De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De kerk – 'een huis om in te wonen'

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De kerk – 'een huis om in te wonen'

25 minuten leestijd

Soms kan men verlangen naar de tijd, toen het met de kerk nog eenvoudig gesteld was. Jezus zat met de schare aan Zijn voeten op de hellingen van de heuvels van Galilea. De kerk in die eenvoud, een wenkend perspectief. En toch... Toen het erop aan kwam bleef Hij met de twaalven over. Toen Jezus over de eigenlijke betekenis van Zijn komen in de wereld sprak, ging de schare heen. Alleen diegenen bleven over, die hadden òpgehoord van de woorden van eeuwig leven.
Of neem de tijd van de eerste christengemeente. Dat was toch een tijd van nog simpeIe kerkelijke structuren? Geen overgeorganiseerde kerk, bepaald en beheerst door regels en geboden, door beperkingen hier en voorschriften daar. En toch... Al snel waren er de tegenstellingen tussen de jodenchristenen en de christenen uit de heidenen. Het apostelconvent moest al snel een paar knopen doorhakken. (Hand. 15). En Paulus moest al spoedig aan de Galaten vragen: 'wie heeft u betoverd dat gij der waarheid niet zoudt gehoorzaam zou zijn?' 'Zijt gij zo uitzinnig? Daar gij met de Geest begonnen zijt, voleindigt gij nu met het vlees?' (Gal. 3 : 1, 3).
En verder, was de tijd van de Reformatie niet een grootse tijd, een tijd om naar terug te verlangen? Maar de kerk in deze landen had zich nog maar nauwelijks geconstitueerd of Johannes Bogerman riep de remonstranten toe: ite, ite. Eruit!


De kerk is meestal geweest een kerk onder het kruis en in strijd, méér dan kerk in glorie. De strijd om kerk te zijn en telkens weer nieuw kerk te worden is niet van vandaag of gister. Ze is kennelijk gegeven met de plaats in de wereld en met het feit, dat de kerk kerk in gebrókenheid is. Maar ook al zouden we met enig heimwee omzien naar bepaalde tijden in de geschiedenis van de kerk, het is ons nu eenmaal niet gegeven tóén te leven maar het is onze opdracht om vandáág te leven en wegen te zoeken, die voor de kerk vandaag begaanbaar zijn.


De kerk zal vandaag, hier en nu, een huis zijn om in te wonen.
Als we dit vandaag nu wat nader onder ogen zien, is de verzoeking groot om in de beeldspraak op te gaan en daarin te blijven steken. Want niets is zo alledaags als een huis, en er zijn huizen in soorten, van paleizen tot bouwvallen, van lemen hutten met een rieten dak tot gepantserde schuilkelders, van huizen die op instorten staan tot pas gerenoveerde panden.

We laten vandaag al die beelden voor wat ze zijn. Omdat de kerk echter geen menselijk bouwsel is, zetten we toch het liefst bij de Schriften in. Wat zegt de Schrift over dat Huis en over de bewoonbaarheid ervan?

Woonstede Gods
We zijn altijd weer onvermoeibaar en volijverig in de weer om na te denken over de vraag hoe de kerk een huis is, waar mènsen kunnen wonen, waar zij een onderkomen vinden. Maar de Schrift zegt allereerst, dat de nieuwtestamentische gemeente een woonstede Gòds is, ìn de Geest. Voor zover wij mensen daar ook wonen zijn we huisgenoten Gods. (Ef. 2 : 19) En die gemeente is gebouwd op het vaste fundament van apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus de uiterste Hoeksteen is. Op dat fundament is het hele gebouw opgetrokken, wordt het samengevoegd tot een heilige tempel in de Heere. (Ef. 2 : 21) En zó, in dat gebouw, dat God Zelf ter woning verkiest, worden de leden der gemeente mède gebouwd tot een woonstede Gods in de Geest. (Ef. 2 : 22)
Bij alle menselijke getob en geharrewar omtrent de gestalte van de kerk en van de gemeente vandaag, kunnen we dunkt me vaak maar al te zeer de heiligheid van het Huis Gòds uit het oog verliezen. We hebben de kerk zo vaak gedegradeerd tot een menselijk zaakje. Het woord van Christus is nog altijd actueel: 'maakt niet het huis Mijns Vaders tot een huis van koophandel' (Joh. 3 : 12). Er is al wat uitverkoop gehouden van heiligheden, die een sieraad voor het Huis Gods moeten zijn.
Nu weten we heel best, dat de hoge en heilige God niet in een huis van stenen is te vangen, ten diepste ook niet in de kerk als zodanig kan worden neergetrokken. Maar als het Hem behaagt om Zich zó te openbaren, dat Hij de gemeente tot een woning heeft, dan mogen we niet puur menselijk over de gemeente, over het huis Gods spreken. De gemeente is geen winkeltje, waar mensen in en uitlopen en kopen wat hen goeddunkt.

