Eerherstel van Christus' werk
'En dat Hij is van Cefas gezien.' 1 Korinthe 15 : 5a
In bovengenoemde tekst bepaalt de apostel Paulus de gemeente van Korinthe en ons bij de verschijning van de opgestane Christus aan Petrus. Om het bezit van deze discipel is op een bijzondere wijze tussen Christus en de satan gestreden. Want satan had het bijzonder op Petrus gemunt. Hij was immers de discipel geweest, die door Gods genade de schone belijdenis had afgelegd: 'Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God' (Mattheüs 16 : 16). Daarop had Jezus hem geantwoord, dat Hij op deze petra, op deze rots, Zijn gemeente zou bouwen (Mattheüs 16 : 18). Deze petra was Petrus in zijn ambt als apostel, als belijder van de naam van Christus. Met zijn belijdenis en zo ook met hem als de belijder van die belijdenis stond of viel de gemeente, maar ook het hele werk van Christus als de Zaligmaker. Daarom was het zo verschrikkelijk, dat Petrus zijn Heiland verloochende; daarmee nam hij als het ware zijn belijdenis terug; daardoor was de gemeente haar petra kwijt; door zijn verloochening kwam Christus Zelf in de zwaarste verzoeking. Toen kon de satan Hem lastigvallen met zijn tergende influisteringen: 'Wat komt er nu terecht van Uw beste discipel? En van Uw gemeente en van Uw eigen werk? Wat komt er terecht van Uw eigen voorbede? Want Gij hebt toch gezegd, dat Gij Zelf voor deze Petrus bidden zou, dat zijn geloof niet zou ophouden?' (Lucas 22 : 32).
Zo was Petrus' val één van de dieptepunten van Christus' lijden. Want hier werd Hij Zelf aangevallen en beschimpt als de grote Voorbidder van de Zijnen. Toch heeft Hij ook deze druppel van de drinkbeker gedronken, die Hem werd voorgehouden. En Hij ging verder op Zijn weg naar het kruis om het offer van de verzoening met God te brengen; en om Zijn bloed te storten voor de vergeving van de zonden, ook voor de zonden van Petrus' val en verloochening. Maar op deze manier ging ook Christus' voorbede voor hem verder. Deze voorbede won nog aan kracht en aan diepte. Want na Zijn kruisdood en opstanding en hemelvaart houdt Christus Zijn volbrachte werk aan Zijn Vader in de hemel voor. En Hij pleit voor Zijn aangezicht op Zijn door dit offer verkregen recht. En nu wordt deze sterke voorbede direct verhoord. Want Christus Zelf moch weer als Eerste deze verhoring en haar gevolgen uitvoeren.
Het ging hier maar niet alleen om Petrus persoonlijk; maar vooral om Petrus als apostel en belijder. Hier stond de handhaving en functionering van zijn belijdenis als een levende belijdenis op het spel. Het ging hier bovenal om de eer en om de betrouwbaarheid van het verzoenings- en verlossingswerk van Christus Zelf als de Zoon van God. Hierom is Jezus vast en zeker ook het eerst aan Petrus verschenen na Zijn opstanding; aan de andere discipelen verscheen Hij later. De Schrift zegt verder niets van wat er bij deze verschijning is gebeurd en besproken. Paulus noemt alleen het feit. Maar vast en zeker is in deze ontmoeting onder vier ogen aan Petrus veel vergeven; Christus heeft hem Zijn opstandingsheerlijkheid getoond.
En zo is Petrus' geloof toch niet bezweken, maar het is verjongd, verdiept en versterkt. Door die opstandingskracht van Christus is hijzelf weer opgewekt tot een nieuw leven. En straks is Petrus weer de petra, waarop Christus Zijn gemeente bouwt. Niet voor niets wordt hij hier Cefas genoemd. Dat betekent: steenrots. Dat is zijn ambtsnaam; de naam, die hij dragen mocht in dienst van zijn Meester. De opgestane Christus vernieuwt niet alleen de verbroken relatie met Zijn gevallen discipel. Maar hij wordt hier ook weer in zijn ambt hersteld. De weg naar zijn roeping om apostel te zijn is weer open. Zijn belijdenis blijkt toch een levende belijdenis te zijn. Door alles heen blijft ze toch gehandhaafd en functioneren.
