Uit de pers
Kunst en het Oude Testament
Vorige week liep de tentoonstelling 'Het Oude Testament in de schilderkunst van de Gouden Eeuw' af in het Joods Historisch Museum in Amsterdam. In de pers werd daar uiteraard enige aandacht aan geschonken. In het maandblad voor Geschiedenis en Archeologie Spiegel Historiael van maart 1992 staan twee artikelen te lezen naar aanleiding van genoemde tentoonstelling. Peter van der Coelen, die meewerkte aan de tentoonstelling en de erbij horende catalogi mee hielp samenstellen, schrijft over het Oude Testament, zoals dat geïllustreerd en geïnterpreteerd voorkomt in de prentenboeken uit de Gouden Eeuw. Marloes Hulskamp, die eveneens meewerkte aan de tentoonstelling, schrijft onder de titel 'Wijs als Salomo, onbaatzuchtig als Elisa' over het Oude Testament in de 17e-eeuwse openbare gebouwen. In de 17e eeuw hadden bestuurders de gewoonte om in openbare gebouwen, zoals stadhuizen en sociale instellingen, voorstellingen te laten zien, die iets vertelden over de functie van het gebouw. Men koos voorbeelden van morele uitmuntendheid of taferelen, die de burgers eraan moesten herinneren, hoe het niet moest. Eén van de bronnen waaruit men daartoe putte, was het Oude Testament. Schilders kregen opdracht, deze voorbeelden uit te beelden op het doek.
In het leven van de 16e- en 17e-eeuwse gelovigen vormde het Oude Testament een onuitputtelijke bron van voorbeelden van goed gedrag, geloof en wijsheid. Zeker toen door de reformatie de voorbeeldfunctie van heiligen was weggevallen, ging het Oude Testament steeds meer een leidraad vormen voor het persoonlijke en maatschappelijke leven. Oudtestamentische helden waren 'exempla virtutis', voorbeelden van deugd, waaraan men zich moest spiegelen. Zo was Suzanna, die weigerde in te gaan op de avances van de ouderlingen, een voorbeeld van kuise deugdzaamheid, en Daniël, die haar van een veroordeling wist te redden, van scherpzinnige rechtvaardigheid (Dan. 13 : 28-63). Deze benadering van het Oude Testament spreekt vooral uit literaire bronnen en prentenbijbels, maar kan ook in de beeldende kunst een rol spelen.
Het in 1655 ingewijde stadhuis van Amsterdam liet diverse oudtestamentische voorstellingen zien. Vondel schreef er een lofdicht 'Inwydinge' voor, waarin het hele decoratieprogramma genoemd wordt.
De vroedschapskamer was een van de zalen in het Amsterdamse stadhuis, waar oudtestamentische scènes te vinden waren. De vroedschap was een adviserend college van zesendertig aanzienlijke burgers, dat de burgemeesters in moeilijke kwesties bijstond. Een schoorsteenstuk uit 1659 van Jan van Bronchorst toont het verhaal van Mozes en Jethro. Hierin adviseert de priester Jethro zijn schoonzoon Mozes zijn zware taak als rechter over het volk Israël te delen met mannen die 'bekwaam zijn, godvrezend, betrouwbaar en onomkoopbaar' (Ex. 18 : 21). De scène is in deze omgeving dus heel toepasselijk, te meer daar wij weten, dat de door Jethro geschetste eigenschappen van een goed rechter ook werden genoemd in het gebed, dat voorafging aan de verkiezing van de burgemeesters, schepenen en leden van de vroedschap.
Het tweede schoorsteenstuk in de vroedschapskamer werd in 1658 geschilderd door Govaert Flinck. Het stelt 'Salomo bidt God om wijsheid' (1 Kon. 3 : 5-14) voor. Net als Salomo konden de leden van de vroedschap bij hun verantwoordelijke taak de nodige wijsheid gebruiken, want, zo luidt de laatste regel van Vondels bijbehorende onderschrift: Waer Wysheit raeden mag, daer spant de staet de Kroon'.
Ook kerkmeesters gaven schilders opdracht, hun gebouwen te versieren. In deze lokaliteiten gold de 'verstandige Jozef' als voorbeeld.
