De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Bezwaren niet als gravamen aangemerkt

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Bezwaren niet als gravamen aangemerkt

Gravamen A.W. de Ronde

16 minuten leestijd

Op 18 juni vergaderde de Generale Synode van de Nederlandse Hervormde Kerk over een gravamen van diaken A.W. de Ronde (Stellendam) inzake het synodebesluit van 16 juni en 24 november 1989 inzake homoseksualiteit. We laten hier, vanwege het belang van de zaak, de complete tekst volgen van het rapport, dat een commissie van de synode opstelde. Daarin is het gravamen van de heer De Ronde genoegzaam weergegeven. We sluiten af met enig commentaar van de synode zelf.Redactie

'De commissie is haar werkzaamheden begonnen met de heer De Ronde de gelegenheid te geven zijn gravamen toe te lichten. Dit is gebeurd op zaterdag 4 april jl. De heer De Ronde heeft zijn gravamen ingediend na het synodebesluit van 16 juni 1989 (zie: 'Homoseksualiteit, rapport, discussie, besluitvorming', p. 14 en 15). Het tweede synodebesluit inzake homoseksualiteit d.d. 24 november 1989 (idem, p. 16 en 17) bevatte voor hem geen aanleiding zijn gravamen in te trekken.
De heer De Ronde noemt een aantal motieven voor het indienen van zijn gravamen:
1. Hij acht in beide synodebesluiten het belijden in het geding. Volgens een uitspraak van het moderamen dienen handreikingen aan de gemeente nl. gezien te worden als geschriften waarin de kerk belijdend spreekt.
2. Beide synodebesluiten lijden aan een grote mate van onduidelijkheid. Er wordt geen uitspraak gedaan over de vraag of homoseksuele praxis nu wel of niet zonde is; er wordt slechts geconstateerd, dat er enerzijds gemeenten zijn waar homoseksuelen voluit deelnemen aan het leven van de gemeente, terwijl er anderzijds gemeenten zijn die daar moeite mee hebben. Desalniettemin komt de synode tot de vergaande uitspraak, dat kerkeraden terughoudend moeten zijn in het nemen van maatregelen van kerkelijke tucht tegen homoseksuelen. Het besluit van november maakt het zelfs nog erger. Door de criteria waaraan een kerkeraad moet voldoen wordt het uitoefenen van kerkelijke tucht in feite onder tucht gezet. Dat is de wereld op zijn kop. Laat de synode eerst maar eens duidelijkheid geven, en uitspreken of homoseksuele praxis nu wel of niet zondig is, alvorens zulke vergaande maatregelen te nemen, en kerkeraden waar het de uitoefening van kerkelijke tucht betreft in feite onder curatele te stellen.
3. Omdat het synodebesluit homoseksuele praxis niet veroordeelt, is het in strijd met de Schrift. Blijkens Genesis 1 : 27, 28 en Genesis 2 : 24 schiep God de mens als man en vrouw, en is het huwelijk de ideale samenlevingsvorm.
4. Het synodebesluit is ook strijdig met de belijdenisgeschriften. De heer De Ronde verwijst met name naar zondag 41 van de Heidelberger Catechismus. Ook daar is sprake van het huwelijk als ideale samenlevingsvorm.
5. Beide synodebesluiten zijn in strijd met Ordinantie 11-5-1 en Ordinantie 11-10-6, waar het uitoefenen van kerkelijke tucht is voorbehouden aan het consistorie.
De heer De Ronde verzoekt verder onze commissie ook de 'vereniging van ex-homofielen' te horen, en inzake zijn gravamen advies te vragen bij andere kerken van gereformeerde belijdenis (ord. 11-20-2). Hij spreekt tenslotte de wens uit, dat de kerk mag buigen onder het gezag van Gods Woord.
In het gesprek met de heer De Ronde, dat op deze toelichting volgt, worden een aantal dingen duidelijk:
a. Er blijft verschil van mening tussen de heer De Ronde en de commissie inzake het gewicht van de onderhavige synodebesluiten. O.i. gaat het daarin niet om een belijdenis, maar om een pastorale beleidslijn. Handreikingen van de synode kunnen weliswaar een belijdend karakter hebben – te denken valt aan het geschrift 'leven en sterven met verwachting', maar hebben dat zeker niet altijd. De handreiking over euthanasie b.v., die meerdere mogelijkheden aandraagt, heeft dat niet. De heer De Ronde blijft echter bij zijn mening, dat het hier belijdende uitspraken betreft.
