De zekerheid van het geloof (2)
Wel is het zaak, dat dit geloof, dat te worstelen heeft met een overmacht aan verdorvenheid en boze lusten, zal groeien. In zijn nog steeds lezenswaardige handleiding voor de ouderlingen, schrijft W.A. Wiersinga: 'Wat is hier een heerlijke taak weggelegd voor de ambtsdragers, om deze magere schapen van Christus' kudde zo te leiden, dat zij terecht komen in de grazige weiden van Christus' milde overvloed' (W.A. Wiersinga: Weid mijn schapen, praktische leidraad voor den ouderling, 's-Gravenhage, 1941, p. 96).
Deze kleinen in het geloof dienen niet veracht, maar wel vermaand te worden. In het algemeen kan gezegd worden, dat een evenwichtige, bijbelse prediking in de betoning van Geest en kracht, hier genezend en helend kan werken. De aard van het geloof zal duidelijk naar voren gebracht dienen te worden. Wij dienen geen krediet voor onszelf te hebben, maar voor Jezus. Verder zal het duidelijk dienen te zijn, dat geloven ook inhoudt, dat wij inleveren. Misschien dat dit in de praktijk van het geestelijke leven te veel uit het oog verloren wordt. In de Reformatie heeft men weer ontdekt, dat wij zalig kunnen worden door de genade alleen. Het ruist dan ook als een machtig lied door onze Catechismus heen. Tegelijk moeten wij echter zeggen, dat de keerzijde is, dat het ons alles kost. Op hoevele wijzen heeft Christus ons dit niet in Zijn onderwijs betuigd. Hij gaf ons de gelijkenis van de schat in de akker. Hij roept ons op om te worden als de kinderen, of onszelf te vernederen. Onze zondige neigingen en verkeerde gewoonten, onze afgoden en zelfhandhaving moeten eraan. Onze kerkelijke status of burgerlijke oppassendheid tellen voor God niet mee. Eigen doemwaardigheid voor God moet worden erkend. Zo gemakkelijk komen wij ertoe tòch nog iets in onszelf te zoeken. Ook onze gevoelens van Gods gunst en de geestelijke genietingen zijn geen grond om voor God te bestaan. Wat ook belangrijk is, dat wij onze eigen voorstellingen loslaten. Ook kerkmensen staan niet blanco tegenover het Evangelie; zij kunnen bevangen zijn door een zeker schematisme. Wij menen zo vaak nog goed te weten, hoe God ons dient te leiden. Maar Hij voert ons juist langs wegen, die wij níet geweten hebben. Het is nodig stil te zijn, en zo met onze gedachten en voorstellingen God en onszelf niet in de weg te staan. Psalm 62 spreekt ervan: Immers is mijn ziel stil tot God. Opdat God in onze stilte zal kunnen spreken. Opdat wij ons aan deze God zouden overleveren. God breidt in ontferming Zijn armen niet alleen uit tot Moskou, Washington en de rosse buurten van Amsterdam, maar persoonlijk tot ons. Op deze wijze wil Hij Zich aan ons in het Evangelie openbaren. Zonder de kracht van de Heilige Geest zal dit niet geschieden. Doch dit betekent niet, dat wij die kracht ook dienen te voelen. Dat zou er in de praktijk immer op neerkomen, dat wij het oog toch weer op onszelf zouden richten. En het gaat er juist om, dat wij op het Woord en het Evangelie acht zouden slaan. Zonder kennis van zonde en schuld kan het evenmin; deze kennis is nodig voor ons om de zaligheid buiten ons zelf te zoeken. Menigeen denkt echter dat deze ons ook de vrijmoedigheid geeft om Christus aan te nemen. Zo zoeken wij toch weer de grond in onszelf. Onze vrijmoedigheid om Christus aan te nemen ontlenen wij echter enkel aan het feit, dat God ons Zijn Zoon geeft en ons zelfs beveelt Hem aan te nemen.
Doorbraak
Het is heel goed mogelijk, dat de geloofsversterking en de geloofsovergave het karakter draagt van een plotselinge doorbraak. God opent soms, eer men het zelf weet, de blinde ogen en wij worden in de ruimte gesteld. Maar het kan ook heel geleidelijk.
Het gebeurt misschien op een minder indrukwekkende wijze, maar het getuigt niet minder van het werk van Gods Geest! In het voorjaar kunnen, als de koude lang heeft aangehouden, allerlei soorten bomen en planten plotseling in bloei staan; maar in een zachte lente kan het allemaal veel geleidelijker plaatsvinden. Waar het op aankomt is dat wij leren om de God, Die in Zijn Evangelie Zich aan ons bekendmaakt, als waarachtig en getrouw te erkennen en onszelf aan deze God over te geven. Wij hebben aan Zijn Woord genoeg. Wij verzegelen dat God waarachtig is. Hier is niet enkel één beginnend geloof (ds. L. Blok), maar het bloeit op. Het kleine vonkje van het geloof is door de Heilige Geest aangeblazen tot een krachtige vlam.
