Boekbespreking
Dr. L.J. Joose, Scoone dingen sijn swaere dingen. Een onderzoek naar de motieven en activiteiten in de Nederlanden tot verbreiding van de gereformeerde religie gedurende de eerste helft van de zeventiende eeuw. 671 blz., ing., uitg. J.J. Groen en Zoon, Leiden, 1992, ƒ 79,50.
De vrijgemaakte predikant Joosse heeft met deze lijvige studie, die als proefschrift diende aan de RU Groningen, een antwoord willen geven op een paar vragen. Ten eerste: vanaf wanneer dateert de gereformeerde zending in ons land? Ten tweede: verdient de Oude Hollandse Zending wel die naam? Ten derde: zo ja, wat is haar karakter?
Hij is begonnen met allen die zich in de 19e en 20ste eeuw met dit probleem hebben ingelaten, heeft vervolgens een aantal gereformeerde zendingsconcepties uit de in de titel bedoelde periode op een rij gezet, is daarna de zendingsgeschiedenis van het onderhavige tijdvak in maar liefst 300 blz. langsgegaan en eindigt met een positief antwoord op de vraag, of in die (vroege) tijd van zending sprake is.
Reeds bij de verdediging kwam de indeling ter sprake. Deze heeft veroorzaakt dat het boek niet zonder herhalingen is. Bepaalde gegevens ben ik driemaal tegengekomen, hetgeen voor een dissertatie geen aanbeveling is. Niet zozeer de uitvoerige historische excursen, alswel de zendingstheoretische gedeelten zijn m.i. niet altijd even sterk. Op sommige argumenten gaat de auteur slechts oppervlakkig of in het geheel niet in, zoals de consequenties van art. 36 NGB voor zendingsbeschouwingen. Hetzelfde geldt voor de positie van commissarissen bij de Compagnieën en in overzeese gebiedsdelen in vergelijking met het optreden van commissarissen-politiek in kerkelijke vergaderingen in het vaderland.
De talmoedische uitleg van het Hooglied bij Udemans, waarover we binnenkort een proefschrift te verwachten hebben, ontbreekt geheel. De kroongetuige van vroege zendingsconcepties onder de Nederlandse gereformeerden wordt wel heel eenzijdig belicht. De relatie tussen de inzichten van Du Plessis-Mornay en Huig de Groot wordt wel aangeduid, doch in het geheel niet uitgewerkt. Aanzetten van Zwingli worden even vermeld, maar wat die aanzetten inhielden en wat ze hebben teweeggebracht bij gereformeerde Nederlandse theologen in het bedoelde tijdvak, is geheel onduidelijk. Joosse is een boeiend verteller en een akribisch onderzoeker. Op genoemde punten verwachten we graag nadere gegevens van hem.
Er zijn ook duidelijke omissies. Alvorens zich te begeven in de moeizame relatie tussen predikanten en ziekentroosters in de zeventiende eeuw, had de auteur zich toch moeite moeten geven om enig onderzoek te doen naar de funktie van ziekentroosters in ons land. Hetzelfde geldt voor de kwestie van wel of niet universitair geschoolde predikanten. Juist in de door Joosse beschreven periode waren er talloze lokale en classicale propositieïnstituten aan het ontstaan. Dit verschijnsel heeft o.a. te maken met de remonstrantse twisten. Enig onderzoek daarnaar had licht kunnen werpen op de kwaliteit van de niet-universitair geschoolde predikanten in onderscheid van ziekentroosters die graag voor dominee speelden. Het woord examinatie betekent in veel gevallen niet meer dan onderzoek of waardering van een gehouden propositie, en heeft vaak niet de zware klank die het bij Joosse krijgt.
Het boek is vooral qua materiaal een enorme bijdrage tot de beschrijving van de Nederlandse zendingsgeschiedenis. Of het ook bijdraagt tot het onderzoek naar de motieven van de Oude Hollandse Zending, is een andere zaak. Hoofdprobleem is de omschrijving van wat Joosse een werk-term noemt: wat is zending? Blij was ik toen ik op het omslag en de titelpagina het woord zending niet zag staan. Maar allengs werd mij duidelijk dat de auteur toch in deze periode allerlei aanzetten tot zending vindt. Wat is zending? Juist Joosses krampachtig vragen telkens weer: Zou dit of dat niet de begindatum van de Oude Hollandse Zending zijn? bevestigt me in mijn mening, dat het verschil tussen Joosse en de auteurs die de zending later laten beginnen, ligt in de conceptie van wat zending is. Ook al zegt de auteur in zijn slotbeschouwing, dat het rijk van God en van Christus constitutiefis voor de Oude Hollandse Zending, toch blijft het probleem bestaan dat Joosse niet omschrijft wat historisch onder zending moet worden verstaan.
Groen heeft het werk op prachtig papier met een schitterende letter en dito omslag, maar overigens slordig uitgegeven. De tekst van tal van bladzijden sluit niet aan, het werk wemelt van druk- en taalfouten en de afbeelding van Walaeus – blz. 527 – is voor een werk van dit formaat pover te noemen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juni 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juni 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's