De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een voluit Bijbels gegeven! (7)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een voluit Bijbels gegeven! (7)

De wedergeboorte

10 minuten leestijd

Terecht schrijft ds. J.G. Woelderink, dat de herschepping òf de wedergeboorte voor ons niet een voorwerp mag worden van psychologisch onderzoek of wijsgerige bezieling. Zij dient voor ons een object (voorwerp) van het geloof te blijven
Naast de bekering spreken wij van wedergeboorte. Daarmee willen wij de Heere de eer geven. In overeenstemming met de Schrift zien wij het nieuwe leven (de wedergeboorte) als een leven door God verwekt. Zo min als een mens te pas komt bij nieuw leven in de natuur, zo min is hij werkzaam bij het nieuwe leven dat God in hem werkt. In de bekering als vrucht van de wedergeboorte is de mens werkzaam. Toch mag ook daarbij niet vergeten worden, dat het God is, die in hem werkt, beiden het willen en het werken naar Zijn welbehagen.
Samengevat kan ik dit stellen: Het is geen werkzaamheid van de mens als hij uit de dood in het leven overgaat. Wij staan wat dit aangaat voor een pure Godsdaad. God is het, die in Zijn wondere genade door de levendwekkende kracht van Zijn Geest de doden levend maakt. De Geest gebruikt daartoe doorgaans het Woord als het zaad van de wedergeboorte.
In het woord wedergeboorte wordt ons met nadruk voorgehouden, dat het een geboorte van Boven is.

Tijdstip
Wat ik nu ga schrijven in dit verband is een pastorale noot. Op huisbezoek kom ik wel leden van de gemeente tegen, die niet alleen bezig zijn met de vraag òf zij wederomgeboren zijn, maar die ook niet kunnen loskomen van de vraag naar het tijdstip waarop zij wederomgeboren zijn.
Op de vraag of men kan weten van Boven geboren te zijn, ben ik het vorig artikel uitvoerig ingegaan. Een aantal antwoorden heb ik tóen gegeven. Objectieve antwoorden, die zijn opgediept uit de Schrift. Het hart is — zo toonde ik aan — geen norm. Alleen het Woord geeft gezaghebbende antwoorden. Welnu, op die antwoorden ga ik nu niet verder in.
Wel wil ik ingaan op de vraag naar het tijdstip. Is het tijdstip, dat ik wedergeboren ben aan te wijzen? Een vraag waarmee door deze of gene wel geworsteld wordt en die soms hoofdbrekens en zelfs wel slapeloze nachten geeft.
Toch behoeft men eigenlijk met zo'n vraag niet bezig te zijn. Want let wel: de wedergeboorte is een geboorte van Boven, bij God vandaan.
Voor het leven des geloofs is van uitermate groot belang om zó de wedergeboorte te zien. Want daardoor is het uitgesloten, dat wij naar het tijdstip van onze wedergeboorte gaan wroeten. Het leven des geloofs leert ons, dat wij het tijdstip van de geboorte van Boven niet kunnen bepalen.
Opnieuw haal ik ds. J.G. Woelderink aan als hij terecht de opmerking maakt, dat iedere poging tevergeefs is om op grond van de eerste werkzaamheden tot verkrijging (ontvangen) van genade, dat tijdstip vast te stellen.
Ook al is er een incubatietijd (voorbereidingstijd) tot de genade, zo mag men uit die incubatietijd nog niet het tijdstip bepa­len. Trouwens, wie zal kunnen zeggen, wanneer de. Heere in hem/haar een goed werk is begonnen?
Dat allereerste begin is alleen bij de Heere bekend, 't Heeft ook alles te maken met Zijn verborgen raad, waarvan geldt dat wij daarin niet móeten noch mógen wroeten. Dus het tijdstip van de wedergeboorte moeten wij maar laten rusten. Een poging daartoe leidt alleen maar tot verkleining van de herscheppende daad Gods als wij deze laten opgaan in een religieuze werkzaamheid van de mens.
De wedergeboorte is niet een klein stukje van onze bekering, maar het is heel de bekering van een bepaalde zijde gezien. Het is de scheppende daad Gods, door welke de bekering te voorschijn wordt gebracht. Daarom is de wedergeboorte alleen daar, waar de ware bekering tot God wordt gevonden. En het is zeer aan te bevelen, dat wij voor de aanwijzing van de bekering ons niet tot een enkel kenmerk bepalen, maar tot het leven van het geloof en van de liefde in het algemeen.
Over de wedergeboorte zeggen de Dordtse Leerregels III en IV : 13: 'De wijze van deze werking (nl. van de wedergeboorte) kunnen de gelovigen in dit leven niet volkomen begrijpen; ondertussen stellen zij zich daarin gerust, dat zij weten en gevoelen, dat zij door deze genade Gods met het hart geloven en hun Zaligmaker liefhebben'.

