoor de uitverkoren mens, zijnde geestelijkerwijze dood, een nieuw en goddelijk leven ingestort wordt.
Sterke nadruk wordt door bovenstaande theologen gelegd op het werk van de Heilige Geest. De wedergeboorte in engere zin wordt door Gods Geest op geheel verborgen en volkomen ondoorgrondelijke wijze in een ondeelbaar ogenblik gewerkt. Het geschiedt in de mens, zonder enige activiteit van de mens. In een punt des tijds legt de Heilige Geest in het hart een nieuw levensbeginsel.

Voor Witsius heeft daarover uitvoerig geschreven. Ik kan niet alles citeren, niettemin wil ik toch iets van zijn opvatting hierover doorgeven. Hij schrijft: 'Indien wij letten op dit eerste beginsel van leven, zo is er niet aan te twijfelen, of de wedergeboorte geschiedt in een ogenblik. Want de overgang van de dood tot het leven gebeurt niet met tussenpozen. Zolang iemand in de staat van de geestelijke dood is, zolang is hij nog niet wedergeboren. Doch op het moment dat hij begint te leven, wordt hij wedergeboren. Derhalve kan er geen middenstaat tussen wedergeborenen en onwedergeborenen bedacht òf versierd worden, indien wij de wedergeboorte nemen in het eerste bedrijf. Met dit laatste bedoelt Witsius: het aanbrengen van een nieuw levensbeginsel in ons hart.
Ook Voetius houdt ons voor dat de weder­geboorte in een ogenblik geschiedt. In ons, maar zonder ons!
Dat wil niet zeggen dat noch Witsius noch Voetius oog hebben gehad voor de wedergeboorte in ruimere zin. Meer dan eens haalt Voetius in zijn werken aan, dat er ook theologen zijn die leren dat de wedergeboorte geleidelijk tot stand komt. Te denken is dan – zo zegt hij – aan het gehele proces der levensvernieuwing en niet alleen aan het eerste beginsel.
Witsius maakt uitdrukkelijk melding van een 'tweede opzicht' (een tweede opvatting, de K.) waarin de wedergeboorte wordt opgevat als 'die werkzaamheid der levende ziel, waarmede zij werkt als met Gods gebod en Christi voorbeeld overeenkomt'. Vooral dit laatste is een prachtige omschrijving.
Hoewel men kan zeggen dat alle theologen van de zeventiende en achttiende eeuw hebben doorgeborduurd op wat er in de Dordtse Leerregels valt te lezen over de wedergeboorte, zo kan men ze bepaald niet van enghartigheid betichten. Breed-oecumenisch in de goede zin van het woord werd er getheologiseerd. Men zocht en vond elkaar in wat verbond. Zaken die tot de periferie behoorden, liet men er rustig zitten.
Duidelijk is wel dat de theologen onderling zich verschillend uitdrukten, maar dat zij zonder uitzondering de wedergeboorte beschrijven als een werkelijke verandering, die door de Heilige Geest in de begenadigde zondaar zelf wordt tot stand gebracht.
Dat de wedergeboorte in ons hart een kwalitatieve verandering werkt is niet alleen maar een opvatting van gereformeerde theologen. Een soort liefhebberij die gerekend zou kunnen worden tot de rabiës theologorum (het op de spits drijven van onbenullige zaken of academische vragen door theologen; ook wel de 'razernij' of 'hondsdolheid van de theologen' genoemd). Neen, het is de godgeleerden werkelijk om heel wezenlijke zaken gegaan.
Dat de wedergeboorte een heel wezenlijke en principiële zaak is, een voluit Bijbelse zaak, blijkt onder andere uit het feit dat er in de belijdenisgeschriften van onze kerk over wordt gesproken. Met name in die belijdenisgeschriften die door alle kerken die de naam 'gereformeerd' dragen worden erkend t.w. de Heidelbergse Catechismus, de Nederlandse Geloofsbelijdenis alsmede de Dordtse Leerregels. Beperken wij ons tot dit laatste geschrift. In het derde en vierde hoofdstuk van de vijf artikelen tegen de Remonstranten stelt de kerk voorop, dat ieder mens in zonden wordt ontvangen en als een kind des toorns wordt geboren. Onbekwaam tot enig zaligmakend goed komt men ter wereld. Men is geneigd tot alle kwaad. Dood in de zonden en slaaf van de zonde. Let er op, hoe actief de mens is in het kwaad. Immers, als men geneigd is tot alle kwaad, zo is dat 'geneigd zijn' maar niet een inactiviteit alsof een mens niets zou doen. Integendeel, dat 'geneigd zijn' spreekt zelfs van de hoogste activiteit. Maar dan van het kwaad doen tegen God. Ik schrijf dit alles enigszins opzettelijk, omdat ik mij niet altijd aan de indruk kan onttrekken, dat men soms 'al te gemakkelijk zegt, dat men dood is in de zonden en in de misdaden alsof men daaraan niets zou kunnen doen en men daarin werkloos zou zijn. Nu, vergeet het maar! Dood in de zonden en in de misdaden heeft alles te maken met de activiteit in het paradijs. Daar ligt het begin van de activiteit en dèze zet zich door in het leven. Waar openbaart zich dat dan in? In opstand, rebellie tegen God èn de naaste.
Dat dit 'dood in de zonden en de misdaden' de hoogste activiteit is, komt helder uit als de Dordtse Leerregels zeggen, dat geen mens tot God wil terugkeren en dit ook niet kan, noch zijn verdorven natuur verbeteren, noch zichzelf daarvan tot verbetering schikken, tenzij de genade van de Heilige Geest in een zondaar werkzaam is.
De achtergrond is wel heel donker. Een totale verdorvenheid wordt beleden. Geen enkele goede hoedanigheid in ons wordt gevonden. Heel ons hart is verkeerd, boos en verdorven. Maar... tegen die achtergrond wordt de wedergeboorte beleden als het goddelijk genadewerk, waardoor de Heere de dode zondaar levend maakt en uit de geestelijke dood doet opstaan. Wanneer God 'Zijn welbehagen in de uitverkorenen uitvoert en de ware bekering in hem werkt, zo is het dat Hij niet alleen het evangelie hun uiterlijk doet preken en hun verstand krachtig door de Heilige Geest verlicht, opdat zij recht zouden verstaan en onderscheiden die dingen, die des Geestes Gods zijn; maar Hij dringt ook tot in de binnenste delen des mensen met de krachtige werking deszelfden wederbarende Geest. Hij opent het hart dat gesloten is; Hij vermurwt dat hart; Hij besnijdt dat onbesneden is. In de wil stort Hij nieuwe hoedanigheden in... etc'. Op dit laatste kom ik terug in verband met Kohlbrugge die hierop een andere versie heeft.

Uitwendige en inwendige roeping
In verband met de wedergeboorte worden uitwendige en inwendige roeping wel eens tegen elkaar uitgespeeld. De wedergeboorte zou dan alles te maken hebben met de inwendige roeping, terwijl de uitwendige roeping er niet zou toedoen. Laten wij voorzichtig zijn! Ik kom in een volgend artikel zeker hier op terug. Nu schrijf ik er reeds van, dat men de uitwendige en inwendige roeping wel mag onderscheiden, doch niet scheiden. Doch hierover – zoals reeds gezegd – een volgend keer meer.
(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 april 1992

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Een voluit Bijbels gegeven! (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 april 1992

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's