Geen verloren post, maar voorpost
Het Altaar
Op zaterdag 16 mei l.l. werd in Utrecht opnieuw een ambtsdragersvergadering gehouden van ambtsdragers in de grote steden. De bijeenkomst was belegd door het Overleg Grote Steden, dat een aantal jaren geleden door het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond in het leven is geroepen. Aan het begin van de bijeenkomst werd in de Jacobikerk te Utrecht een ambtsdragerspreek gehouden door ds. D.M. van der Linde te Groningen. Bijgaand is de tekst ervan afgedrukt. Red.
Soms denk ik wel eens, zei ze, als ik wat alleen en verloren door de straten van de stille stad loop, op zondagmorgen, zijn we niet bezig wat laatste restanten bij elkaar te houden?
Is het voortbestaan van de christelijke gemeente, vooral als je let op de ontwikkelingen in de grote steden niet een aflopende zaak?
Als kerkgebouwen moeten worden gesloten, predikantsplaatsen moeten worden opgeheven, wijkgemeenten bijeen worden gevoegd. 'Hoe lang nog?' denk je dan.
Ja, zulke gedachten kunnen je soms overvallen, bezorgd maken en somber, de prognoses zijn immers zorgwekkend. En al is de belofte, dat de gemeente door de poorten der hel niet overweldigd zal worden, beloften worden soms enorm aangevochten. Hoe moet je staan in deze verwarrende tijd?
Genesis 26
Vanmorgen lezen we een gedeelte uit Genesis 26.
Daarin gaat het over Izaäk, de tweede aartsvader, de tweede generatie.
Nu is Izaäk niet zo'n opvallende figuur. Genesis 26 is eigenlijk het enige hoofdstuk in de bijbel, waarin die tweede aartsvader een belangrijke rol speelt. Het is met hem allemaal niet begonnen. Geen duidelijke omkeer midden in het leven, geen breuk met Ur der Chaldeeën, zoals bij zijn vader Abraham. Hij is de eerste aartsvader, die van jongs af aan in de dienst des Heeren opgroeide.
Wanneer we spectaculaire dingen verwachten, zoals in het leven van Abraham, de eerste aartsvader, dan valt het wat tegen. In die mate is het er bij Izaäk niet geweest.
Wanneer we hoogte- en dieptepunten verwachten, zoals in het leven van Jacob, een Bethel en een Pniël, dan valt het evenzeer wat tegen. Izaäk is de enige aartsvader, wiens naam door de Heere niet wordt veranderd.
Wat verscholen bijiia staat zijn geschiedenis ingeklemd tussen die van Abraham, zijn vader en Jacob, zijn zoon.
In de geschiedenissen is het steeds Izaäk, die min of meer een bijrol speelt. Goed, hij gaat mee de berg Moria op, een onvergetelijk gebeuren, maar ten diepste gaat het daar toch meer om de beproeving van Abraham. En als hij veel later oud en blind geworden, wordt bedrogen. dan gaat het in die geschiedenis toch veel meer om zijn zoon.
Hoeder van de traditie
Izaäk is eigenlijk, zoals iemand eens spitsvondig opmerkte, de zoon van zijn vader en de vader van zijn zoon. De verbinding tussen Abraham en Jacob.
Ja, maar dan wel de enige verbinding. Hij is de hoeder van de traditie.
In Izaäk trekt de Heere de lijn van de belofte, de lijn naar de toekomst door. Wat met Abraham begonnen is, komt min of meer in Jacob, in Israël, tot een zekere ontplooiing.
Izaäk wordt geroepen om aan de volgende generatie door te geven, wat hem in zijn jeugd, van jongs af aan al overgeleverd is.
Maar hoe doe je dat? Dat is bepaald niet altijd even simpel.
We kunnen ons als gemeente in deze tijd daar iets bij voorstellen, we hebben ook zo onze vragen. Het is met ons niet begonnen.
We zijn vanmorgen samen in dit oude kerkgebouw. Vóór ons is de geslachten door, de gemeente hier samengekomen. En na ons zullen, zolang we de wederkomst van onze Heere Jezus Christus nog wacht, zullen hier ook de generaties samenkomen. Al hebben we bij dat laatste, de toekomst van de gemeente, vooral wat betreft de gemeente in de grote steden onze vragen en zorgen. En dat is niet ten onrechte. Het licht kan immers van de kandelaar genomen worden. Deze zorgen omtrent de toekomst, de volgende generatie waren, zoals we zullen merken Izaäk ook niet vreemd.
