Ingezonden
Reactie op het artikel van ds. Prosman
Hoe lang hinkt gij op twee gedachten?
Bovenstaande vraag welde spontaan in me op bij het lezen van het artikel 'Samenwonen en openbare geloofsbelijdenis' (Waarheidsvriend 2 april l.l.). Nu wil ik de schrijver van dat artikel geenszins vergelijken met het afgodische volk Israël in de dagen van koning Achab. Maar de vraag van de profeet Elia kwam bij me op vanwege de tweesporigheid, die dit artikel kenmerkt. Er is sprake van een hinken op twee gedachten. Het ene moment staat de schrijver op het been van de kerkelijke tucht, het andere moment op het been van een mijns inziens al te grote pastorale toegeeflijkheid. Vandaar dat ik het geheel met gemengde gevoelens heb gelezen.
Waardering
Een zekere moed kan de schrijver niet ontzegd worden. Vanwege de gevoeligheid rond allerlei ethische onderwerpen hebben we in de kerk de neiging om als een kat om de hete brij heen te draaien. Voorts treft mij de diepe pastorale bewogenheid, waarvan dit artikel doortrokken is. Er is ook een principiële hardheid en vastberadenheid mogelijk, waarin de liefde van Christus gemist wordt. We herkennen ons in de worsteling van onze collega. De pastorale worsteling, die ontstaat, wanneer we in het pastoraat stuiten op de harde weerbarstige werkelijkheid van onze moderne samenleving. De invloed van die samenleving op de gemeente is onmiskenbaar
Bezwaren
Mijn bezwaar is echter, dat het artikel aan duidelijkheid te wensen overlaat en derhalve geen leiding geeft. Als ik het goed zie, tendeert het artikel naar situatie-ethiek met loslating van de gebodsethiek. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken, dat hier de deur op een kier wordt gezet als het gaat om de toelating van samenwonenden tot het doen van belijdenis. Daarmee begeven we ons op een hellend vlak en bevorderen de secularisatie binnen onze gemeente.
Van ons wordt in het pastoraat gevraagd een toebuigen naar hen, die in zonde leven. Maar toebuigen is iets anders dan meebuigen.
Inhoud
Mijn bezwaren wil ik nog wat nader toelichten door enkele punten uit het onderhavige artikel onder de loep te nemen.
Positief waardeer ik die stukken, waarin de verantwoordelijkheid van de kerkeraad en haar recht tot tucht wordt onderstreept. Overigens denk ik dat het met het arrogant opereren van kerkeraden, zoals gesuggereerd wordt, nogal meevalt. Mijn ervaring is, dat kerkeraden doorgaans voorzichtig en bescheiden opereren.
De meeste moeite heb ik met die stukken, die betrekking hebben op het pastoraat. Mijns inziens wordt daarin zo gepleit voor het vasthouden van samenwonenden, dat er geen ruimte meer blijft voor een Bijbelse tuchtoefening. Wat te denken van de opmerking dat men in de gereformeerde gezindte nu anders denkt over het 'hokken' dan een aantal jaren geleden. Als dat waar is, dienen we alarm te slaan.
Er wordt gesteld dat er belijdeniscatechisanten zijn, die het samenwonen als een volstrekt eerlijke en integere zaak ervaren. Daartegenover zou ik willen stellen, dat van een belijdeniscatechisant een restloos buigen voor Gods Woord mag worden gevraagd.
Dat er op het terrein van andere geboden geen tucht wordt uitgeoefend, is nog geen reden om het op het punt van samenwonen ook maar niet te doen. Het is veeleer reden om als kerkeraad de tucht uit te breiden, zodat er niet met twee maten wordt gemeten.
Vooral heb ik moeite met de opmerking, dat een weigering tot toelating tot de openbare belijdenis niet per se wettig of noodzakelijk zou zijn. Vervolgens wordt dan verwezen naar de persoonlijke verantwoordelijkheid van de belijdeniscatechisant. Hoe valt zoiets te rijmen met het antwoord op de belijdenisvragen, waarmee de belijder belijdt te strijden tegen de zonde en zich stelt onder het opzicht van de kerk?
De schrijver vreest voor de gevolgen van een weigering. Maar valt niet juist te vrezen voor de gevolgen van een verkeerde toegeeflijkheid? Is de gemeente, juist in onze tijd, niet gebaat bij duidelijkheid?
Mijn collega is bang voor het hanteren van een kwaliteitseis. Maar is het hanteren van een kwaliteitseis wanneer het Avondmaalsformulier en antw. 81 van de Heidelberger spreken over 'het beteren van het leven'? Is het een hanteren van een kwaliteitseis, wanneer de Schrift bekering eist? Is het in wezen niet a-pastoraal om van de eisen van Gods Woord af te doen? Wie zijn zonde belijdt èn laat, die zal barmhartigheid verkrijgen. (Spr. 28 : 13).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 april 1992
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 april 1992
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's