b. De heer De Ronde vraagt met zijn gravamen ook om een stuk duidelijkheid. Hij acht het een grove nalatigheid, dat drie jaar na dato de in het besluit van november 1989 in het vooruitzicht gestelde commissie nog steeds niet functioneert. De commissie deelt deze kritiek. De synode is nalatig geweest door, waar het dit punt betreft, nog steeds niet de consequenties uit haar eigen besluit te trekken.
c. De heer De Ronde wil, dat de kerk duidelijk uitspreekt, dat homoseksuele praxis zonde is, en dat kerkeraden dus het recht hebben hiertegen maatregelen van kerkelijke tucht uit te oefenen. Hoe iedere kerkeraad daarmee omgaat is overigens diens eigen verantwoordelijkheid. Dit punt weegt voor hem dermate zwaar, dat het voor hem een breekpunt in de eenheid van de kerk is. Als kerkelijke tucht tegen homoseksuelen veroordeeld wordt, acht hij zich uit de kerk gezet. Tegenwerpingen als dat we elkaar de ruimte dienen te geven, of dat als de eenheid van de kerk breekt dit alleen op het principiële belijden zal kunnen zijn, kan hij deels wel begrijpen, maar acht hij toch niet doorslaggevend.
d. De commissie legt de heer De Ronde de vraag voor, of – gezien het feit, dat zijn gravamen ook een verzoek om duidelijkheid is – het niet verstandig is, om eerst de resultaten van de bedoelde studiecommissie af te wachten. Dat is toch veel beter dan nu een verstrekkende uitspraak te doen, zonder dat daar een principiële bezinning aan is voorafgegaan. Dit uiteraard op voorwaarde, dat deze studiecommissie zo spoedig mogelijk na de juni-synode, of al eerder, met haar werk kan beginnen. De heer De Ronde deelt daarop mee tegen uitstel geen bezwaar te hebben, mits dit de zorgvuldigheid van het besluit ten goede komt, en de zaak niet nogmaals op de lange baan geschoven wordt.
Na de heer De Ronde gehoord te hebben, lijken ons een aantal dingen duidelijk:
– De heer De Ronde vraagt met zijn gravamen om een stuk duidelijkheid. De in het vooruitzicht gestelde bezinning mag niet langer op zich laten wachten. Die vraag om duidelijkheid zal de synode in ieder geval moeten honoreren. Of bedoelde commissie ook tot een eenduidige uitspraak zal kunnen komen, staat natuurlijk niet bij voorbaat vast. Maar als dat niet mogelijk blijkt, dan dienen de posities in ieder geval helder en met argumenten te worden aangegeven.
– Vooralsnog lijkt ons, dat in de door de heer De Ronde gewraakte synodebesluuiten geen expliciet-belijdende uitspraken zijn gedaan. Zij formuleren vooral een pastorale beleidslijn, maar wat dit punt betreft zullen we het advies afwachten van de Raad voor de Zaken van Kerk en Theologie. Aan de Raad zal ook de vraag worden voorgelegd, of men het nodig acht over deze zaak het oordeel van andere kerken te vragen. Op 8 mei ontving de commissie het advies van de Raad voor de zaken van Kerk en Theologie en vergaderde zij voor de tweede maal. Volgens de Raad kan het bezwaarschrift van de heer De Ronde niet als gravamen worden gekwalificeerd. Hij voert daarvoor een drietal redenen aan. Het lijkt ons goed die hier letterlijk te citeren:
'1. Ten eerste is het voor ons duidelijk, dat de gewraakte uitspraak gewetens wil scherpen, maar niet wil binden. Hier wordt geen finaal oordeel uitgesproken, maar een duidelijke overtuiging-omderweg geboden. Het gaat om meer dan een mening, maar om minder dan een belijden zoals bedoeld in geval van een gravamen. Plaatselijke kerken houden de ruimte om af te wijken van de gepropageerde gedragsregel, terwijl bovendien het denkproces wordt voortgezet – getuige het instellen van een commissie ter verdere bestudering van schriftgegevens over vraagstukken van seksualiteit in het algemeen en homoseksualiteit in het bijzonder.
