Uit de pers
Onverdraagzaamheid
In de pers van de afgelopen maanden krijgen de drie boeken die in het najaar van 1991 verschenen van de hand van prof. dr. K.Th. van Deursen, hoogleraar nieuwe geschiedenis aan de Vrije Universiteit, brede aandacht. Dat betreft de kerkelijke pers, maar eveneens de meer algemene persorganen. Het gaat hier om een herdruk van het in 1974 reeds verschenen boek Bavianen en Slijkgeuzen, dat handelt over 'kerk en kerkvolk ten tijde van Maurits en Oldebarnevelt'.
Verder een herdruk in één boek van vier deeltjes die eerder tussen 1978 en 1980 het licht zagen onder de titel 'Het kopergeld van de Gouden Eeuw' en nu verscheen onder de titel 'Mensen van klein vermogen'. In deze publicatie gaat het om een weergave 'hoe de mensen tijdens de oorlog tegen Spanje in Holland hebben geleefd'. Tenslotte verscheen ter gelegenheid van de 60e verjaardag van de auteur een bundeling van 29 opstellen over geschiedenis, geschiedschrijving en geschiedbeleving onder de titel aan de Prediker ontleend 'De eeuw in ons hart', enkele weken geleden in ons blad besproken door dr. Tukker. Prof. Van Deursen is in De Volkskrant door prof. Klein omschreven als behorend tot 'het puikje van de geschiedkundigen die calvinistisch Nederland heeft voortgebracht'. Ieder die in de historie van ons land met name van de zeventiende eeuw geïnteresseerd is, kan deze geschriften niet ongelezen laten.
Maar het gaat ons dit keer niet om de historische kanten van het werk van prof. Van Deursen. We hebben meer het oog op zijn reacties op het moderne leven en samenleven, reacties die te lezen vallen in de bundel 'De eeuw in ons hart'. Prof. Van Deursen hekelt daarin op felle toon de liberale onverdraagzaamheid van onze tijd. Hij heeft zich vreselijk geërgerd indertijd aan de veroordeling van de christelijke gereformeerde ds. J. van Amstel die voorbede had gedaan in een kerkdienst voor een afvallig geworden gemeentelid. Eveneens roept het ongestraft misbruiken van Gods Naam zijn ongenoegen op. Eerst een kort citaat uit een in de NCR van 10 oktober 1988 verschenen ingezonden artikel waar hij zelf boven schrijft 'Theologie op de bioscoopstoel' en waarin hij reageert op de in zijn ogen godslasterlijke film over het leven van Jezus 'The Last Temptation of Christ'.
Smalende godslastering is in Nederland verboden. Er is alleen geen enkele rechter meer te vinden die bereid is een veroordeling daarvan uit te spreken. Dat is onbegrijpelijk, want discriminatie van christenen stuit in de publieke opinie niet op weerstand. Antisemitisme is tegenwoordig in aller ogen strijdig met het openbaar fatsoen. Antichristelijke columnisten echter behoren tot de staf van nagenoeg ieder groot dagblad, NRC/Handelsblad inbegrepen. Dat getuigt van onverdraagzaamheid en slechte smaak, maar het heeft niet veel zin daartegen te procederen. Processen brengen geen mentaliteitsverandering teweeg.
In een volgende bijdrage getiteld 'Terug naar de regentenheerschappij', eveneens een ingezonden artikel bedoeld voor het NRC-Handelsblad van maart 1989 doch geweigerd, valt hij met ingehouden woede de rechterlijke macht aan omdat ze zich theologische oordelen aanmatigt zoals gebeurde in het geval van ds. J. van Amstel. Regenten hebben het in het verleden ook menigmaal met dominees aan de stok gehad, aldus prof. Van Deursen. Er er zijn in de loop van de Nederlandse geschiedenis heel wat meer predikanten dan godslasteraars veroordeeld. Godsdienstvrijheid is prima, maar je mag er buiten de kerkmuren niets van merken. Ik citeer: 'Dat regentenideaal is nooit gestorven. Het spookt nog altijd rond in de discussies over de anti-discriminatiewet. Meestal zijn het Rushdies ijverigste pleitbezorgers, die de rechten van kerkleden juist willen inperken. Zo is er een merkwaardige dubbele moraal gegroeid, die pal staat voor het recht van elke vrije Nederlander te vloeken op de openbare weg en die gebeden met een traditie van vier eeuwen achter zich een bedreiging noemt voor de persoonlijke levenssfeer' (De eeuw in ons hart, p. 191 v).