In Handelingen 7 getuigt Stefanus, dat de Tabernakel der getuigenis onder de vaderen in de woestijn was. Daar wilde God toch al wonen onder het volk van het Oude Verbond. David ging een stap verder, die wilde 'een woonstede voor de God Jacobs' vinden in de vorm van een tempel, die pas door Salomo gerealiseerd mocht worden. Maar wacht even, zegt Stefanus dan: de Allerhoogste woont niet in tempelen, met handen gemaakt. 'De hemel is Zijn troon en de aarde de voetbank Zijner voeten'. De uitoefening van de eredienst in het huis Gods zal dan, ook vooral een geestelijke zaak zijn. De bewoners zijn echter vaak het vlees gevolgd in plaats van de Geest, zegt Calvijn. Calvijn noemt in dit verband de tempel veelzeggend 'teken en onderpand van Gods tegenwoordigheid.' Daar zal God Zelf aan het Woord zijn. Daar wil Hij wonen en tronen op de lofzangen van Israël.


Bij alles wat we dan ook over de kerk zeggen en bij alles wat in de kerk geschiedt en bij elke structuur, die we voor de kerk bedenken, mogen we ons wel in vrees en beven afvragen of de Heilige Israels er dóór en ìn de Geest wonen kan. Zo niet, zou dan niet kunnen gelden het woord van Jezus over Jeruzalem: 'Uw huis worde u woest gelaten' (Mt. 23 : 38)? Ziende op de gedeformeerde gestalte van de kerk is er alle reden om uit te roepen: 'Heere, ga uit van ons, wij zijn onreine mensen.'
In Gods Huis kan niet God worden gediend en de mammon, niet de God van Israël en de goden van de tijd. 'De heiligheid is Gods Huis sierlijk', zegt de psalmist (Ps. 93 : 5).

We hebben dit dunkt mij in deze tijd wel met name te bedenken, nu allerwegen de kerk onder druk staat om levenspraktijken, die, zich naar de Schriften niet verdragen met de heiligheid van het Huis Gods, te sanctioneren en, als het om samenlevingsvormen gaat, zelfs in te zegenen. Het zou wel eens kunnen zijn, dat hier grote beslissingen gaan vallen in het geheel van de kerk, beslissingen waarmee de kerk, wat haar welwezen betreft, zal kunnen gaan staan of vallen. Mij dunkt, dat ik niet nader behoefte concretiseren wat ik bedoel. Elke mens, die mede gebouwd wordt tot een woonstede Gods in de Geest, is zelf tempel van de Heilige Geest. Wat voor de afzonderlijke gelovigen geldt, geldt voor de gemeente en omgekeerd. Kan God er in de Geest wonen? Is ze ècht woonstede Gods in de Geest?
We zouden hier, in het geheel van de kerken, wel eens op beslissende kruispunten kunnen staan. Meer echter nog dan om de kerkordelijke structuur in deze van de kerk gaat het vandaag om haar geestelijk gehalte en haar geestelijke gestalte. Dat komt ook in haar ethische beslissingen, die ook grondleggend kunnen zijn voor een kerkorde, tot uitdrukking.
Praktisch gezien zal het de vraag zijn of diegenen, die niet kunnen verdragen levenspraktijken, die niet overeenstemmen met Gods imzettingen, en diegenen die deze principieel tolereren, elkáár nog zullen verdragen. Maar principieel stellen we de vraag of we ons samen in de kerk nog gevangen willen geven in de gehoorzaamheid aan het Woord Gods en Zijn heilzame geboden en beloften.