Wat aan Petrus is geschied, heeft ook gevolgen voor de andere discipelen. Zij worden versterkt in hun geloof in Christus' opstanding en in de kracht daarvan. En wat getuigt Petrus zelf straks door zijn eigen prediking op de Pinksterdag; wat doet hij dat door zijn brieven aan de gemeenten, opnieuw vervuld van de Heilige Geest.
De overwinning op satan is hier groot en veelvuldig. Werd Petrus in ere hersteld? Zeker. Maar vooral werd de eer van Christus' werk gered en hersteld. Wat was Petrus ontrouw; wat meer is: Christus blijkt trouw te blijven. Hij is het, die aan zijn gevallen discipel verschijnt. De ontmoeting is niet van Petras uitgegaan. Christus is aan hem verschenen. Hij nam helemaal het initiatief om het hem te zeggen: 'Uw grote zonde is vergeven op grond van Mijn kruislijden en opstanding; opnieuw roep Ik u in Mijn dienst om getuige te zijn van Mijn opstanding'.
En deze Christus, die zo bad voor Petrus en aan hem verscheen, is gisteren en heden Dezelfde en tot in eeuwigheid. Zelf heeft Hij gezegd, dat Hij niet alleen voor deze discipel bad en voor de andere discipelen. Hij bidt ook voor allen, die door hun Woord in Hem zouden geloven. Wij zijn geen apostel als Petrus, bijzonder betrokken bij het leggen van het fundament van de gemeente. Wij zijn 'slechts' leden van de gemeente. Maar lijken ook wij dan niet al te vaak op deze Petrus? Wanneer wij aan deze gekruisigde en opgestane Christus door het geloof verbonden mogen zijn als onze Verzoener met God en onze Zaligmaker, wat kunnen wij dan nog in allerlei levensomstandigheden struikelen en vallen. Wij verloochenen onze Heere. Wat laten we het vaak niet afweten. We kunnen weer zo vertrouwen op onze eigen werken en niet alleen genoeg hebben aan Christus' volbrachte werk tot vrede met God en behoud. Onze eigen naam en eer kunnen weer zo de boventoon gaan voeren ten koste van Zijn naam en eer. O, dan staat ook ons behoud weer op het spel. Maar vooral ook de eer van Christus. Gelukkig, dat deze eer en de glorie van Zijn werk en van Zijn gemeente, van al de Zijnen niet hangen aan onze trouw. Er zou niets van terecht komen. Ze hangen echter aan Zijn sterke voorbede en volmaakte offer en aan de kracht van Zijn opstanding. Daarom is er hoop. Maar hoe vaak moet het nog gaan langs een weg als bij Petrus? Wat moeten wij dikwijls bittere tranen schreien om zoveel ontrouw van onze kant. Wat leeft het dan, dat het terecht zou zijn, als Christus er voorgoed een punt achter zou zetten. Gelukkig doet Hij dat van Zijn kant niet. Telkens weer verschijnt Hij ons in Zijn Woord. Dat wil Hij doen als de volkomen en getrouwe Zaligmaker. Door Zijn Heilige Geest verzekert Hij het ons dan opnieuw, dat Hij om onze zonden is overgeleverd aan het kruis. Wat is dat altijd weer verootmoedigend voor onszelf. Maar Hij wil ons dan ook weer verzekeren, dat Hij is opgewekt tot onze rechtvaardigmaking. Wat mag dit ons dan weer vertroosten, dat de Heere ons, mensen als Petrus, in Christus' volbrachte werk, toch ziet als rechtvaardig, zonder enige zonde; en daarom ook vrij van alle schuld en straf. Ja, dat de Heere zondaren en zondaressen in Hem blijft aanzien als Zijn lieve kinderen en erfgenamen van het eeuwige leven. Zo onderhoudt Hij Zelfde band met Zichzelf en laat steeds opnieuw delen in de kracht en de troost van Zijn opstanding.
Maar dan kan het toch niet anders of wij getuigen als Petrus van Gods grote daden en versterken ook anderen in het geloof.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 29 april 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 29 april 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's