Ik zei u al, het gaat bij lzaäk niet door die enorme diepten en over die enorme hoogten heen als bij zijn vader en zijn zoon, maar zijn leven verloopt nu ook bepaald weer niet zonder aanvechtingen. Want waar van geloof sprake is, daar is vaak sprake van strijd en beproeving.
Problemen
Voor een deel krijgt deze tweede aartsvader te maken met dezelfde problemen als zijn vader. Evenals Sara is Rebekka onvruchtbaar. Dat wil zeggen, de toekomst van het volk van God in deze wereld is weer een probleem. De belofte van een groot volk ten zegen, wordt weer aangevochten. Opnieuw moet duidelijk worden, dat de toekomst van het volk van God in deze wereld, niet ligt in en gegarandeerd is door de vruchtbaarheid van dat volk zelf, maar dat ondanks en dwars door de onvruchtbaarheid heen, de belofte van God de garantie is voor de toekomst. Telkens is het geschiedenis door een flessehals. En dat is een hele ontdekking. Ook voor ons.
Dat er een gemeente is, is niet dankzij onze inspanningen, maar dankzij de trouw van de Heere onze God. Bovendien is er een hongersnood, die het land teistert en vreemdelingen trof dat het zwaarst. Want bij economische teruggang moeten vreemdelingen het altijd het eerst ontgelden.
Abraham daalde tijdens de hongersnood af naar Egypte met alle gevolgen van dien. 'Niet naar Egypte gaan', zegt de Heere tegen Izaäk. En hij gehoorzaamt.
Tweemaal noemde Abraham Sara 'zijn zuster', raakte de aartsmoeder in vreemde handen.
Izaäk gebeurt hetzelfde.
Het geloof in de vervulling van de beloften aan Abraham al gedaan, de beloften van land en zoon, toekomst en thuis, wordt weer enorm aangevochten.
Bijwoners
Uitgebreid wordt er in Genesis 26 verteld over de strijd om de bronnen, het gevecht om het bestaan van alle dag. Op een dag heeft de Heere tot Izaäk gesproken, woon als vreemdeling in dit land.
En inderdaad, Izaäk woont ook als een vreemdeling te Gerar. Een bijwoner is hij. En dat is kenmerkend voor de aartsvaders, en als het goed is voor Israël en de gemeente ook. Dat parochianen zijn, bijwoners. Toch iets van een vreemdeling.
Je hoort het mensen wel eens zeggen, in de gemeente en je merkt het zelf ook, met name wanneer je vanuit een kleine plaats in de stad komt, dat de enige deur in de straat die in de vroegte van de zondagmorgen opengaat, jouw voordeur is.
Mensen op de zondagmorgen wat verloren door de straten naar de kerk lopen.
Wij en onze kinderen er soms wat op aangekeken worden.
Merkbaar als het goed is, dat we mensen onderweg zijn, zich in de verwachting van de vervulling van al Gods beloften uitstrekkend naar de toekomst.
Niet de pinnen te vast slaan. Zo moet Izaäk wonen. Geen vaste voet krijgen, geen assimilatie, geen sleur. Dat dreigt steeds weer en dat zie je vaak gebeuren met de tweede generatie.
In die tijd gebeurde dat door huwelijken te sluiten met de vrouwen van de omringende volken. Ezau zal die weg ook opgaan. Maar Abraham, Izaäk en Jacob doen dat niet. En dat is de spanning van het geloof. Want telkens is er de neiging om te leven bij wat je ziet.
Van Izaäk staat er nu, dat God hem zegende. Groot werd hij, steeds groter en invloedrijker. Kudden en slaven. Een sterke positie. Maar het gaat spoedig anders. De omwonenden kijken er eens naar. De Filistijnen met name, de onbesnedenen bij uitstek. Ze zeggen tegen elkaar, dat moet niet zo doorgaan. Het gaat die ene in ons midden veel te goed. Daar moeten we verandering in brengen.
De bronnen
En dan ontbrandt de strijd om de bronnen, de ader van de economie. De Filistijnen gooien de putten, die Abraham gegraven had, dicht. De zenuw van het bestaan, voor herders zoals Izaäk, wordt aangetast. En dan wijkt deze aartsvader terug.
Even verder graaft hij de putten op, die zijn vader ooit groef. Noemt ze met de namen van weleer.
