De zekerheid van het geloof (1)
Op de Jaarvergadering van de Gereformeerde Bond, die op 20 mei ll. in Nijkerk werd gehouden, refereerde dr. P.H. van Harten, hervormd predikant te Ridderkerk, over het thema 'De zekerheid van het geloof'. Zijn lezing wordt in drie afleveringen geplaatst.In dit nummer de eerste aflevering.Red.
Het behoeft weinig betoog, dat de zekerheid van het geloof of de persoonlijke heilszekerheid een zaak van groot gewicht is. Het gaat om niets minder dan de stellige wetenschap, dat God ons veilig door de stormen van het leven zal heenleiden, en dat Hij ons eenmaal in de behouden haven zal doen aankomen.
Paulus heeft dat in het slot van Romeinen 8 op indrukwekkende wijze onder woorden gebracht: 'Ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Heere'.
In de ons achterliggende jaren zijn er diverse geschriften verschenen, die ons duidelijk maken, dat voor de hervormers de persoonlijke heilszekerheid bepaald niet iets uitzonderlijks was. Nog minder was het voor hen iets dat, zoals later wel het geval geweest is, van bedenkelijke aard was. Evenals wij dat in Zondag 7 van onze Catechismus vinden aangegeven, behoorde voor hen de zekerheid tot het wezen van het geloof.
Maar nog steeds blijkt, dat er, in de praktijk van het gemeentelijke en geestelijke leven, vragen en onzekerheden zijn. Niet zelden treffen we deze juist aan in de kern van de gemeente. Er zijn mensen, die oprecht zoeken, heilbegerig zijn, en bepaald niet los zijn van het Evangelie en tòch deze persoonlijke zekerheid zeggen te missen. We hoeven daarbij niet eens aan één bepaald kerkverband te denken. 'Het staat met name met de zekerheid van het geloof naar ik meen in wel alle kerken niet zo overweldigend, dat we niet hoeven uit te zien naar wat ook in dit opzicht verder helpen kan' (S. van der Linde in Voorwoord bij J. Calvijn, Prediking en Verkiezing, p. 8).
Met het oog op de pastorale praktijk willen we trachten vanuit de Bijbel enkele lijnen aan te geven. Eerst willen wij iets zeggen over het ontvangen van de geloofszekerheid, vervolgens willen wij de geloofszekerheid als zodanig en het leven daaruit aan de orde stellen, om tenslotte iets te zeggen over de zegen die aan de persoonlijke heilszekerheid verbonden is.
Joh. 3 : 16
Als het gaat om het ontvangen van de geloofszekerheid willen wij beginnen bij het bekende woord van Jezus in Johannes 3 : 16. Als wij op het verband letten, merken wij dat de Heere Jezus, sprekend tot Nikodemus, gewezen heeft op de noodzaak van de wedergeboorte uit water en Geest. Er is een innerlijke verandering nodig van het hart, die van boven gewerkt is, wil het wel zijn.
Hoe belangrijk dit ook is, tòch gaat het hier slechts om de aardse dingen (vers 12); dus om datgene wat zich voltrekt in het hart van een zondaar, die door de Geest van God wordt bearbeid. Maar dan, getuigend van de liefde van Zijn Vader, gaat de Heere Jezus spreken van de hemelse dingen. Het betreft datgene wat in het hart van God is. De diepten van Zijn erbarmen komen openbaar. Het mag aan onze aandacht niet ontgaan, dat Christus hier ook spreekt met grote zekerheid. 'Wij spreken wat wij weten en getuigen wat wij gezien hebben'. Hier is de zekerheid van de grote Getuige, waarin Hij Zijn dienstknechten wil doen delen. Deze zekerheid gaat vooraf aan de heilszekerheid in de gemeente.
Als Jezus zegt, dat God deze wereld heeft liefgehad, betreft het geen liefde van welgevallen. Deze laatste is er alleen als iemand vanuit de gemeenschap met Christus in Gods wegen wandelt. God verlustigt Zich dan in Zijn eigen werk. We vinden dit bijvoorbeeld bij iemand als Job of Daniël.
In Johannes 3 : 16 hebben wij te denken aan de liefde van Gods ontferming. God ziet om naar een wereld, die, naar een woord van Luther, de 'bruid van de duivel' is geworden. Zijn toorn rust op haar (verg. Joh. 3 : 36). Toch strekt hij in liefde en ontferming Zijn armen tot haar uit. In Zijn liefde heeft God een daad gesteld. Zó zouden wij de voltooid verleden tijd, die Jezus gebruikt, kunnen omschrijven. Zijn liefde is nog ongebroken, maar op de door God bepaalde tijd is deze liefde op ongekende en onbegrijpelijke wijze aan de dag getreden. Hij heeft Zijn eniggeboren Zoon ons gegeven om het oordeel en de vloek te dragen en de zaligheid te verwerven. Jezus laat over het doel ons niet in het ongewisse. Zo algemeen dit bekende Evangelie-woord ook inzet, zo persoonlijk is de spits. Het is 'opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe'.
Indirect bevatten de woorden van Jezus een oproep. Wie door deze boodschap, die een kracht Gods tot zaligheid wil zijn, wordt meegenomen en er door wordt inger wonnen en overwonnen, zichzelf leert veroordelen en zich aan Christus leert overgeven, wordt verlost van het verderf en heeft deel aan het eeuwige leven.
Oh, horen wij de Heere Jezus zeggen, er is maar één weg om deel te krijgen aan het heil dat Ik heb verworven, en dat is niet méér en niet minder, dan het persoonlijke geloof. Niet het geloof, dat slechts een oppervlakkige en gemoedelijke aandoening is, of een rekensom, maar dàt geloof, dat gepaard gaat met de wedergeboorte. Het is onmogelijk om het te beoefenen, zonder dat dit verbonden is met een totale en radicale vernieuwing.