Ook voor de decoratie van andere (min of meer) openbare gebouwen vond men toepasselijke oudtestamentische thema's. Zo gaven de calvinistische kerkmeesters van de Zuiderkerk te Amsterdam Ferdinand Bol in 1669 de opdracht de scène 'Jozef verkoopt koren in Egypte' (Gen. 47) te schilderen. Bij de inrichting van hun kerkgebouwen hielden de calvinisten zich aan het tweede gebod, dat de aanwezigheid van religieuze historiestukken verbood. Het schilderij van Bol was echter bedoeld voor het 'comptoir' (kantoor) van de kerkmeesters, en daar was een dergelijke voorstelling wel toegestaan. Het was de taak van de kerkmeesters, toezicht te houden op de inkomsten en uitgaven van de kerk. De verstandige Jozef die in de zeven vette jaren koren verzamelde om ook in de zeven magere jaren het volk van voedsel te kunnen voorzien, en die zo de schatkist wist te vullen, was voor hen het voorbeeld van de ideale bestuurder: niet alleen had hij een vooruitziende blik, ook weerstond hij de verleiding, zichzelf te verrijken.
Was de verstandige Jozef het voorbeeld voor de kerkmeesters, ook de 'onbaatzuchtige Elisa' werd in schilderstukken naar voren gehaald.
Zoals de kerkmeesters en de bestuurders van de bank van lening zichzelf vergeleken met de verstandige Jozef, zo zagen de regenten van het Amsterdamse leprozenhuis zichzelf als de morele erfgenamen van de profeet Elisa. Daarom lieten zij Ferdinand Bol in 1661 een voorstelling schilderen van 'Elisa weigert de geschenken van Naäman' (2 Kon. 5 : 15-16). Het verhaal vertelt, hoe de vrome profeet Elisa de veldheer Naäman geneest van zijn melaatsheid, maar weigert hiervoor geschenken in ontvangst te nemen. Een eerzamer voorganger konden de regenten van het leprozenhuis niet bedenken. Zij waren overigens niet de eersten, die dit onderwerp als decoratie voor een leprozenhuis kozen. De regenten van het leprozenhuis in Haarlem waren hen in 1637 voorgegaan, toen zij bij Pieter de Grebber een schilderij met dit thema bestelden. Dankzij een boedelinventaris weten wij, dat de regenten zichzelf in dit schilderij lieten portretteren. We zien hen terug in de figuren van Naäman en zijn gevolg. Zo werd het historiestuk gecombineerd met het traditionele regentenportret, dat in bijna geen enkele sociale instelling ontbrak.
Drama en menselijkheid
In de recent verschenen aflevering van Rondom het Woord, 34e jaargang nr. 1, maart 1992, uitgave van de Theologische Etherleergang van de NCRV, staat een vraaggesprek te lezen met drs. E. van Voolen, conservator van het Joods Historisch Museum te Amsterdam. Van Voolen was de projectleider van de al genoemde tentoonstelling. Hij merkt o.a. het volgende op over de keuzen van schilders in de Gouden Eeuw.
Vooral de verhalen uit het Oude Testament, waarbij van een dramatische gebeurtenis sprake is, worden in de Gouden Eeuw uitgebeeld. Bijvoorbeeld het verhaal van Lot en zijn dochters, die hem verleiden; het wegsturen van Hagar de woestijn in door Abraham; de gebeurtenis van Jozef en zijn broers; en het offer van Isaak. De schilders doen hun best om het meest dramatische moment uit te beelden. Ze proberen de emotie te tonen, die door de figuren heengaat.
Lastman begon zich daar als eerste op toe te leggen, maar hij werd ver overtroffen door zijn leerling Rembrandt. Op de tentoonstelling hebben we een schilderij uit het atelier van Rembrandt, waar Rembrandt ook zelf aan heeft gewerkt. Het beeldt het offer van Isaak uit. Je ziet daarop de verschrikte uitdrukking van Abraham en de emotie van de engel, die van boven aankomt. Het gezicht van Isaak is geheel afgedekt. De dramatische momenten zijn mooie toegespitst, ook al weergegeven door het feit, dat er een mes in de lucht zweeft.
De originaliteit van de schilders lag niet zozeer in de keuze van het thema, maar in de uitwerking ervan. De schilderijen waren duur en groot. Ze waren zeer in trek, niet alleen voor stadhuizen of kamers van sociale instellingen, weeshuizen, enzovoorts, maar ook voor mensen thuis, zowel voor protestanten als katholieken en joden. (...)
De belangrijkste boodschap, die de schilderijen van de zeventiende eeuw uitdragen, is menselijkheid. De bijbelse personen worden als mens, met al hun zwakheden, tekortkomingen en hun heldenmoed uitgebeeld. Op die manier kon en kan de mens zich identificeren met de bijbelse geschiedenis. Het gaat dus niet om de grote strijdscènes, maar om het intieme moment, de tragiek in de persoonlijke heldenmoed van de mannen en vrouwen, die een grote rol in de bijbel spelen. Dat is ook de verklaring dat er veel scènes uit Genesis, de profeten en uit de apocriefe boeken zijn uitgebeeld. Bijzonder is dat er ook aandacht voor vrouwen bestaat, bijvoorbeeld voor Judith, die het hoofd van Holofernes afslaat en daarmee een ramp weet te voorkomen, of koningin Esther, die door middel van een list de vernietiging van haar volk in Perzië weet te voorkomen.