2. Bovendien gaat het om een ethisch vraagstuk, dat natuurlijk het belijden raakt, maar in zekere zin toch van een secundaire orde is, vergeleken bij de zaken van belijden waartegen gravamina kunnen worden ingediend.
3. Tenslotte: Wij hebben de stellige overtuiging dat het in kerkelijke discussies (bijna) altijd gaat om het zoeken naar de rechte uitleg en toepassing van de Bijbel. Daarom hebben wij grote moeite met de constatering dat de duidelijkheid van Gods Woord zou zijn losgelaten in de gewraakte uitingen. De wijze waarop De Ronde zelf de Schriften gebruikt en teksten isoleert en groepeert is naar onze mening te simplistisch. Dat hermeneutisch gesprek hoeven wij hier niet over te doen; dat is in 'Verwarring en Herkenning' en in de synodale discussies al uitgebreid gebeurd en krijgt bovendien nog een vervolg.'
Hoewel een kleine minderheid van de Raad zich bij de aard van De Rondes bezwaren wel thuis voelt, is de Raad toch unaniem van mening, dat die bezwaren niet kunnen worden aangemerkt als een gravamen. Wat betreft de vraag of het nodig is in dezen nog het oordeel van andere kerken te vragen, luidt het Advies van de Raad negatief. Wel wordt verwezen naar het rapport van de Gereformeerde Kerken over 'Schriftgegevens bij vragen rondom homofilie' uit 1982. De vervolgcommissie zou dit rapport kunnen betrekken bij zijn werk, en voor de eigen meningsvorming ook de stand der bezinning in andere kerken kunnen peilen, b.v. via een zogenaamde 'rondvraag' binnen de Raad van Kerken.
De heer De Ronde en de Raad voor de zaken van Kerk en Theologie gehoord hebbend, komt onze commissie tot de volgende conclusies c.q. aanbevelingen:
1. Zonder inhoudelijk een mening uit te spreken over de door de heer De Ronde naar voren gebrachte bezwaren, zijn wij van oordeel, dat deze – gezien de aard van de synodale uitspraken waartegen zij zich richten – niet als gravamen kunnen worden aangemerkt. De behandeling van zijn bezwaarschriften als gravamen door de synode js daarom niet mogelijk.
2. Wij verstaan het bezwaarschrift van de heer De Ronde ook als een vraag om duidelijkheid, en als een klemmend verzoek met de in het vooruitzicht gestelde voortgaande bezinning eindelijk een aanvang te maken. Die vraag dient zeker gehonoreerd te worden. De synode is nalatig geweest door het besluit van november 1989 betreffende de instelling van een commissie ter verdere bestudering van de exegetische en hermeneutische vragen rond seksualiteit in het algemeen, en in dat kader tevens rond homoseksualiteit, nog steeds niet te effectueren. Het verdient aanbeveling in de juni-vergadering eindelijk de leden van deze commissie te benoemen. Wel willen wij van onze kant daarbij de kanttekening plaatsen, dat we een dergelijke commissie niet mogen overvragen. Anderzijds mag er echter van uitgegaan worden, dat een dergelijke studiecommissie een belangrijke bijdrage zou kunnen leveren aan de verdere meningsvorming. Ms men al niet tot een eenduidige uitspraak kan komen, dan kunnen in ieder geval de posities helder en met argumenten omkleed worden aangegeven.
3. Wat ons betreft wordt aan deze commissie de aanbeveling gedaan:
a. zoals de heer De Ronde vraagt, de 'vereniging van ex-homofielen' te horen;
b. bij haar werk het rapport van de Gereformeerde Kerken over 'Schriftgegevens bij vragen rondom homofilie' van september 1982 te betrekken;
c. ten behoeve van de eigen meningsvorming te informeren naar de stand van zaken betreffende de bezinning over onderhavige vragen in andere kerken. Dit zou b.v. kunnen via een zgn. 'rondvraag' binnen de Raad van Kerken, zoals de Raad voor de Zaken van Kerk en Theologie suggereert. Men zou daarbij kunnen overwegen deze 'rondvraag' uit te breiden tot andere kerken van gereformeerde belijdenis, die niet bij de Raad van Kerken zijn aangesloten.'
Namens de comissie,

