Hemelvaart en de aarde
Vele malen worden in de Schrift hemel en aarde samen genoemd. Daarmee wordt dan vaak tot uitdrukking gebracht, dat de Heere Schepper is, zowel van de hemel als van de aarde.
Soms wordt speciaal van de aarde gezegd, dat ze 'des Heeren is'. Daarmee worden wij mensen op onze plaats, op onze schepselmatige plaats gezet. We mogen niet doen alsof de aarde òns eigendom is, zodat we deze alleen ten eigen bate, of tot eigen genot of genoegen kunnen of mogen gebruiken. Het gaat bij alles om de Gloria Dei, de eer van Gods Naam: O Heere, onze Heere, hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde!
Toch wordt soms ook in het bizonder gezegd, dat de hémel des Heeren is. 'Aangaande de hemel, de hemel is des Heeren...', zegt Psalm 115 (vers 16). Dat wordt in deze psalm niet gezegd om God daarmee uitsluitend in de hemel te localiseren. Wel om juist Zijn heerlijkheid aan te duiden. Het gaat in deze psalm om de belijdenis van Gods heerlijkheid, majesteit, verhevenheid, tegenover de afgoden (van elke tijd), die maaksels van mensenhanden zijn.
Het gelóóf belijdt Gods hemelse heerlijkheid.
Wat betreft het òngeloof is het van tweeën één: òf God wordt ontkend, omdat men zich bij de hemel niets (meer) kan voorstellen. Dat zien we in onze tijd met name. Òf men denkt, dat God ver genoeg weg is, ver van de aarde, in de afgeslotenheid van een onbereikbare hemel, zodat mensen hun eigen gang menen te kunnen gaan.
Calvijn — altijd strak en zakelijk in zijn Schriftuitleg — permitteert zich bij de uitleg van Psalm 115 een verhaaltje uit eigen ervaring. Hij zat in een herberg met wat vrienden te eten. Het ging kennelijk geestelijk toe, want ze spraken met elkaar over 'de hope des eeuwigen levens'. Een klein conventikel dus, in een herberg!
Een andere bezoeker, die dit waarnam, zette plotseling een grote mond op en riep: 'de hemel, de hemel is des Heeren'. Maar van het ene op het andere moment kreeg de man het benauwd vanwege 'heftige pijnen'. En toen begon hij luidkeels te schreeuwen 'o God, o God'. Calvijn, innerlijk verontwaardigd, stond op om hem te bestraffen ('naar mijne gewone wijze van doen'!). Maar zijn vriend, 'een braaf en godvrezend man, maar vrolijk en geestig van aard', pakte het anders aan. Die zei: laat God nu toch met rust. 'Zijt gij uw wijsbegeerte dan reeds vergeten? Waarom laat gij Hem nu niet rustig in de hemel blijven.'
Een herkenbare situatie, van overal en altijd. Mensen, die als het erop aankomt God in de hemel localiseren of Hem ontkennen, misbruiken Zijn Naam als er maar iets dwars zit. De Bond tegen het Vloeken heeft er dagwerk aan in ons vaderland, waar de Naam zo vaak wordt misbruikt. Wij allen zouden er eigenlijk ook dagwerk aan moeten hebben. Voor Calvijn was het kennelijk zijn 'gewone wijze van doen' om de lasteraars van de Naam aan te spreken. Maar er is in de Umwelt, waarin wij ons vandaag bevinden, vaak geen beginnen meer aan. Daar, waar Gods Naam ooit breed, publiek bekend was, maar waar vervolgens de levende kennis van Gods Naam wegebt, is er, méér dan elders, de spot en de lastering van de Naam. Een christelijke natie wordt een vloekend volk. Vloeken wordt de tegenpool van bidden.