Nogmaals het tijdstip
Het zal uit het bovenstaande een ieder van ons duidelijk zijn, dat het tijdstip van de wedergeboorte alleen bij God als de Generator (Verwekker van het nieuwe leven) bekend is. Naar dat tijdstip zoeken wij niet. Wel blijft de vraag over òf er nooit eens een tijdstip in het leven des geloofs is aan te wijzen. Hierop geef ik een positief antwoord. In het pastoraat ontmoet ik mensen, die precies de plaats weten aan te wijzen en de tijd weten te zeggen, waarop zij in de ruimte werden gezet. Door geen leed is plaats en tijd uit hun geheugen te wissen, waarop zij Jezus Christus als hun enige troost hebben leren kennen.
Wanneer men dit mag weten, is dit mooi. Ook in de Schrift wordt ons hierover verhaald. De evangelist Johannes weet precies het uur aan te geven, waarop Jezus hem (zaligmakend) ontmoet. Echter... hoe mooi dat ook is en welk een glans dit aan het geloofsleven geeft, toch moeten wij niet denken, dat dit alle gelovigen ten deel valt.
Als ik de Bijbel goed lees, dan is het slechts een enkeling, die over plaats en tijd iets weet te zeggen. Maar van de meeste kinderen Gods staat over dit alles in de Bijbel niets geschreven.
Het aanwijzen van tijd en plaats is ook niet van belang. Ik schrijf dit opzettelijk voor allen, die onder de indruk van anderen zijn gekomen, die wel over plaats en tijd weten te spreken. Soms denken zij, dat zij dit dan ook moeten kunnen doen. Dat is pertinent onjuist! Wij hebben hierin met de vrijmacht Gods te doen om een mens bij de eerste uitgaande daad des geloofs (het omhelzen van Jezus Christus) zó te bepalen, dàt hij dat tijdstip nooit weer vergeet. Niemand onder ons denkt toch zeker, dat dit bij allen zo het geval is. De Heere gaat verschillende wegen. Daarin moeten wij Hem vrij laten, 't Voornaamste is dat wij Jezus Christus in 't geloof hebben leren omhelzen. Wanneer dat voor het eerst geweest is, is van minder belang, 't Gaat erom, dat als wij in ons leven terugzien, de genade Gods in Christus daarin aanwezig is. Dan kan het wel eens zo zijn, dat wij dat allereerste begin niet weten aan te wijzen, maar dat er toch wel kruispunten zijn, waarop wij kennelijk de Heere hebben ontmoet.
Nogmaals: het tijdstip van dat allereerste begin van het geloof is wel mooi. Men moet ook weer niet doen alsof het niets is. Alles wat wij van de Heere ontvangen — ook in tijd en plaats — is groot. Niettemin schrijf ik wel: laat het aanwijzen van het allereerste begin des geloofs voor ons geen criterium zijn. Wij moeten trouwens niet vergeten, dat het tijdstip van dat allereerste begin totaal kan verdwijnen.
Zo herinner ik mij een zeer vooraanstaande vrouw in onze kring. Zij wist goed te vertellen wat God aan haar ziel heeft gedaan. Zelfs plaats en tijd van die eerste ontmoeting wist zij aan te wijzen. Meer dan eens heb ik met haar hierover gesproken. Zij maakte wat dat betreft op mij grote indruk. Het was trouwens een lust om naar haar te luisteren, als zij over de trouw Gods sprak. Alleen... dat bleef niet zo. Zij werd ouder. Haar geest verfloerste. Zij werd zo dement, dat zij in een verpleegtehuis werd opgenomen. Een aantal jaren heb ik haar daar bezocht. Een gesprek was niet meer mogelijk. Hoe ik haar wees op wat God aan haar ziel had gedaan, maar zij gaf daarop geen reactie, 't Was ogenschijnlijk allemaal weg. Het enige wat zij deed, was de gehele dag met een balletje spelen. Wat wil ik met dit alles zeggen? Dat het tijdstip kan verdwijnen, maar dat de trouw des Heeren nooit verdwijnt. Wie Hij mint, mint Hij eeuwig. Niet het tijdstip, maar òf Jezus Christus in ons leven wordt gevonden, is van belang. Buiten Jezus is geen leven, doch een eeuwig zielsverderf. Ouderwets gezegd gaat het hierom, dat onze staat vastligt in Christus. Dat is dan buiten ons, maar daarom ook vast en zeker. Zelfs voor iemand, die volslagen dement heengaat.