Huis en ark
We benadrukken intussen nog eens, dat al wat de Schrift over het huis Gods zegt, ze dit allereerst zegt van de gemeente ter plaatse, daar waar mensen samenkomen rondom Woord en sacrament. Dáár zijn de kinderen Gods vooral en in de eerste plaats medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods. En dáár vooral is de kerk 'een huis om in te wonen'.

Er is iets grondig mis als de kerk zich manifesteert op alle terreinen des levens, zich als een machtig bolwerk openbaart of doet alsof, zich mondiaal breed maakt en zich over alles drukt maakt, terwijl de gemeente verkommert of kwijnt. Als zodanig moeten we eerlijk zeggen, dat onze Hervormde Kerk zich na de Tweede wereldoorlog apostolair heeft breed gemaakt op een wijze, die niet in verhouding stond tot het gehalte en de gestalte van de gemeente in bijbels opzicht, zeker niet in haar voortgaande ontwikkeling. Als mensen zich wel willen ophouden in een brede conciliaire kerk, maar zich niet thuis weten in de gemeente, zitten de dingen grondig scheef. En als leiding gegeven wordt aan de kerk, met verwaarlozing van de zorg om gemeente in haar geestelijke gestalte en in haar geestelijke opbouw, dan mag de vraag worden gesteld of en hoe de kèrk nog ècht een huis voor mensen is om te wonen. De gemeente mag niet onder het juk doorgaan van de kerk.


Ik kom dan nu bij de titel van dit referaat, waarin ik 'een huis om in te wonen' tussen aanhalingstekens heb geplaatst. Dat heeft te maken met het feit, dat prof. dr. G.J. Dingemans — kerkelijk hoogleraar te Groningen — onder deze titel een boek heeft uitgegeven: 'Een huis om in te wonen — schetsen en bouwstenen voor een Kerk en een Kerkorde van de toekomst.' Dingemans denkt na over de kerk van de toekomst. Dat willen we mèt hem doen, temeer daar zijn visie in de doordenking van het SOW proces onder- of bovenhuids telkens aan de orde is. Het, althans op het eerste gezicht, aansprekende van dit boek is, dat de gemeente, de plaatselijke gemeente daarin het volle pond krijgt. We kunnen het ook helemaal meemaken als Dingemans stelt, dat in de jaren rondom de invoering van de nieuwe Kerkorde de algemene kerk breed is doordacht — in een zekere triomfantelijkheid zelfs — maar dat de plaatselijke gemeente achterop is gekomen. Want nogmaals: in de plaatselijke gemeente moeten mensen hun tehuis hebben. Dáár vindt de gemeenschap plaats. Dáár wordt liefde gedeeld. Dáár functioneren de gaven, in al hun bijbelse verscheidenheid, tot opbouw van het Lichaam van Christus. Daar wordt ook, als het goed is met liefde, het offer gebracht voor de instandhouding van de dienst des Heeren. Dit laatste is ook een zó voluit geestelijke aangelegenheid, dat we de vraag van de juiste besteding en bestemming van kerkelijke gelden en van het goede toezicht daarop ook uitdrukkelijk mogen stellen. Dat is voluit geestelijk. Een kerk bijvoorbeeld, die het breed laat hangen, met een overbezette en financieel veel vergende top, terwijl gemeenten kwijnen, is in geestelijk opzicht een wangestalte.


Maar dan mag verder ook de vraag worden gesteld òf en hóé die gemeente een geestelijk huis is. Bij Dingemans is het namelijk zo, dat de wereldgerichtheid, die kenmerkend was voor het kerkelijk apostolaat, in feite kleinschalig wordt doorvertaald naar de gemeente. De titel van het boek ten spijt ligt bij Dingemans de nadruk toch vooral op het in beweging zijn van de gemeente, in plaats van het zijn van een woonstede Gods. De deuren staan wijd open naar de wereld. Die wereldgerichtheid bepaalt het wezen van het kerk zijn. De nadruk ligt niet op de gemeente als 'woonstede Gods in de Geest'.