ds. Adrie Terlouw
rapporteur

Samenstelling van de commissie:
dr. J. Hoek, voorzitter

ouderling mevr. T. Boesveld-Agaart
diaken mevr. P.H. Gerritsen-van Schieveen
ds. M. Ravenhorst
ds. A. Terlouw, rapporteur
ouderling C.J. Verburg

Behandeling gravamen door synode
Na toelichting door de praeses, verzocht ds. A. Terlouw (Hardegarijp), die de positiekeuze van de commissie toelichtte, de synode zich tot de formele kant te beperken nl. of het gravamen inderdaad een gravamen was. Op verzoek van de commissie was er ook een ordevoorstel om ook dhr. De Ronde te laten spreken als een royaal gebaar. Dit werd aangenomen.
Dhr. De Ronde lichtte zijn gravamen toe en vroeg de synode eerlijk te handelen in trouw aan het Woord van God.
Een veertiental sprekers gaf zich op.
Ds. F. Hoek (Goedereede) sprak formeel en principieel van een gravamen, omdat het besluit van 1989 in strijd is o.a. met het klassieke huwelijksformulier en de Catechismus van Genève, beide behorend tot de belijdenis van de Kerk. Calvijn geeft in zijn Institutie uitleg, dat iedere seksuele gemeenschap buiten het huwelijk zonde is.
Oud. M. Geleijnse (Rotterdam) was bedroefd over het spreken van de heer De Ronde en ds. Hoek. Uitspraken als 'groot deel van de kerk in geweten bezwaard' zijn zwaar overtrokken. Het tegenovergestelde is ook het geval. Hij stemde van harte in met de commissie en het moderamen, dat er geen sprake is van een gravamen. Als we dit een gravamen noemen, scheppen wij een precedent. Dan kan iedereen, die het ergens niet mee eens is, wel met een gravamen komen. Hij sprak uit er inhoudelijk niet uit te komen (homofilie), waar anderen 'die zo zijn', ook zorgvuldig en integer de Schrift lezen en tot andere conclusies komen.
Ds. mevr. A.J. Yntema (Aalten) reageerde emotioneel op ds. Hoek en zei veel meer recht te hebben om een gravamen in te dienen als het gravamen als gravamen erkend zou worden. Als de kerk zou zeggen, dat homofilie zonde is, dan zou zij dat in strijd vinden met het belijden van de Kerk, namelijk in directe tegenspraak met het belangrijkste gebod, n.l. het liefdegebod.
Oud. B. van Bokhoven (Linschoten) wees op de integriteit van dhr. De Ronde. Hij wees ook op de formele zaak, dat de PKV door het doorsturen van het bezwaar de zaak als een gravamen bij de synode had neergelegd en dat de synode om die reden verplicht was ook zo te handelen. Bovendien spreekt de Kerkorde van uitingen van de kerk terzake van het belijden, niet van belijdenis. Vanwege het feit, dat het gravamen niet officieel op de agenda stond (rapport van de commissie, hierboven Weergegeven, stond geagendeerd!) wist hij geen andere weg dan het uitstellen van de behandeling tot na het voltooien van de studie. Van Bokhoven zei zich erg gestoten te hebben aan de opmerking van de Raad voor de Zaken van Kerk en Theologie, dat dhr. De Ronde door het groeperen en isoleren van teksten blijk gaf mank te gaan aan een simplistisch Bijbelgebruik. Hij zei: 'Beroep op de Bijbel bij concrete ethische zaken is inherent aan het rubriceren van teksten en behoeft daarmee niet gekwalificeerd te worden als onverantwoordelijk Bijbelgebruik. Daar waar de synode niet in staat was tot een bijbels-theologische onderbouwing past het niet anderen te veroordelen.'
Ds. R. van Kooten (Soest) zei letterlijk o.a.

