Lied van Pasen
Dat gij zijt opgestaan en dat U Petrus zag,
dat zegt mij niet het openbreken van de knoppen
en niet de merelzang in populieren-toppen,
dat zegt mij niet het stralen van de lentedag.
Het is het jong-vee niet dat struikelt in de velden,
noch is het koele wind die door mijn haren strijkt
of 't schuchter bloesemkleed waarmee de bogerd prijkt,
Zij zijn het niet Heer, die Uw opstanding vermelden.
Zij kondigen Uw lof, zij zingen U ten prijs:
dat Gij Uw aarde opnieuw de vreugde geeft van beginnen,
maar Pasen is mij niet een feest van louter zinnen:
Uw komst vanuit de dood zingt mij een andere wijs.
Een lied van binnenuit, niet eerder nog gehoord,
soms uit een rouwend hart of een gebroken leven,
maar ook de juichkreet van zich gans te mogen geven
en altijd samenklinkend tot één slotakkoord:
de Heere is opgestaan! Hij houdt mijn handen beide
en gaat met mij door rouw, door vreugde en door schuld
en voegt naar mij zijn tred in mateloos geduld
tot Hij mij voeren zal naar koele, groene weide.
Dit is het lied van Pasen: al gaan wij door het dal
van de verschrikking en al blakert vuur de bloesem
en staat aan onze lippen de beker met de droesem
van eigen bitter brouwsel – Hij was, Hij is, Hij zal!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 april 1992
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 april 1992
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's