De kerk, de gemeente als schuilplaats, als ark van Noach staat bijvoorbeeld bij hem sterk ook sterk onder verdenking. Dat noemt hij 'het vluchtmodel' voor de kerk. 'De kerk vlucht uit de kolkende en meeslepende oceaan van de wereld in de ark van Noach', zegt hij. De kerk wordt dan gezien 'als een vluchtheuvel in de baaierd, als een schuilplaats in de wereldstorm', zegt hij verder.
Maar — zo willen we zeggen — dat is de kerk toch ook. Omdat de kerk dat vaak níét meer is hebben mensen soms elders de toevlucht genomen, waar dit wel zo is. We denken aan de uittocht naar evangelische gemeenten. De kerk is toch hoedster van een geheimenis, dat de wereld niet kent en waar mensen van echte geborgenheid horen zullen! Het is mij bij een recent bezoek aan Hongarije opgevallen hoe juist dáár het beeld van de ark van Noach met nadruk werd gebezigd voor het kerk-zijn vandaag. Is die gestalte van de kerk ook niet bepalend geweest voor het kerkbewarende werk van de Heilige Geest in die landen, toen de stormen van het atheïsme en de communistische dictatuur over die landen gingen? Mensen hebben geweten van de kerk als schuilplaats, als ark, als burcht, als toevlucht, kortom als woonstede Gods in de Geest. Toen Christus vroeg: 'wilt gijlieden ook niet heengaan?', hebben ze beleden dat Hij, dáár de woorden van het eeuwige leven had.
De kerk als schuilplaats is een van de meest wezenlijke trekken van de kerk van Christus, omdat Hij een Rots is, waarop een mens en een gemeente bouwen kunnen en vast staan kunnen als de stormen, ook de stormen van Gods gerichten over de wereld gaan. De kerk zal zijn een vrijplaats voor door onweder voortgedrevenen, voor de meest eigentijdse daklozen ook.

Pluriform
Daar komt nog iets bij. Dingemans pleit voor ruime behuizing. De kerk moet vooral pluriform, liever nog pluraal zijn. De plaatselijke gemeente mag, wat hem betreft, dan ook weer in gemeenten van allerlei soort uiteenvallen. De eenheid in Christus is bij hem daarbij bij voorbaat een gegeven. En vandaaruit mag een grote veelvormigheid aan wijzen van gemeente-zijn opbloeien. 'In een pluralistische wereld mag er ook een pluralistische gemeente zijn', zegt hij. Hóé de Schriften worden vertolkt is niet doorslaggevend. Overal wáár de gemeente namelijk de Schrift openlegt, daar is bij voorbaat de Schriftuitleg.

De ambtelijke vergaderingen boven plaatselijk niveau nemen voor Dingemans verder een ondergeschikte plaats in. De plaatselijke gemeente en de wereld (de mondiale samenleving) zijn de polen, waarom het in de kerk gaat. De structuur van de ambtelijke vergaderingen wil hij dan ook aanmerkelijk vereenvoudigen. Eén maal per jaar bijvoorbeeld een synode, als een groot congres voor 500 à 600 leden, biedt voor hem de mogelijkheid voor bredere bezinning. Een soort terugkerende kerkendag dus, vanuit een conciliaire kerk.