Het is goed er op te letten, dat Christus hier niet verder ingaat op het geloofsbegrip als zodanig. In een tijd, dat hier veel over gedisputeerd werd, en dat het nauwkeurig in vele onderscheidingen geanalyseerd werd, heeft Robert Traill, een Engelse Puritein (1642-1716) er op gewezen, dat Christus weliswaar vaak met de Schriftgeleerden en Farizeeën van mening verschilde over Zijn Persoon, doch dat dit nooit betrekking had op wat men onder het geloven als zodanig had te verstaan. Jezus' tegenstanders begrepen de bedoeling van Zijn woorden al te goed. Het betekende Hem te voet vallen en kleur bekennen. Het gaat erom, dat men weet, dat men zelf één en al dwaasheid is, en dat Jezus de woorden van het eeuwige leven heeft. Onze eigen verdienste en werkheiligheid is van nul en generlei waarde; alleen Zijn offer telt. Men is in zichzelf onmachtig zich te bevrijden van de banden, maar Jezus is een almachtige Koning.
Om het in één woord te zeggen: et is door de knieën gaan voor Hem! En dat is in het verleden ontelbaar vele malen gebeurd, en het gebeurt nog steeds. Laten wij, ook wat onze tijd en ons land betreft, bij alles wat ons ontmoedigen kan, niet gering denken van het werk van God. Waar het Woord gebracht wordt in de kracht en in de Geest en in veel verzekerdheid (1 Thess. 1 : 5), zal het niet ledig tot God wederkeren. Mensen zullen het ontvangen en aannemen, gelijk het waarlijk is, namelijk als het Woord van God!
Stagneren
Maar wat nu, als het stagneert in een mensenleven? Er zijn immers mensen, die het Woord van het geloof in Jezus niet in bruut of beschaafd ongeloof verwerpen. Integendeel! Maar wel blijft in hun leven de volle doorbraak uit. De geestelijke worsteling en strijd zijn geen doorgangsfase om tot de geloofsovergave te komen, maar ze dragen een min of meer chronisch karakter. Meer dan eens kan men dit in de Gemeente aantreffen. Dit is niet iets van vandaag of gisteren. Toen de bekeerde jood. Abraham Capadose, zich in 1831 in een dorp in de provincie Utrecht vestigde, trof hij daar onder de bewoners godvrezende, en meestal lieve en toegekeerde mensen aan. 'Doch er lopen er velen', zo zei hij, 'die wel evenals Lazarus uit de doden zijn opgewekt, maar die wachtende zijn op het machtswoord des Heeren: Ontbindt hem!'
Ook de Dordtse Leerregels spreken van hen 'die het levend geloof in Christus, of het zeker vertrouwen des harten, de vrede van het geweten... in zich nog niet krachtig gevoelen' (Art. I, 16). Wij laten nu buiten beschouwing in hoeverre deze geestelijke stagnatie als gevolg van een bepaald geestelijk klimaat ontstaan kan zijn. Sommiger mening is, dat wij bij alle schatten, die wij uit het verleden van het Gereformeerd Protestantisme ontvangen hebben, ook bepaalde piëtistische invloeden niet zijn ontgaan. Het is in elk geval goed ons te realiseren, dat opvoeding en omgeving in allerlei geloofsproblematieken een grote rol kunnen spelen.
Honger en dorst
Als wij deze geestelijke gesteldheid waarnemen, hebben wij te bedenken, dat als het hart oprecht naar Jezus hongert en dorst, er al sprake is van een oprecht geloof. Wij hebben zelfs voorzichtig te zijn en terughoudendheid te betrachten in het hanteren van allerlei onderscheidingen. Zo is er wel gesteld, dat men in onderscheid van het welwezen, hier alleen zou mogen spreken van het wézen van het geloof; in onderscheid van het bevestigd geloof zou men hier slechts te maken hebben met een toevluchtnemend geloof. Duidelijk is echter, dat het geloof hier aanwezig is. Dit is immers een afgaan op het geklank van de bazuin van het Evangelie; het is 'het uitwerpen van het anker op de Rots der eeuwen' (ds. J. Vos). Ook aan dit geloof is de zaligheid verbonden, omdat het ons verbindt met Christus.
Hoezeer de persoonlijke heilsverzekerdheid van betekenis is, is toch niet in de eerste plaats de grootte van het geloof van belang, maar de echtheid. Het gaat niet in de eerste plaats om de 'kwantiteit', maar om de 'kwaliteit'. Eén blik op Jezus maakt al zalig. Iemand heeft eens gezegd, dat nog nooit iemand is omgekomen, die zijn gezicht gewend heeft naar het kruis.
'Zien is nog geen hebben'; dit mag gelden als wij voor een etalage staan, maar het geldt niet als wij het licht van de zon aanschouwen. In dit geloof is er ook reeds een genieten. Professor Anthonius Driessen uit Groningen moet gezegd hebben: 'Wie Jezus werkelijk begeert, geniet Hem ook reeds'. In het hongeren en dorsten ligt tot op zekere hoogte het verzadigd worden reeds opgesloten.
Elke dronk uit de fontein van het heil heeft iets in zich van de zekerheid, dat men dit tot in eeuwigheid zal doen. We noemen nog een uitspraak van G. Wisse in een preek over de boetvaardige moordenaar: 'Heimelijk geloven zij voorwerpen te zijn van Zijn wondere behoudeniskracht'.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juni 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juni 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's