Èn aarde
'Aangaande de hemel, de hemel is des Heeren', belijdt dus psalm 115. Maar dan wordt er in één adem bij gezegd: 'maar de aarde heeft Hij aan de mensenkinderen gegeven'. We kunnen dit psalmwoord niet lezen zonder dat andere Schriftwoord: de aarde is des Heeren (Psalm 24 : 1). Maar het wordt hier toch onomwonden gezegd: God heeft de aarde aan de mensen gegeven. Wèl te verstaan: gegéven. Het betekent niet veel anders, maar dan ook niet veel minder dan: in bruikleen, in behéér gegeven. Want verder staat de aarde onder de koepel van de hemel. De aarde is dan ook aan de mensen ter woning gegeven, 'opdat Gods lof onder hen zou weerklinken', zegt Calvijn. Het is de roeping van de kerk — zo benadrukt hij — die lof op aarde uit te zeggen: 'opdat Hij altijd verkondigers van Zijn gerechtigheid, goedheid en barmhartigheid zal hebben'. God de Schepper heeft er juist Zijn eer en heerlijkeid in, dat hij de aarde hééft verrijkt en telkens wéér verrijkt met goederen, opdat het de mens aan niets zou ontbreken.
De mens is geroepen tot goed beheer, tot rentmeesterschap voor Gods Aangezicht. God wordt niet alleen onteerd als Zijn Naam wordt misbruikt en publiek wordt gelasterd. Maar ook als Zijn-schepping verkeerd, egoïstisch wordt gebruikt, zonder Hem als Gever te erkennen.
De aarde is de mens ter woning gegeven. Aan welke mens? Aan alle mensen, mensen van gisteren, vandaag en morgen, mensen van hier en elders, mensen van het 'christelijke' westen, en mensen van die werelddelen, waar andere godsdiensten domineren. In Jesaja 45 (vers 28) lezen we waarom God de aarde heeft geschapen. Niet opdat deze leeg zou zijn maar opdat men daarin wonen zou. 'Ik ben de Heere en niemand meer', zo volgt dan echter veelzeggend.
Het is dus maar niet om het even hoe we met de goederen, die de aarde voortbrengt, omgaan. Als het erop aan komt zijn we allen vanwege de zonde rechteloze mensen. Maar binnen dat kader heeft de één dan ook niet meer rechten, niet meer recht op vóór-rechten dan de ander.
Daarom gaat het ook om een rechtvaardige verdeling van de goederen van deze aarde.
In dat licht bezien vallen consumptiedrift, jacht naar luxe, eenzijdige verdeling van de producten, die de aarde voortbrengt, uitbuiting van het ene volk door het andere volk, misbruik van macht evenzeer onder de kritiek van Gods geboden als de direkte ontheiliging van de Naam des Heeren. Als goed rentmeesterschap met heiliging heeft te maken, heeft misbruik van Gods schepping ònt-heiliging van de Naam aan zich. Misbruik maken van de schepping en misdeling van andere schepselen Gods hebben te maken met de ont-ering van God als Schepper.
De Naam van de Schepper worde evenwel geprezen in het rentmeesterschap over de aarde
De aarde staat onder hemelse belichting. Met de aarde en de aardse goederen valt alleen verantwoord om te gaan als we niet alleen vóór en àchteruit kijken maar ten principale en allereerst naar Boven. Het gaat bij 'vrede, gerechtigheid en heelheid van de schepping' dan ook niet alleen om de breedtedimensie maar ook om de hoogtedimensie.
Hemelvaart
De hemelvaart van Christus bepaalt ons intussen ten diepste bij de verbinding tussen de hemel en de aarde. Dat God Zijn schepping niet prijs gaf is majesteitelijk gebleken in het neerkomen van de Zoon. Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond.
God nam de aarde zelfs zó ernstig, dat op deze aarde, waarop vanwege de zonde de vloek lag, een Kruis heeft gestaan, waaraan de Zoon des Mensen is doodgebloed. Daar zijn de machten definitief overwonnen. Maar daarom kon Christus — ná de Opstanding en vlak vóór de Hemelvaart — het met volmacht zeggen: Mij is gegeven alle macht in de hemel en op de aarde.
Christus regeert als de Verrezene en ten hemel Gevarene de aarde vanaf de troon. Hij staat zo Borg voor het komen van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, waarop gerechtigheid wonen zal.