Er mag geen misverstand over zijn, dat we de nadruk, die Dingemans legt op de plaatselijke gemeente en op de vereenvoudiging van het kerkelijk apparaat, gaarne onderstrepen. De gemeente zucht al te veel onder het juk van de kerk. Oude tijden schijnen zelfs terug te keren. Toch moeten wij de totaalvisie van Dingemans afwijzen, en wel vanwege de principiële grondnoties, waarop Dingemans zijn gedachten stoelt. De kerk is voor hem namelijk vooral een apostolische beweging. En dat is iets anders dan wat de Schrift bedoelt met het huis, dat gefundéérd is op het fundament van apostelen en profeten. Dingemans wil in feite een huis zonder fundament. De Schrift tekent ons een kerk, die een fundament heeft, een vast fundament zelfs. In dat huis wil de Geest wonen.
Laten we voorop stellen dat het dan gaat om méér dan een orthodox gebouw. Het gaat om levende stenen. De Heidelbergse Catechismus belijdt als het meest wezenlijke, dat 'ik' — hoogst persoonlijk — van die gemeente een levend lidmaat ben en eeuwig zal blijven (zondag 21). Daarop moet al de arbeid in de gemeente ook zijn gericht. Het gaat om beweging van de Heilige Geest in het huis en vandaaruit ook naar buiten, in zending en evangelisatie, in profetie en diakonale dienst. Dingemans echter laat ons in de steek — en daarin is hij niet de enige — als het gaat om het fundament van het huis. Met zoveel woorden zegt Dingemans, dat het eigene van een kerk niet ligt in leerstellingen of belijdenissen. We vallen hem direct bij als hij zou willen zeggen, dat leerstelligheid niet genoeg is. Louter orthodoxie zal de kerk niet redden. Maar hij laat ons ten diepste in het ongewisse omtrent het gééstelijk fundament.


Uiteindelijk komt Dingemans dan ook terecht bij een zeer vrij congregationalistisch kerkmodel, waarin het algemeen priesterschap der gelovigen centraal staat. Daarbij is voor het lidmaatschap van de gemeente de doop voldoende en is er sprake van open avondmaal en open ambten. Of ambten hier nog ambten zijn is de vraag.

De wind mee
Nu heeft Dingemans met zijn visie ongetwijfeld de wind mee. De laatste tijd heeft bijvoorbeeld de bekende socioloog prof. dr. G. Dekker hierover een boekje open gedaan. Eén en ander maal heeft hij van zich doen spreken met zijn publicaties over de veranderingen in de Gereformeerde Kerken, maar ook in de breedte van het kerkelijk leven. In Trouw schreef hij bijvoorbeeld een artikel onder de titel 'grote variatie in geloofsbeleving', met als sprekende ondertitel 'Er is eerder behoefte aan méér dan aan minder kerken'. Hij zegt, dat er steeds minder behoefte bestaat aan schaalvergroting. De variatie in de geloofsopvattingen is ook binnen de plaatselijke gemeenten — zo zegt hij — enorm toegenomen. Hij gebruikt in dit verband zelfs de uitdrukking 'geloven à la carte'. Ieder stelt z'n eigen menu samen. Onze tijd vraagt — aldus deze godsdienstsocioloog — om een grote variatie in kerkvormen.
Veelbetekenend concludeert hij in dat verband zelfs, dat SOW daarom achterhaald is en doel in zichzelf dreigt te worden.


Wanneer we nu deze tendens onder kritiek stellen, moeten we er ons niet te goedkoop van afmaken. Want deze tendens is waarneembaar in àlle denominaties, ook in eigen hervormd gereformeerde kring.
Ook onder ons is en wordt — om maar één voorbeeld te noemen — hoera geroepen nu de kerk de onzes inziens fundamenteel onjuiste beslissing nam om perforatie van gemeentegrenzen principiéél — let wel principieel en niet alleen praktisch — door te voeren.
Ook onder ons is er sprake van een sterker wordende neiging tot congregationalisme. Hier en daar wordt dat ook met zoveel woorden beleden. Maar anderzijds spreekt de wildgroei hier en daar in hervormd gereformeerde kring, met zelfs nauwelijks ook nog zicht op het eigene van de, plaatselijke geméénte als zodanig, een eigen taal. De groep wint het her en der van de gemeente. Dat is puur modernistisch.