Maar de geschiedenis herhaalt zich. Over de volgende bron ontstaat ruzie. Esek noemt Izaäk deze bron. Bron van twist. Bij de volgende bron is het weer hetzelfde. Izaäk heeft geen plek om het hoofd neer te leggen. Sitna noemt Izaäk een andere bron, satanswater, want die zit daar natuurlijk achter. Het is meer dan een strijd om de bronnen.
De bronnen van Abraham moeten dichtgegooid worden. Wat met deze eerste aartsvader begonnen is, moet een halt worden toegeroepen. Geen Godsvolk ten zegen in deze wereld. Want waar dat volk groeit, kon de normeloosheid van het onbesnedene wel eens aangetast worden.
En de Heere, die gezegd had, ik zal met u zijn, u zegenen, lijkt nu, nu Izaäk steeds verder teruggedrongen wordt in de marge, de grote afwezige. Het valt te vrezen, dat er straks geen enkele ruimte meer zal zijn.
Dan houdt alles, wat met Abraham begonnen werd, op. Die vrees kan je wel eens bekruipen, wanneer de gemeente een kleiner groepje in de marge wordt, een restje nog, dat er aan doet. En hoe lang zal dat nog duren?
Rehoboth
Maar dan komt er een plek, die Izaäk niet meer wordt betwist. En hij ziet er de hand van God in. Rehoboth, de Heere heeft ruimte gemaakt. Izaäk blijft er weliswaar niet. Verder trekt hij, naar Bersheba. En dan verschijnt de Heere hem weer, in die nacht en zegt tot hem: Ik ben de God van uw vader Abraham. 'Vrees niet'. En dat is niet een dooddoener, maar een woord op goede gronden gesproken.
Vrees niet, want 'Ik ben met u'. Dat is de grond om niet te vrezen.
Ik zal u zegenen en vermenigvuldigen.
De tegenstand is bij voorbaat kansloos. Je staat niet in een verloren strijd, Izaäk.
Geen achterhoedegevecht. Ik ben met u. Dat wordt hem gezegd.
Het vuur kan hem na aan de schenen gelegd worden. Hij, die geroepen is tot zegen te zijn, kan teruggedrongen worden in de kantlijn van het bestaan.
Uit de omstandigheden kunnen niet anders dan zorgwekkende conclusies worden getrokken. Prognoses kunnen somber zijn. Maar daar herhaalt de Heere de belofte, die van kracht blijft en zegt Hij ter versterking van het geloof: 'lk ben met u'. En daarin klinkt de Naam des Heeren door. Ik ben, die Ik ben, of zoals je beter kunt vertalen: 'Ik ben nabij'.
En dat woord is ook van kracht voor ons, als gemeente. Immers, het laatste woord van de Heere Jezus Christus, dat Hij op aarde gesproken heeft, vlak voor Zijn Hemelvaart, het woord, waaraan we vooral in deze tijd na Pasen moeten denken, is 'Ik ben met u, al de dagen tot aan de voleinding der wereld.' Dat wordt ons gezegd.
Dat woord, waarin de Naam des Heeren ook doorklinkt. En Hij zegt het, wiens Naam Immanuël is. God met ons. Dat wordt ons gezegd, verkondigd, als aan het begin van de dienst het votum wordt uitgesproken, opdat wij het soms tegen alle omstandigheden in geloven.
En dat is toch ook, wat in de Reformatie weer aan het licht kwam. Het leven bij het Woord. Soms gaat dat woord van God vergezeld van kennelijke tekenen. Dan is er iets te zien, te merken van dat Ik ben met u, maar soms gaat die naam ook schuil achter de omstandigheden. En dan alleen op het woord vertrouwen. Izaäk hoorde die Naam. En nu valt het op, hoe Izaäk op de Naam, op de bemoediging, die daarin ligt, die herhaling van de belofte, die verkondiging reageert.
Volgorde
Op het eerste gezicht lijkt het niet spectaculair. Izaäk bouwt een altaar, roept de Naam des Heeren aan, slaat zijn tent op en zijn knechten graven er een put.
Niet spectaculair, zei ik, maar toch is de volgorde betekenisvol en veelzeggend. Want daarin komt de eenvoud van het geloof naar voren. Het geloof in de God, die gezegd heeft: Ik ben met u'.
Dat geloof uit zich onder andere daarin, dat Izaäk prioriteiten stelt.