Daarom mag de bezinning op 'vrede, gerechtigheid en heelheid van de schepping' geen puur aardse aangelegenheid zijn. De hemel hoort en ziet toe. Christus ziet om zo te zeggen toe of Hèm wel alle lof en eer worden toegebracht, om Gods dóórgaande onderhouding van de schepping, die alleen door Zijn kruisverdienste mogelijk is geworden.
God kan alleen nog met Zijn gevallen schepping omgaan en kan alleen nog zorgen voor het voortbrengen van het goede der aarde — de doornen en distelen vanwege de zonde ten spijt — omdat Christus het offer van Zijn leven bracht.
Vieren
Wij zullen daarom ook ten aanzien van het kreunen van de schepping onze harten opwaarts in de hemel verheffen, 'waar Christus is, onze Voorspraak, ter rechterhand van de hemelse Vader'. Dat zegt het avondmaalsformulier, bij het breken van het brood en het gieten van de wijn. Avondmaal vieren houdt ook in: op aarde al de hemel vieren, vanwege Hemelvaart.
Inzake de Kerkendag valt vandaag ook het woord viering. Dat staat wat ons betreft ten principale onder kritiek. Want – ten eerste – valt er eigenlijk wel iets te vieren? We zien op aarde kommer en kwel, oorlogen en geruchten van oorlogen, milieuvergiftiging en uitmergeling van de aarde, honger en dood, discriminatie en geweld. Er valt weinig te vieren, als we zien wat voor ogen is. Er valt slechts in verootmoediging te belijden, dat wij deel hebben aan het kreunen en zuchten van de schepping, omdat we deel uitmaken van haar schuld.
Maar – ten tweede – als we vieren, wat vieren we dan? Te vieren valt de Hemelvaart. Te vieren valt alleen de triomf van de Koning. Hij voer ten hemel op vol eer. De kerker werd Zijn buit. Dat kan alleen gevierd worden door diegenen, die Zijn verschijning in onverderfelijkheid hebben lief gekregen. Zulk een viering vraagt geloofsgemeenschap. Zulk een viering kan ook alleen geschieden binnen de omheining van de gemeente, waar Woord en gebed centraal staan.
Zo'n viering is wat anders dan een slotmanifestatie van een dag zonder gemeentelijke omheining en dus zonder de directe tucht van het Woord.
Echte viering geschiedt aan de avondmaalstafel. Alleen binnen de gemeente, aan de dis des Verbonds, mag van viering gesproken worden. Dat moet ook niet half verhuld of helemaal verbasterd gebeuren, met rituelen en symbolen, die er een beetje op lijken, in een groot gezelschap van mensen, die elkaar één keer een dag samentreffen. Vieren geschiedt in de gemeente. Dáár alleen wordt de tafel aangericht, in de woestijn. Daar met name wordt ook de vreugde van de hemel ervaren. Daar komen ten diepste aarde en hemel samen. Daar wòrdt ook echt gevierd.
Wij mensen komen niet boven de gebrokenheid van het aardse uit. Maar de Geest geeft in die gebrokenheid soms wel vreugde in het hart om het nieuwe dat komt. Hetzij doordat de harmonie van de in principe verloste schepping al enigszins wordt beleefd, hetzij doordat de voorsmaak wordt ervaren van de eeuwige gerechtigheid die komt.
Gij hebt m' in 't hart meer vreugd gegeven
dan and'ren smaken in een tijd
als zij door aards geluk verheven
bij koorn en most wellustig leven
in hunnen overvloed verblijd.
Hier raken hemel en aarde elkaar. De Hemelvaart is daarvan de garantie. Want daar heeft Christus ons lichaam als nieuwe schepping ten onderpand; de aarde in de hemel.
Intussen is de viering van Hemelvaartsdag binnen de gemeente vaak maar spaarzaam. Maar met Zijn Hemelvaart heeft Christus aarde en hemel weer verbonden. En daarom kan op aarde de lof aan God nog opklinken.
De hemel is des Heeren. Daar woont en troont ook Christus. De aarde heeft Hij aan de mensenkinderen gegeven. Maar die staat wel onder de koepel van de hemel, want onder Christus' heerschappij.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 mei 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 mei 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's