Per uiterste consequentie komen we zo in een situatie van Free Churches terecht. Zien we echter wat daarvan in Engeland geworden is, dan moeten we zeggen, dat hier de wegen uiteindelijk ook dood lopen. Het gaat ook om de katholiciteit, om de gemeenschap. Die is heilzaam voor de gemeente. Die raken we echter meer en meer uit het oog kwijt.
Maar al met al heeft de visie van Dingemans in bréde kring de tijdgeest mee. Eenvoudig vertaald: zie er in kleine kring, of kleine groep nog maar wat van te maken. En verder: ruimte voor ieder.
Hoe we zo overigens in gemoede ons nog druk kunnen maken om wat elders, in andere gemeenten of in het geheel van de kerk gebeurt, blijft dan een open vraag. Laat de rest dan ook de rest maar. Lijden aan de kerk behoeft er verder ook niet meer te zijn.

Ter overdenking
Dit brengt mij dan ook tenslotte nog tot een aantal grondlijnen inzake de bezinning op de kerk en haar toekomst, om in de woorden van Dingemans te blijven.
Gaat het alleen om de geméénte of gaat het ook om de kèrk? Gaat het ook, gaat het ook vandáág nog om een, liever nog om de gereformeerde kerk in Nederland? Nu leert de praktijk het al, dat het onmogelijk is om louter over de plaatselijke gemeente te spreken. Mensen verhuizen van de ene gemeente naar een andere, dominees worden beroepen van de ene gemeente naar de andere. Dat vraagt om orde en regelgeving. Men moet er toch niet aan denken, dat ieder maar op eigen houtje verder moet gaan? De chaos zou compleet worden.
Maar nu ten principale. Als we principieel zeggen, dat de gemeente is en wordt gebouwd op het fundament van apostelen èn profeten, waarvan Jezus Christus de uiterste Hoeksteen is, dan worden zó de gemeenten de tijden dóór toch ook al met elkaar verbonden! Om de Hoeksteen Christus staan de apostelen van het Nieuwe Verbond en de profeten van de Oude Verbond. Het vaste fundament zelf omspant, om zo te zeggen, al de tijden, de eeuwen. En zo worden ook wíj vandaag méde (!) gebouwd op dit fundament, tot een woonstede Gods in de Geest. Hier krijgt elk individualisme de doodsteek. Hier Valt ook het congregationalisme kritisch te bevragen.
De Heere laat zich, met eerbied gezegd, niet gevangen houden binnen het huis van één gemeente. Zijn gemeente is van alle tijden en alle plaatsen. En daar rijzen dan toch ook de contouren van de kerk.

Daarom zullen we ons toch druk maken over en bezig houden met het geheel van de plaatselijke gemeenten.


Ook vandaag gaat het, en zàl het ons gaan om een gereformeerde of hervormde kerk in of van Nederland. In de náám ligt daarbij het wèzen. Daarbij is voor ons reformatorisch gereformeerd of hervormd en gereformeerd of hervormd reformatorisch. En ook Luther was ge-réformeerd of hèrvormd, al was hij dan Luthers. We moeten toegeven: dit ideaal van een ongedeelde gereformeerde kerk lijkt steeds verder terug te wijken. Het gereformeerde leven zelf — onmisbaar voor een gereformeerde kerk — brokkelt af. De Gereformeerde Kerken in Nederland met name hebben — het blijkt uit toonaangevende theologische publicaties van deze dagen — afscheid genomen van hun gereformeerd verleden. Daarmee is een brede sector van gereformeerd leven in ons land weggevallen. Daarmee is wat rest aan gereformeerd leven in zekere zin in de marge terecht gekomen. Ik zeg in zekere zin, want het getalsmatige is niet belissend.
Maar nochtans, wie gereformeerd wil heten, denkt toch ook vandaag breder dan de plaatselijke gemeente? Het gaat ook om de kerk in dit land. Het gaat om een gereformeerde kerk, met een gereformeerde orde. Ook al zou slechts een rest overblijven. Zo niet, dan valt de Gereformeerde Bond op te heffen.
Zulk een kerk zal als geheel een woonstede Gods in de Geest dienen te zijn. Als de kerk als geheel een huis is om in te wonen zal dat de gemeenten ten goede komen. Als de gemeente een twist heeft met de kerk of de kerk met de gemeente, wringt er een schoen.
Wie verder voor de kerk vandaag — kon het zijn profetisch — wil opkomen, moet, naar mijn overtuiging daar zijn waar de kerk gelegerd is. Om rekenschap af te leggen van de hoop voor de kerk, dat is voor de gemeente. Samen terug naar de bronnen, ook al betekent dat altijd tegen de stroom oproeien.