Hij geeft voorrang aan het altaar.
In die tijd en die cultuur was het gebruikelijk om te beginen met de bron. Als iemand ergens aankwam, werd al heel snel een bron gezocht of gegraven. Dat was tenslotte je broodwinning. Het dagelijks brood hoort immers tot de eerste levensbehoeften.
Zo is het in het kleine verband van een gezin. Zo is het in het grote verband van de samenleving.
Het economisch belang gaat voor alles. Dat heeft de hoogste prioriteit. Daar staan ook de kranten vol van.
In het journaal is er de dagelijkse berichtgeving van koersen en valuta's. Daarover gaan de debatten in de kamer, wordt de kracht van een kabinet beoordeeld.
In de samenleving komt het economisch belang, komt de bron meer en meer op de eerste plaats. Talloze uitingen wijzen daarop. We weten het.
En dan de tent.
Een plek om te wonen. Een leefbaar stuk grond. Dat hoort ook tot de primaire levensbehoeften. Ook in het grote verband van de samenleving vraagt dat aandacht.
De bescherming van het milieu. En dat krijgt ook de aandacht. Het zijn ook belangwekkende zaken, de bron en de tent.
Hoe kunnen we de welvaart op peil houden en het milieu leefbaar?
Daarin dragen we een verantwoordelijkheid ten opzichte van de komende generatie.
Maar verder dan de vragen rond bron en tent komen veel mensen niet, als ze er al toe komen en niet in zorgeloosheid wat betreft de volgende generatie leven.
En soms komt het altaar, als het hinkende paard nog achteraan, als het nog achteraan komt. Want dat is in de moderne samenleving aan de orde van de dag.
Altaarloosheid
De wereld, ook de wereld van vandaag wordt meer en meer gekenmerkt door altaarloosheid. Secularisatie is immers ook altaarloosheid. En soms zie je hetzelfde in de kerk, in de gemeente, vooral daar waar dat bijwoner zijn in vergetelheid raakt. Dat de vragen rond bron en tent bovenaan de agenda staan, in leer en leven.
Bij Izaäk komt het altaar als een reactie op de verkondiging van Godswege, op de Naam voorop. Een reactie van verwondering.
Het altaar, dat is het knooppunt van het verkeer met God. In dat altaar wil de Here op de wijze van de verzoening omgang hebben met zondige mensen. In dat altaar klinkt de Naam, Immanuël.
Wij hebben een altaar, zegt de Hebreeënbrief, Christus.
In en om Hem is het 'Ik ben met u' van kracht. In die verwondering bouwt Izaäk een altaar. Krijgt dat de voorrang in het bezette gebied. Want ongetwijfeld zijn er ook andere goden gediend, de goden van de vruchtbaarheid, waarbij de volkeren zwoeren. Izaäk roept de Naam des Heeren aan.
Nu wonen wij ook in bezet gebied. Raakt de gemeente steeds meer in de marge van de samenleving. U weet er alles van.
Allerlei moderne en primitieve goden worden gediend. Mag ik vragen, wat heeft bij ons prioriteit? Wordt de Heere gediend waar we wonen? Nemen we dagelijks de tijd voor de omgang met God?
Ambtsdragers hebben ook iets van voorgangers. En we zijn ambtsdragers, die willen staan in de gereformeerde traditie. Niet om er ons op te beroemen. Maar daar blijkt toch dat gereformeerde ook uit, dat we als Johannes Calvijn de vraag stellen, hoe komt God aan Zijn eer.
Wat dient de gloria Dei? Leven we tot de glorie van Zijn Naam? Heeft dat prioriteit in ons leven, in ons gezin? Doen we daar navraag naar in de gemeente, waarover we de zorg hebben ontvangen?
Navraag naar dat altaar. Vooral in een situatie en een tijd, van dreigende afbrokkeling. Gaandeweg gaat het altaar schuiven. Meer en meer komt het aan de rand te staan. Zover, dat mensen zeggen: laten we de schijn maar niet meer ophouden.
O, er zijn gelukkig ook anderen, jongeren ook, die de omgang met de Heere kennen. Maar waar het altaar van zijn plaats raakt, komt er iets anders voor terug.
Idolen en ideologieën.
De moderne en oeroude religies, die dat gat weer gaan vullen.
Izaäk bouwde een altaar en riep de Naam des Heeren aan, als een reactie op de openbaring van die Naam.