Daarnaast speelt de moralistische betekenis een rol bij de keuze. Denk maar aan Lot en zijn dochters of aan het verhaal over Esther. In de scène van David en Goliath zit de moraal, dat je als kleintje en machteloze wel degelijk iets kunt bereiken en dat het machteloze joodse volk als voorbeeld kan dienen voor de Nederlandse provincies om zich tegen de grootmachten te verzetten.
Van Voolen merkt tenslotte op, dat de 17e eeuw het hoogtepunt was van dit soort schilderingen. De 18e eeuw kent belangstelling voor andere thema's. Pas in onze eeuw neemt de schilder Chagall het thema Oude Testament weer op, waarbij hij zich geïnspireerd wist door o.a. Rembrandt en de Nederlandse schilderkunst van de 17e eeuw.
Kunst in plaats van religie?
De laatste tijd valt de opmerking nogal eens te lezen, dat kunst voor heel veel mensen in onze tijd de plaats van de religie heeft overgenomen. In 'Bijbel en ervaring', gesprekken tussen prof. dr. H. Jonker en dr. E.S. Klein Kranenburg (uitg. Boekencentrum, Zoetermeer), merkt prof. Jonker op: 'Ik heb ook sterk de indruk, dat de kunst tegenwoordig de plaats van de godsdienst gaat innemen. Onder meer zie je dat bij het christelijk dagblad Trouw, waarin voor de kunst een steeds grotere bijlage wordt gereserveerd, evenals voor de gepopulariseerde wetenschap', (blz. 51v). Twee maanden geleden schreef Henk van der Ent (als dichter bekend onder het pseudoniem Anton Ent) in Hervormd Nederland van 8 februari 1992 een verhaal onder de titel 'Kan de kunst ons redden?' Hij deed dit o.a. naar aanleiding van de Rembrandtexpositie in het Rijksmuseum. De hedendaagse wijding aan de kunst, aldus Henk van der Ent, vertoont bij velen godsdienstige trekken.
Het gaat hier niet om kunstverdwazing, maar om wat muziek, beeldende kunst, literatuur bij een genieter kan oproepen en tot stand brengen. Waarom zijn 's zondags de kerken leger en de musea voller? Waarom verkopen dichters als Gerrit Achterberg en Rutger Kopland zo goed? Waardoor is er zo'n bloeiend concertleven? Kortom: wat biedt kunst?
Als mensen hun religieuze ervaringen opdoen in de relatie met muziek, literatuur en beeldende kunst, dan wil ik weten wat daar te beleven valt. Geeft kunst zin aan het leven? Velen zeggen dat in onze koude en lege tijd het verlangen naar zin erg groot is. Het is 'het verlangen om zichzelf te situeren in een groter geheel, dat de grenzen van ons beperkt en contingent bestaan overstijgt', zoals dit filosofisch heet. Kan kunst ons daarbij helpen? Helpt het bezoeken van de Rembrandtexpositie?
Dit onderwerp is actueel. De laatste tijd is er veel over geschreven. Maarten 't Hart heeft in verscheidene interviews verteld, dat muziek de functie van de religie heeft ingenomen. Wat brengt muziek? In het titelessay van Het eeuwige moment legt hij uit wat het specifieke van muziek is. Zij kan 'soms één moment de illusie schenken van iets dat eeuwig duurt.'
Je hebt de neiging te vragen: is dat alles? Maar dat een esthetische ervaring onvolkomen wordt verwoord. De overweldigende rijkdom en de geweldige vreugde, die vaak het besef geven te weten waarvoor je leeft, kunnen alleen in beelden (en dus weer in kunstwerken) worden vastgelegd. Diezelfde bescheidenheid komen we ook bij anderen tegen.
Is het zo dat de esthetische ervaring religieus geladen is voor mensen, die met kerk en geloof niets meer kunnen? Het kan, zegt Van der Ent in zijn artikel, dat kunst een gevoel van verbondenheid oproept, een besef van eenheid en verzoening met het zijnde. Een ervaring van geborgenheid, van opgenomen zijn.