Hier komt in onze tijd nog een wezenlijk aspect bij. Moet er juist in een tijd van neergang als de onze niet de intentie zijn om onderlinge solidariteit en saamhorigheid te betrachten en te bevorderen? Ik denk aan de Macedonische man uit Handelingen 16 en aan de collecte voor de gemeente in Jeruzalem, waartoe Paulus oproept in 2 Kor. 8. De gaven moeten ook ten dienste van andere gemeenten worden besteed. Het besef samen deel uit te maken van het ene — ten principale toch ongedeelde — lichaam van Christus geeft ook verantwoordelijkheid ten opzichte van elkaar. Dat vraagt eerder om nauwere samenhang dan om uiteenvallen van gemeenten. De kerk is er van Amsterdam tot Hoogkerk en niet (alleen) van Alblasserdam tot Meerkerk.


In de vorige eeuw heeft Kuyper de Hervormde Kerk prijs gegeven aan Jan Rap en zijn maat. De verhoudingen vandaag zijn gans anders geworden. Maar — ik uit dat hier als een persoonlijke belijdenis — het devies van dr. Ph.J. Hoedemaker in die dagen spreekt vandaag nog des te meer, nu we met de kerk in diepe dalen verkeren, met name in de grote steden (maar waar niet?). Hoedemaker wenste met Gods volk te leven en te sterven, maar hij wenste zich niet op te sluiten in een klein kringetje en zich intussen 'om de verbreking van Jozef', dat wil zeggen de scheiding der broederen niet te bekommeren. Hij wist zich een hervormde, die in de abnormale toestand, waarin de kerk verkeerde, niet de geringste aanleiding voelde om haar te verlaten 'veeleer — zo zegt hij — het tegenovergestelde'! Ik zeg het met hem mee, juist vandaag. Meer dan ooit staan we ook als hervormd gereformeerden voor de vraag tot welke kerk we ten principale willen behoren. Willen we Free Churches of willen we de kerk? En welke kerk dan?
Het is een hoge góói om vandaag nog op te komen voor een hervormde, dat is gereformeerde kerk in Nederland, die haar wortels heeft in de van God gegeven geschiedenis alhier. Of zou zulk een kerk een rest zijn, die overblijft voorbij de ontkerkelijking?

Het is anderzijds een hóóg goed, dat een gereformeerde kerk in haar belijdenis een accoord van kerkelijke gemeenschap heeft. Dat is heilzaam, juist in een tijd van individualisme. Die gemeenschapsgedachte gaat diep. Moet ook daarom vandaag de ijver van Gods Huis ons niet verteren, om het hele huis der kerk een huis te doen zijn om samen te wonen? In gemeenschap met de belijdenis der vaderen, met de Schrift alleen als enige regel des geloofs. Dat wel. Onbekrompen en ondubbelzinnig.

Appèl
Intussen zal het ons mutatis mutandis een grote zorg zijn, dat de kerk zich niet in brede organisatie en in overspannen wereldgerichtheid te buiten gaat, terwijl ze de gemeenten in een soort dwangbuis brengt. Feit is immers, dat we momenteel van keer op keer geconfronteerd worden met ingrepen van bovenaf, die onrust in de gemeente veroorzaken en die uiteindelijk worden ervaren als een dwang van boven af. Als ik voorbeelden noem, trap ik slechts een open deur in: de kwestie van de zesjaarlijkse stemming, de dreigende tucht over kerkeraden, die inzake het leven van de gemeente opzicht en tucht naar bijbelse maatstaf willen oefenen, de perforatie van de gemeentegrenzen, de kwestie van de vrouwelijke consulent.


