De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Boekbespreking

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Boekbespreking

7 minuten leestijd

Dr. T. Brienen, Oriëntatie in de liturgie, 119 blz. ing. Boekencentrum, Zoetermeer ƒ 24,50.
De auteur gewaagt in het woord vooraf, dat in dit boek vrijwel het gehele gebied van de liturgie in kaart wordt gebracht. Hij realiseert dit plan door een terreinverkenning aan te gaan, Bijbelse gegevens aan te dragen, de geschiedenis van de liturgie weer te geven, theologische uitgangspunten te omschrijven, aan praktische vormgeving aandacht te schenken en tenslotte de betrokkenen bij de liturgie te vermelden.
Op geen van deze punten heeft mij het boek overtuigd. Wat de terreinverkenning betreft, kiest Brienen voor de vertaling van liturgie als 'samenkomst'. Hij acht deze vertaling niet alleen een begrip dat aan de synagoge ontleend is, maar ook een bijbels begrip. Het opvallende is, dat hij de teksten opsomt, waar in de Bijbel over leitourgia wordt gesproken en dat dan een rijke nuancering aan betekenissen blijkt, maar dat Brienen de meeste van deze teksten scheidt van het gebruik van liturgie voor de samenkomst van de gemeente. Hier bevindt zich mijns inziens een theologisch misverstand, dat zich door het hele boek heen wreekt.
Wat de Bijbelse gegevens betreft, legt de auteur weinig nadruk op de Oudtestamentische teksten en heel veel op de intertestamentaire periode, d.w.z. op de synagoge en haar liturgie(ën). Dat lijkt me vooral ook vanuit het Nieuwe Testament een ontoelaatbare versmalling, respectievelijk verbreding. Waar wordt in het Nieuwe Testament de synagogale eredienst als model voor de Nieuwtestamentische gemeentesamenkomsten voorgesteld? De Brief aan de Hebreeën gaat op deze zaken in en komt m.i. heel ergens anders terecht dan Brienen. Ook wanneer we vandaag de dag algemeen toegeven, dat de synagoge van grote invloed is geweest op liturgische concepties in de vroege kerk, toch verdoezelen we daarmee de immense theologische verschillen tussen Tenach en de synagoge enerzijds en tussen het jodendom en de vroege kerk anderzijds niet. En ik had van een gereformeerd schrijver verwacht, dat hij op déze zaken bij zijn theologische uitgangspunten was ingegaan.
Historisch heb ik eveneens bezwaren tegen deze publikatie. De gedachte dat ongeveer heel de Middeleeuwen liturgisch niets anders hebben betekend dan een vervorming van de mis en een conceptie van een pronausdienst, waar wij weinig mee kunnen beginnen, lijkt me een verwerpelijke gedachte. Er is meer contingentie tussen vroege kerk, Middeleeuwen en Reformatie dan Brienen aangeeft. Bovendien volgt er op de Reformatie nogal het een en ander, zowel aan rooms-katholieke als aan protestantse kant, waar ik niets of nauwelijks iets van lees in het boek van Brienen.
Er is — en dan denk ik ook aan de praktische vormgevingen waar Brienen over schrijft — niet of nauwelijks een discussie mogelijk tussen de auteur en het Hilversums Convent, of de Liturgische beweging of ook de Van der Leeuwstichting. Zeker is het te prijzen, dat Brienen een gereformeerd standpunt verwoordt, waarin elementen uit de traditie verwerkt worden, maar hij gaat van een aantal dingen uit, die zozeer onderwerp van diepgaande discussie zijn, dat ik me niet kan voorstellen dat iemand, die pretendeert vrijwel het gehele gebied van de liturgie in kaart te brengen, aan deze discussies zonder meer voorbij gaat. Ik denk dan bijvoorbeeld aan de actuele vragen van de kerkmuziek, zoals die in een krantendebat tussen kardinaal Ratzinger en de Duitse musicus Karl-Heinz Stockhausen aan de orde kwamen. Ik denk ook aan de voorzichtige manier, waarop Cas Honders in zijn boek Liturgie: barsten en breuken, zich een weg zoekt voor het heden temidden van wat de traditie heeft aangeleverd. En hiermee heb ik precies het woord genoemd, waarin m'n voornaamste bezwaar tegen dit boek vervat is. Brienen was het aan zijn thema verschuldigd om een theologische verantwoording te schrijven over het begrip 'traditie', zoals dat in al zijn genuanceerdheid sedert Tertullianus reeds een probleem is in de geschiedenis van de christelijke kerk.
C.A. Tukker, Epe