Eerder riep Okke Jager in zijn boek De verbeelding aan het woord op om door middel van gedichten, verhalen en andere vormen van verbeelding verstaanbaar over God te spreken. Henk Abma probeert al jaren in de oecumenische streekgemeente Kortenhoef een synthese tussen geloof en kunstbeleving tot stand te brengen. Naar mijn mening kan de kunst de kerk niet redden. Het is te laat. Het zou met de aftakeling van de kerken niet zo'n vaart hebben gelopen, wanneer ze oog voor het esthetische hadden gehad. Maar in opleidingsinstituten aanbad en aanbidt men het intellect en weet men geen weg met de kunst. Soms is een enkeling van goede wil, maar hij (zij) integreert de kunst in de theologie, niet andersom. De koningin der wetenschappen kan en wil niet buigen.
Toch blijft Van der Ent van mening, dat het esthetische niet echt als godsdienst kan functioneren. Hij acht het wel een uitstekend middel om het ontstane vacuüm bij veel mensen in onze tijd op te vullen. Trouwens in de zestiende eeuw prees de heilige Theresa van Avila het bekijken van schilderijen aan als middel om nader tot God te komen.
Kunst als enige troost
In De Reformatie van 14 maart 1992 bespreekt Dirk Zwart het werk van de hedendaagse schrijver A. Alberts. Alberts stond onlangs tijdens de Boekenweek nogal in de belangstelling, mede vanwege het verschijnen van het door hem geschreven essay 'Twee jaargetijden minder'. Zwart bespreekt Alberts' pas verschenen boek 'De vrouw met de parasol'. Hij sluit zijn bespreking af met o.a. enkele opmerkingen over kunst en godsdienst, die in het kader van deze persschouwzeer de moeite waard zijn.
Dat geeft aan De vrouw met de parasol (en ook aan ander werk van Alberts) iets treurigs. Er hangt eenzaamheid, uitzichtloosheid en onontkoombaarheid rond de personages. Weliswaar geeft de subtiele stijl daar iets lichts aan, maar voor mij versterkt dat veeleer de tragiek, dan dat ze haar verzacht. De heldere en fraaie stijl en structuur doen de armetierigheid van de personages extra scherp uitkomen, zoals een felle lichtbron scherpe schaduwen maakt. Ik merk dit op omdat er wel wordt gesteld, door sommige literatuurcritici (zoals Robert Anker), dat de kunst de functie van de godsdienst heeft overgenomen, door van (een stukje van) de chaotische werkelijkheid een zinvol verband te maken. Kunst zou dan door haar 'verbeelding', door een metafoor te zijn voor de beroerde 'condition humaine', een stukje troost of verzoening bieden. Kennelijk ervaren sommige mensen dat zo, maar is dat dan niet een bijzonder schrale troost en een zeer kortstondige verzoening?
Sterker nog: doet het wel recht aan kunst? Drukt een goed kunstwerk, doordat ze een metafoor is voor de gebrokenheid, je juist niet met de neus bovenop de harde feiten, en is ze als zodanig niet veeleer een verlangen naar of een schreeuw om troost en verzoening? Niet voor niets wordt kunst door veel mensen als moeilijk, vermoeiend of zwaar ervaren; kijken naar een gezellig programma op t.v., of het lezen van een familie-, dokters- of streekromannetje, geeft ze een veel direkter gevoel van troost en geborgenheid...
Werkelijk bevrijdend kan een kunstwerk nooit zijn. Het werpt ons terug op onszelf en op de fundamenten van het bestaan, waardoor het ons verlangen levend maakt naar èchte verlossing en bevrijding, naar de énige troost in leven en in sterven. Kunst kan zodoende, vaak ondanks zichzelf een richtingaanwijzer zijn naar Diegene, die zich de Weg, de Waarheid en het Leven genoemd heeft. Dat zijn nog steeds bijzonder actuele typeringen, in een tijd waarin veel mensen geen richting meer zien, geen zin in hun leven onderkennen en al het absolute relativeren. Lezing van De vrouw met de parasol deed me daar als vanzelf bij uitkomen.
Het is een gegeven, dat zeker in grote steden als bijv. Amsterdam, de musea op zondag voller zijn dan de kerken. Kennelijk behouden mensen behoefte aan rituelen. Raakt kunst hen diep en roept het emoties op, die het vaak kille leven verwarmen. God schenkt mensen soms ook rijke gaven. Ik weet het, ze worden lang niet altijd tot Zijn eer aangewend. In de kerken worden artistieke talenten vaak geheel over het hoofd gezien of zelfs bewust genegeerd. Iedere uiting van creativiteit of artistieke vormgeving wordt afgewezen. Zeker, kunst kan niet de plaats van het levend geloof innemen. Het kan soms wel de geloofsbeleving ondersteunen, zeker in een visueel ingestelde tijd als de onze toch is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 april 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 april 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's