'Ik verkeerde in de gelukkige omstandigheid dat ik (gisteren) nog inzicht kreeg in een dissertatie uit het jaar 2062, (een gefingeerde terugblik vanuit de toekomst, v.d. G.), waarin promovendus Distantius Objectivus een onderzoek heeft gedaan naar de wijze waarop in de vorige eeuw de toenmaals Hervormde Kerk omging met de homofiliekwestie. Hij geeft daarin een heldere en scherpe analyse van de ontwikkelingen. Hij behandelt ook heel uitvoerig de gravamenkwestie. Hij kan dat heel evenwichtig doen, omdat de tijd ondertussen voor de nodige afstand gezorgd heeft.
Distantius Objectivus betoogt dat zowel het moderamen van die synode als ook dhr. De Ronde die het gravamen indiende, zeer integer bezig waren. Het probleem was echter dat de zaak zelf tweeslachtig was (...)
Dhr. Distantius Objectivus laat zien dat het moderamen in een heel moeilijk parket zat. Het spontane juni-besluit had het moderamen 'overruled', maar tegelijk zat het moderamen met het gegeven dat het besluit niet teruggedraaid kon worden.
Binnen de gegeven grenzen wilde het moderamen doen wat het doen kon om de schade te beperken en de kerk toch bijeen te houden. Wat deed men? Men kwam in de november-synode met een interpretatie voorstel dat het belijdende karakter van het juni-besluit bij moest gaan stellen. Eigenlijk een onmogelijke klus. Er moest blijven staan wat er stond en tegelijk moest duidelijk gemaakt worden: er staat niet wat er staat. Zo werd de zaak qualitate qua tweeslachtig.
De promovendus Objectivus laat zien hoe het moderamen met name lette op de interpretatie en daarom met de Raad voor Kerk en Theologie onderstreepte dat gewetens gescherpt en niet gebonden werden, terwijl dhr. De Ronde daarentegen vooral lette op de uitspraken over homoseksualiteit die recht overeind bleven staan. (...)
Distantius concludeert dan ook, dat er bij de synode niet alleen sprake was van een tweeslachtig novemberbesluit maar ook van een tweeslachtige voortgang.
Toen in de voorjaarsvergadering van 1992 ds. De Groot uit Assen per motie het partnerpensioen aan de orde stelde, werd de stemming over deze motie niet conform het juni-besluit van 1989 opgeschoven tot na de behandeling van de toegezegde studie als voorwaarde om te kunnen komen tot ethische en kerkrechtelijke richtlijnen, maar adviseerde het moderamen in meerderheid positief. Dit was voor dhr. A.W. de Ronde een bevestiging van zijn gedachtengang.
Het proefschrift behandelt tevens de moeilijke positie voor diegenen in de synode die zich inhoudelijk met dhr. De Ronde verwant wisten. Zij stonden voor de patstelling dat zij enerzijds de novemberuitspraak niet konden benoemen als een belijdend spreken van de kerk, want daarmee zouden zij zelf het novemberbesluit van 1989 terugdraaien naar het juni-niveau van dat jaar, terwijl zij anderzijds voelden dat ook het novemberbesluit toch belijdende consequenties had, o.a. gezien het partnerpensioen.
De promovendus behandelt vervolgens hoe in de synodevergadering van juni 1992 de afgevaardigde van de classis Amersfoort een heldere analyse gaf van de hele problematiek en vervolgens kwam met een motie waarin hij aansloot zowel bij het juni- als bij het novemberbesluit van 1989. Hij stelde de synode voor een einde te maken aan de tweeslachtigheid door conform lid 6 van het juni-besluit zichzelf de discipline op te leggen niet te komen tot ethische en kerkrechtelijke richtlijnen, zolang de bestudering van exegetische en hermeneutische vragen rond seksualiteit in het algemeen en in dat kader tevens rond homoseksualiteit nog niet rond was. Door zo'n besluit bleef alleen de interpretatie staan en waren de belijdende consequenties aan het november-besluit ontnomen.'