De volgorde
Het is opvallend, dat zowel in de belijdenisgeschriften als in de werken van de oud-vaders een verschillende volgorde wordt gegeven. De één spreekt over geloof en wedergeboorte, de ander over wedergeboorte en geloof.
Brakel houdt zich aan de volgorde: geloof en wedergeboorte. Nu moet ik zeggen, dat er over deze volgorde is te praten. Wij zijn doorgaans — zéker als wij uitgaan van Johannes 3 en de Dordtse Leerregels — een andere volgorde gewend, nl. eerst wedergeboorte en dan geloof. Toch moeten wij ervoor oppassen, dat wij niet een fout hierbij maken. Heel dikwijls gaat men zelfs in de fout. Wat is dan de fout, die wordt gemaakt? Men rukt deze twee in tijd ver uit elkaar. Men stelt het voor, alsof er wel jaren kunnen verlopen, tussen de wedergeboorte en het zaligmakend geloof.
Graag wil ik deze opvatting aan een nader onderzoek onderwerpen. Wanneer Brakel stelt, dat het geloof in de orde voorafgaat, bedoelt hij niet, dat er enige tijd of veel tijd tussen deze twee verloopt. Neen, op hetzelfde tijdstip, dat men het geloof als een gave ontvangt, wordt men begiftigd met het nieuwe leven.
Misschien is het wel goed als ik Brakels eigen woorden weergeef, die men vinden kan in hoofdstuk XXXI par. 12 van zijn 'Redelijke Godsdienst', deel 1. Hij schrijft als volgt: 'Voor de eerste daad des geloofs is de mens dood, hoe vele voorbereidende bewegingen hij ook ontvangen mocht hebben. Als wij voorbereiding stellen, zo weet, dat wij daardoor niet verstaan beginselen des levens, verre van daar; in al de voorbereidingen is en blijft de mens dood, en zijn daden kunnen God niet behagen, hoe deugdzaam dat zij schijnen. Het eerste beginseltje des levens ontvangt hij met de eerste daad des geloofs, geloof en leven zijn in de tijd gelijk, maar in de orde gaat het geloof voor, als een oorsprong des levens; want daar is geen leven dan in de vereniging met Christus, die hun leven is, en het geloof is het middel van de vereniging met Christus, waaruit blijkt de dwaasheid dergenen, die eerst verloochening, die eerst heiligheid zoeken; deze stellen zich in het uiterste gevaar om nooit wedergeboren te worden.'
Er zijn wel mensen, die deze volgorde vreemd vinden, geloof en wedergeboorte. Zij dreigen daardoor in verwarring te worden gebracht. Wat is de oorzaak van die verwarring? Wel, deze verwarring vindt hoofdzakelijk zijn reden in hun gedachte, dat er eerst leven in de ziel wordt ingestort. In de uitverkorenen breekt dit dan door tot het ware geloof in Christus. Tussen deze wedergeboorte en dit geloof kunnen dan nog jaren liggen. Echter... dat is niet de algemene leer van de reformatie en nadere reformatie.
(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 mei 1992

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Een voluit Bijbels gegeven! (7)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 mei 1992

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's