Wéten
Dit geloof wéét ook dat het gelooft. Het is immers zijn eigen kenbron. Het is als iemand, die wandelt in het licht. Die weet ook zelf dat hij erin wandelt. Zo heeft het geloof zijn eigen zekerheid. De twijfel en onzekerheid kunnen toeslaan, maar dan ligt de oorzaak bij onszelf. Wij richten de blik van Jezus af en zien weer op onszelf. En wie is er, die nooit op zichzelf ziet? Zo blijft de strijd.
Een heilige éénkennigheid van het geloof is een zaak, die alleszins waard is nagestreefd te worden. Een pastoraal advies gaf Calvijn. Iemand had hem gezegd, dat hij, als hij op Christus zag, zeker was van zijn behoud; als hij echter weer op zichzelf zag, vertwijfelde hij. Het is heel goed wat u doet, moet de reformator van Genève gezegd hebben, maar u moet het wel omdraaien. Ziet éérst op uzelf en dàn op Christus!
Velen hebben problemen met het 'mijnen' van het geloof. Het 'mijnen' is echter inhaerent aan het geloof. Als het geloof zich maar boven de twijfel verheft, is het als een heilige vanzelfsprekendheid aanwezig. Een voorbeeld vinden wij bij Thomas. Toen zijn ogen geopend werden om Jezus als de opgestane Levensvorst te zien, beleed hij spontaan: 'Mijn Heere en mijn God!' (Joh. 20 : 28). Hier geldt: Komt Gods licht, het duister zwicht.
Beloften
Voor de verdere voortgang en groei van het geloof en tot versterking van de zekerheid van het geloof is het belangrijk, dat wij werkelijk leven door het geloof dat zich richt op de vaste en zekere beloften van God. Zo gemakkelijk komen wij ertoe enkel op het gevoel te leven. Het is dan: 'Ik geloof, omdat ik gevoel.' Wie denkt er niet, aan wat men wel noemt de tijd van de 'eerste liefde'? Het hart is daarbij vervuld met het besef van Gods gunst en Zijn nabijheid wordt ervaren. Dit leven door het gevoel is wel troostrijk, maar tegelijk kan het ook de oorzaak zijn van veel onzekerheid. Als het gevoel verdwijnt, is de troost weg.
Leven door het geloof is daarentegen het meest zeker. Het is ook het meest tot eer van God. Wij vertrouwen ons aan Hem toe, zoals Hij tot ons komt in de beloften.
Reeds in de Heidelbergse Catechismus, Zondag 7, wordt over het Evangelie gesproken als een samenvatting van wat God beloofd heeft. Vooral in de Schotse traditie van het Gereformeerd Protestantisme zijn er velen geweest, die gewezen hebben op de grote betekenis van de beloften. Zo zegt Ralph Erskine (1685-1752), dat er evenveel beloften in de Bijbel staan, als er sterren aan de hemel staan. Er zijn beloften van vertroostende genade, van versterkende genade, van vergevende genade, van verlichtende genade, van vernieuwende genade, om er enkele te noemen. In de aanbieding van het Evangelie komen deze beloften een ieder toe, ongeacht zijn geestelijke staat. Men is van Godswege gerechtigd erop te pleiten. Maar wie door het geloof aan Christus is verbonden, heeft als gelovige het recht van bezit op het heil dat in de beloften wordt aangeboden. Alles is immers van hem!
Om door het geloof werkelijk op de beloften te steunen en er mee werkzaam te zijn, is het nodig dat men zich bewust is van zijn geestelijke armoede. Niet alleen Gods beloften, maar ook Gods geboden bepalen ons steeds weer bij deze armoede. In Zijn geboden roept God ons immers met klem op tot Zijn eer en tot heil van de naaste te leven. Hoezeer wekte Paulus de gelovigen niet op om de wil van God te betrachten. 'Doodt dan uw leden, die op de aarde zijn, zoals hoererij, onreinheid, schandelijke beweging, kwade begeerlijkheid en de gierigheid, welke is afgodendienst, om welke de toorn van God komt over de kinderen der ongehoorzamen' (Coll. 3 : 5v). De apostel richt zich hier tot de kinderen van God, maar ook deze moeten dit weten, opdat zij zich zullen wachten voor de zonden, opdat de geestelijke strijd op aarde gestreden zal worden en opdat zij tot de beloften van God de toevlucht zullen nemen. Deze zijn de brandstof voor het geloof. Er is geen nood, waar geen belofte bij past.