Adviseur prof. dr. E. Schroten sloot met instemming aan bij oud. Geleijnse en beweerde, dat seksualiteit helemaal niet valt onder het belijden van de kerk. Hij illustreerde dat met de geschiedenis van de Moorman, die een eunuch was. Toen hij vroeg welke er verhindering er kon bestaan tegen zijn gedoopt worden, zei Filippus niet, dat er eerst even gesproken moest worden over zijn seksualiteit. Hij noemde alleen het geloof in Jezus.

Ten besluite
Tot slot nog enkele opmerkingen:
1. Dat er op de synode gesproken werd inzake een gravamen was uniek. Een gravamen richt zich tegen wat de kerk belijdt, d.w.z. tegen (onderdelen van) haar belijdenis. De vraag is of er ook sprake mag zijn van een gravamen als het gaat om uitingen van het belijden der kerk, in het onderhavige geval inzake homoseksualiteit. Daarop heeft de synode 'nee' gezegd. Daarmee blijft de zaak zelf wel liggen.
2. Het is vurig te hopen, dat de commissie seksualiteit, die drie jaar geleden aan het werk had moeten gaan, maar pas nu wordt gerealiseerd tot een echt Bijbelse bezinning op seksualiteit c.q. homoseksualiteit komt. Het mag op rekening van De Ronde worden geschreven dat (hoewel verlaat) de studie over seksualiteit er toch zal komen.
3. Het mag intussen zorg geven, dat de synode niet wilde vastleggen, dat, vooruitlopend op de resultaten van de studiecommissie, geen besluiten ad-hoc, meer zullen worden genomen, zoals in februari van dit jaar inzake het partnerpensioen (van homoseksuelen).
4. Een positief resultaat van de nu gehouden discussie ter synode is, dat het besluit van november 1989 (genomen na de commotie in juni van dat jaar) verder is uitgehold. Werd in 1989 eigenlijk de legitimiteit van het Schriftverstaan, zoals dat in 'de rechterflank van de kerk voorkomt, ontkend of miskend, nú is tenminste gezegd, dat er terzake van homoseksualiteit binnen de kerk sprake is van verschillend Schriftverstaan.
5. Tenslotte: De kwestie als zodanig zal de kerk(en) nog danig blijven bezighouden. Wanneer gesproken wordt van verschillend Schriftverstaan moeten we vragen: Zou de Schrift zichzelf dan tegenspreken? Leide de Geest ons ook hier in alle waarheid.

Van der Graaf

P.S. De lezers zullen al wel hebben begrepen dat in mijn artikel van vorige week 'paradogma' paradigma moest zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juni 1992

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Bezwaren niet als gravamen aangemerkt

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juni 1992

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's