Bron en tent
En vanuit de omgang met de Heere viel er licht over bron en tent.
Ik zei u al, dat zijn geen onbelangrijke zaken. Economische vraagstukken vragen onze aandacht, vragen wat betreft de gerechtigheid, de zorg voor het milieu, de schepping, mag ons niet ontgaan.
De heiliging op alle terreinen van het leven.
Maar bepalend is, dat we er licht over ontvangen vanuit de omgang met de levende God, het lezen van de schriften. Van Izaäk staat er, dat hij bij dat altaar de Naam des Heeren aanriep. Ik ben nabij. Ik ben met u, heeft de Heere gezegd. En in het aanroepen van de Naam heeft Izaäk dat beaamd. Ieder heeft dat kunnen zien, bemerken. Het was een openbare eredienst.
Hij riep de Naam des Heeren aan. Dat duidt onder andere op het gebed. In het bezette gebied, waar allerlei goden werden aangeroepen, was er sprake van een bedehuis. Een huis des Heeren.
Maar je kunt het Hebreeuwse woord voor aanroepen ook vertalen met uitroepen. Hij riep de Naam des Heeren uit. Met profetisch. Verkondigen ook. Plechtig uitroepen. Het leven bij het altaar is een leven van gebed en getuigenis.
Ten diepste gaat het daarin om de binnen-en de buitenkant van dezelfde zaak. Het getuigenis, het wervend staan van de gemeente in deze wereld, kan niet bestaan zonder het gebed. En het gebed tot de levende God dringt tot het getuigenis. Bovendien betekent het woord aanroepen ook zoiets als erbij roepen, vergaderen.
Om dat altaar heeft Izaäk degenen, die in zijn huis waren, vergaderd. Wanneer de gemeente samenkomt tot gebed, staan als het goed is de deuren nodigend open. Willen we mensen vergaderen. En daarbij mogen we ons aangespoord weten door de Heilige Geest, die het daarom ook te doen is.
De parakleet, de Geest, die met en voor ons bidt, die het evangelie doet verkondigen, zegenen wil met profetische gaven, de Geest, die bijeenroept tot de vreze van de Naam. En nu blijkt, dat de eenvoud van het leven met de Heere zijn uitwerking niet mist.
In de geschiedenis van vanmorgen kunnen we dat ook zien. Na enige tijd komen de voormalige tegenstanders weer opzetten. Abimelech, Ahuzat en Pichol. Schreeuwlelijk en rijkdom betekenen twee van die namen.
Izaäk ziet ze aankomen. De angst slaat hem om het hart, geen wonder.
Waarom bent u gekomen, vraagt hij?
En dan antwoorden ze hem tot zijn verrassing: we hebben duidelijk gezien, dat de Heere met u is.
Het geheim van de Naam lichtte kennelijk op. We hebben gezien, dat het waar is. Dat Ik ben met u. En nu willen we u vragen, of er bij uw God ook ruimte is voor ons. Een verbond met u sluiten. U, de gezegende des Heeren.
De volkeren noemen de Naam. Izaäk nodigt hen tot de maaltijd. Iets van Pinksteren licht op.
Ruimte voor de volkeren bij de God van Israël. Ik wil maar zeggen, waar we als gemeente volharden in de dienst des Heeren, soms tegen alles in, het houden bij de Naam, Ik ben met u, die ons wordt verkondigd, daar gaat toch iets van uit.
Waar we niet een leeg testament aan de volgende generatie nalaten, maar een beleefd belijden, daar gaat iets van uit. Toch. En daar zijn we ook niet bezig wat laatste restanten bij elkaar te houden.
Izaäk greep in het bouwen van het altaar al vooruit. Later zal in Bersheba de dienst des Heeren uitgebreider gestalte krijgen.
Voorpost
Het altaar van Izaäk was geen verioren post in een verwarrende wereld, maar een voorpost.
Hij was niet hopeloos ouderwets, maar hoopvol vooruit. En waar wij in de veelkleurige samenleving van de stad. het altaar oprichten, de gemeente vergaderen tot de dienst des Heeren, de dienst van woord en gebed, de dienst van de lof van Zijn Naam, en die gemeente zich laat vergaderen, daar zijn we niet bezig met wat restanten bij elkaar te houden, maar mogen we hoopvol vooruit zijn, want eens zal de aarde vol zijn van de kennis des Heeren, zoals de wateren de bodem van de zee bedekken. Amen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 mei 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 mei 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's