Ralph Erskine raadt aan bij de dagelijkse Schriftlezing de beloften van God, die men tegenkomt in het Woord, op te schrijven. In een bepaalde nood kan men dan ook tot die belofte, die daarop betrekking heeft, de toevlucht nemen.
Bij Wilhelmus à Brakel, die onder invloed stond van de zeventiende eeuwse Schotse theologie, vindt men hetzelfde advies. Het laat ons zien, hoezeer men ernst wilde maken met het leven door het geloof op de beloften. Deze zijn de pleitgronden van het geloof en tegelijk de kanalen, waardoor de Heilige Geest in ons wil werken. Achter de beloften staat Christus met Zijn middelaarswerk. Hij heeft ze als het ware met Zijn bloed besprengd. Evenzeer zijn Gods almacht en trouw eraan verbonden. In de omgang met mensen geldt, dat wij meer te letten hebben op iemands daden, dan op zijn woorden. Bij God is het juist andersom. Niet dat Gods daden niet goed zijn. 'De Heer is recht in al Zijn weg en werk'. Maar vaak zijn Gods wegen voor onze beperkte waarneming duister en onbegrijpelijk. Daarom hebben wij te letten op Zijn Woord. Wat uit Zijn lippen gegaan is, is vast en onbeweeglijk. We kunnen erop aan. De dienaren van het Evangelie hebben dan ook de waarachtigheid Gods te stellen. We dienen te weten, dat God meer respect heeft voor de woorden van Zijn mond, heeft iemand eens gezegd, dan voor de werken van Zijn hand. Want de hemel en de aarde, dus de werken van Zijn hand, zullen vergaan, maar Zijn Woord bestaat tot in eeuwigheid.
Wij hebben nodig te bidden om vermeerdering van ons geloof, om hoe langer hoe meer op God te leren vertrouwen. In een sterk geloof zullen wij niet meer zo licht heen en weer bewogen worden door wat op ons afkomt, of ons kan overkomen. Een man die een toonbeeld is van een verzekerd en vast geloof is Abraham. Niet voor niets wordt hij de vader der gelovigen genoemd. Hij was er ten volle van verzekerd, dat God machtig was te doen wat Hij hem beloofd had (Romeinen 4).
In de weg van het geloof wordt ondervonden dat God getrouw is. Als wij de ogen sluiten tot het gebed, kan de wereld ons voor dwaas verslijten. Maar als wij ze open doen, zullen wij meer zien dan een ander. Menig keer zien wij de hand van de levende God, Die werkzaam is in ons leven en Zijn Woord vervult. De bevinding is dus iets dat niet aan het geloof voorafgaat, maar erop volgt. Een geoefend christen heeft de gelegenheid ontvangen in zijn leven een schat van deze bevinding op te doen.
Het is goed inzake een sterk en vast geloof rekening te houden met een pastorale opmerking van Ebenezer Erskine. Het is zeer wel mogelijk, zo zegt hij ons, dat bij de groei van het geloofde bijzondere gevoelsmatige blijken van Gods liefde minder worden. Hij licht het toe met een eenvoudig voorbeeld. Een vader zal een klein kind op zijn schoot nemen en het koesteren; het zou echter vreemd zijn als hij zijn volwassen zoon evenzo zou behandelen.
Sleutelbediening
Met het oog op de versterking van het geloof en de zekerheid ervan, mag de betekenis van de sleutelbediening niet uit het oog worden verloren. Wat heeft de Heere Jezus tijdens Zijn omwandeling op aarde het Koninkrijk van God voor de ongelovigen toegesloten en geopend voor de gelovigen. Het 'wee u...' ontbrak niet doch meer dan eens klonk het uit Zijn mond: 'Uw geloof heeft u behouden'.
In de brieven van de apostel vinden wij eveneens een heenwijzing naar de sleutelbediening. Welk een troost ging ervan uit, als de vervolgde en miskende Gemeente van Christus de aanspraak hoorde, die van Godswege tot haar kwam. Woorden als 'geroepen heiligen' en 'geliefden Gods' moeten als een milde dauw zijn neergedaald op verslagen en verbroken harten.
Ook nu is er de sleutelbediening als het Woord bediend wordt. Onder en door de prediking van Zijn Woord oordeelt God ons. Een ieder kan weten waar hij staat. Het schijngeloof wordt ontmaskerd, maar wie op God hoopt wordt vertroost. Naar het bevel van Christus wordt aan de gelovigen, allen en een ieder (ook de kleinste in het geloof!) verkondigd en openlijk betuigd, dat hun, zo dikwijls zij de belofte van het Evangelie met een waar geloof aannemen, al hun zonden van God, omwille van de verdienste van Christus, vergeven zijn (Zondag 31).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juni 1992
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juni 1992
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's