In dit verband moet ik toch nog kort noemen SOW. Ik noemde al de opmerkingen van prof. Dekker, dat SOW doel in zichzelf dreigt te worden. De hele ontwikkeling van schaalvergroting verdraagt zich niet — zo zegt hij — met de toenemende drang tot differentiatie, tot kleinschaligheid en pluriformiteit. Evenwel gaat van de voortgang van het proces een sterk dwangmatige werking uit. Enerzijds moet de gemeente pluriformer, zo hoort men overluid, anderzijds worden we elkaar als bewoners min of meer opgedrongen.
Wij weten niet of en hoe het schip van SOW voortgaan zal. Er wordt gedokterd aan een nieuwe structuur voor een kerk van de toekomst. We willen hier krachtdadig bepleiten, dat de uiterste zorg wordt betracht met betrekking tot de bewoonbaarheid van het huis. Dat raakt eerst de gemeenten. Als de gemeente niet in vrijheid functioneren kan, keert de wal het schip en zal in de gemeenten het verantwoordelijkheidsbesef voor het geheel afnemen. Gemeenten zullen niet in een dwangpositie komen, zo is gezegd. De noodzaak daartoe reikt verder dan de federatieve status in het SOW proces.

Maar er is ook méér dan de gemeente. De gemeenschap der kerk wordt bijvoorbeeld ook, als het goed is, geoefend in de classes. Met name de wijze, waarop de classis voor vandaag en morgen wordt ingericht en geregeld, zal een testcase zijn voor de vraag of er nog ergens een plek zal zijn, waar de onderlinge gemeenschap geestelijk functioneren kan, althans wat de ambten betreft. Enerzijds pleiten we voor sterke decentralisatie, vàn de landelijke kerk náár de plaatselijke gemeente en anderzijds voor het bewaren van de classis als leefbare grondgemeenschap van de kerk.

Tenslotte
Tenslotte nog twee opmerkingen. In het boek van Dingemans komt een woord voor, dat ook mij tot nadenken stemt. Hij is zoon van een fysicus, bij wie ondergetekende —en ook hijzelf— in Delft nog college liep. Zo hanteert Dingemans het begrip entropie. Entropie nu is een graadmeter voor wanorde in de natuur. De wet van de entropie houdt in, dat de wanorde al maar toeneemt. Dat heeft met temperatuurstijging te maken. Welnu, zo ziet Dingemans het ook in de kerk. Ook daar heerst kennelijk de wet van de entropie, van de toenemende wanorde. Wie de geschiedenis beziet kan, eerlijk gezegd, moeilijk tot een andere conclusie komen. De versplintering is kennelijk onomkeerbaar en gaat maar steeds verder. Prof. Douma heeft het ooit wat eenvoudiger gezegd: het zal blijven kraken en scheuren tot de jongste dag. Dat is een aangrijpende gedachte. En toch... binnen de kerk gelden geen natuurwetten maar blaast de Geest waarheen Hij wil, bekerend en ordenend naar Zíjn orde.


Maar vervolgens, de kerk en ook de gemeente is niet een woonstede Gods in de Geest door louter te stèllen dat ze het is. De Geest zal er ook metterdaad moeten wonen. Als we vandaag klagen over geesteloosheid, dan hebben we op dit moment zeker niet de meest geschikte tijd om te bouwen aan nieuwe structuren. Dan wordt het al gauw een menselijk zaakje. Dan zouden we juist de doorwerking van de Geest in de gemeente wel eens tegen kunnen staan. Nieuwe structuren, die geen vrijheid voor de gemeenten inhouden, zouden Geestdodend kunnen zijn.

Wanneer echter de Geest in de raderen is dan kan het ons ook gegeven zijn om nieuwe wegen te gaan in nieuwe tijden. God geve dat, een spade regen des Geestes.
Kom Schepper, Geest, doorwaai de hof.

Lezing gehouden op de jaarvergadering van de Gereformeerde Bond op 20 mei 1992 te Nijkerk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 mei 1992

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

De kerk – 'een huis om in te wonen'

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 mei 1992

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's