Dr. H. Venema, Uitverkiezing? Jazeker! Maar hoe?, Kampen 1991; 176 bIz., prijs ƒ 29,95.
Onder een wat uitdagende titel heeft de vrijgemaakte emeritus-predikant dr. H. Venema, in 1965 gepromoveerd op het thema van de uitverkiezing in het Nieuwe Testament, in bovengenoemd boekwerk opnieuw zijn gedachten over dit thema verwoord. Het is een glashelder boek geworden, waarin hij na enkele korte exposities over de christelijke kerk van de eerste eeuwen n.C., over Augustinus, Calvijn, de Remonstranten en Barth en na uiteenzettingen over de gereformeerde belijdenis m.b.t. de uitverkiezing en de bezwaren daartegen, een aantal cruciale punten uit de leer der verkiezing behandelt (o.a. over de eeuwige vrederaad, de verwerping, de toorn van God en Zijn almacht).
Kennelijk gaat het er Venema om, nog eens onomwonden uit te spreken, dat het 'van eeuwigheid' waarop in het spreken over de uitverkiezing vaak alle nadruk is komen te vallen, op geen enkele manier mag worden uitgespeeld tegen de verkiezing van God als een actie in de menselijke geschiedenis. Voor zijn besef komen de problemen die mensen met de verkiezing hebben, voort uit een idee over de verkiezing waarbij God alles van tevoren heeft vastgesteld, zonder daarbij acht te slaan op enige activiteit van de mens. Calvijn, Greydanus en tot op zekere hoogte zelfs Schilder hebben deze idee door de wijze waarop zij de verkiezing benaderen, bevorderd.
Daartegenover wil Venema alle nadruk laten vallen op het verbond in de tijd, waarin God Zijn genade toereikt aan alle verbondskinderen. Zij zijn de verkorenen. Venema beroept zich bij dit alles ook op de Dordtse Leerregels, al heeft hij tegelijk kritiek op wat deze zeggen over de kenmerken van de verkiezing (I. 12). Aan het slot van dit boek wordt voorts uitvoerig geschreven over de vrijmaking (en de verkiezing). De leer van de veronderstelde wedergeboorte wordt nog eens nadrukkelijk van de hand gewezen. Ook is er de schrijver blijkbaar veel aan gelegen, dat zijn boek een steentje zou kunnen bijdragen aan de tot nu toe weinig of niet geslaagde ontmoeting tussen de Christelijke Gereformeerde kerken en de Vrijgemaakten (blz. 162vv).
Naar mijn inzicht voert Venema in dit boek een spiegelgevecht. Ik acht zijn pogingen om het nieuwtestamentisch tekstmateriaal m.b.t. de verkiezing van eeuwigheid weg te halen uit de sfeer van de nooit begonnen eeuwigheid, niet geslaagd. Ik meen ook, dat het meest cruciale punt uit de klassiek gereformeerde verkiezingsleer — het hart van Dordt — nl. de vrijmacht van Gods handelen in de schenking van het geloof aan Zijn uitverkorenen (nog afgedacht van de 'onthouding' daarvan aan anderen) niet functioneert in wat hij over de verkiezing gezegd wil hebben. Zijn beroep op de Dordtse Leerregels, die juist op dit punt in directe verbinding staan met Calvijns spreken over de verkiezing, is dan ook m.i. niet waar te maken. Ten onrechte schrijft hij: 'Er zijn geen Schriftplaatsen, waaruit zou blijken, dat er reeds van eeuwigheid mensen door God zijn verworpen of gepasseerd voor zij enig teleurstellend gedrag hadden kunnen vertonen. Van zo'n verwerping spreken de Dordtse Leerregels dan ook niet' (blz. 52).
Venema's interpretatie van de verkiezing brengt m.i. noodzakelijkerwijs een gemeentevisie met zich mee, die wel de veronderstelde wedergeboorteleer van Kuyper vermeden wil hebben, maar inmiddels een verbondsautomatisme in de hand moet werken, waarmee Christelijk Gerefomeerden en ook anderen in de Gereformeerde Gezindte problemen hebben. Het valt overigens op (ook uit de opgesomde literatuur in het boek van Venema), dat wat door anderen uit die Gereformeerde Gezindte buiten de beide genoemde kerken over de verkiezing is geschreven, niet ter sprake komt.
Wat betreft die gemeentevisie, Venema schrijft: 'Een kerklid behoort zich dan ook niet aarzelend en weifelend af te vragen: zou ik wel door God uitverkoren zijn? Hij zou daarmee tonen Gods goedheid over hem niet op te merken en niet te luisteren naar Gods roepstem. Wat hij wel mag en moet doen, dat is zich afvragen, of hij wel goed luistert naar het evangelie van Christus of hij steeds vertrouwt op het offer door Christus aan het kruis gebracht, of hij zich wel verootmoedigt over zijn zonden en gebreken en zich beijvert God en zijn naaste lief te hebben en zo zijn roeping en verkiezing bevestigt, vastmaakt' (blz. 32).
Naar mijn inzicht echter kan dit goed luisteren naar het evangelie binnen Gods verbondsgemeente niet tot zijn recht komen, wanneer daarmee niet de erkenning verbonden is, waarmee de Dordtse Leerregels inzetten, nl. dat wij van huisuit overal buiten vallen. Subjectivisme, het altijd gevreesde kwaad, is niet het enige gevaar, dat de gereformeerde belijders bedreigt.
C. de Boer, Bennekom

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 mei 1992

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Boekbespreking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 mei 1992

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's