Veronica- en VPRO-cultuur
In nog weer een andere bijdrage, eerder geplaatst in De Volkskrant van 11 november 1989 en waar Van Deursen zelf boven schrijft 'De twee culturen', gaat hij in op de grote mate van overeenstemming die in de Nederlandse samenleving merkbaar is in wat hij typeert met de Veronica- en VPROcultuur. Deze twee varianten beheersen volgens Van Deursen het overgrote deel van de media in ons land en hebben daarom de meeste invloed op de opinievorming in Nederland. We citeren opnieuw uit 'De eeuw in ons hart', p. 203 v:
Waarin die twee van elkaar verschillen geven de gekozen namen reeds aan. VPRO-cultuur richt zich tot het intellect. Ze onderzoekt en analyseert, is prikkelend en agressief, en roept eerder op tot tegenspraak dan tot verzoening. Veronica-cultuur is vriendelijk en gezellig, meer geneigd tot beschrijving dan tot ontleding, en kritisch alleen wanneer ze zich door een grote meerderheid gesteund weet. De uitingen van deze beide culturen zijn dan ook gemakkelijk van elkaar te onderscheiden.
Niettemin stemmen ze in een zeer wezenlijk punt met elkaar overeen. Ze hebben dezelfde opvatting over goed en kwaad. Goed is voor hen wat ons persoonlijk welbehagen dient, en ieder heeft het recht dat welbehagen op eigen wijze te realiseren. Van beide mogen we dus zeggen dat ze staan op een hedonistische grondslag. Daarin zijn ze een, en omdat ze samen een ruime meerderheid van het Nederlandse volkuitmaken, lijken ze er ook in te slagen deze norm van goed en kwaad tot algemene regel te verheffen.
Met hedonisme wordt bedoeld dat het zinnelijk genieten richtsnoer voor ons handelen is en dat persoonlijk genot zo ongeveer het hoogste doel is van ons leven.
In VU-Magazine van april 1992 staat een uitvoerig gesprek van Johan de Koning met prof. Van Deursen te lezen. Deze schrijft als toelichting boven zijn intervieuw o.a. dit: Een orthodox-christelijk historicus formuleert zijn bezwaren tegen een Veronica- en VPRO-cultuur waarin vloeken heel gewoon is, terwijl een dominee niet meer mag zeggen wat hij wil.
Waarom is de toon in uw artikelen over de huidig tijd, bijvoorbeeld over wat u de VPRO- en Veroncacultuur noemt, zo scherp?
'Je kunt de VPRO moeilijk een tolerante organisatie noemen. Als zij stelselmatig weigert om misbruik van Gods naam te stoppen, dan kun je niet zeggen dat zij begrip heeft voor andermans opvattingen. Dat vind ik een wijze van cultuur beoefenen die eigenlijk in Nederland niet past. Dat stelt mij teleur en ik kan mij er boos over maken dat er zoveel mensen zijn die zich op het hoogste niveau van cultuur bewegen en net doen alsof dat hetzelfde is als naar de VPRO kijken. Zij zouden moeten inzien dat het één niet strookt met het ander. Als in VPRO-programma's racistische moppen zouden voorkomen, dan zou je dat ook niet kunnen verontschuldigen met de kwaliteit van die programma's. Ik vind dat het met vloeken niet anders, ligt.'
Kent u de VPRO? U meent dat ze vloeken, maar u schrijft ook dat u ze nooit beluistert.
'Ik heb in een van mijn artikelen een luisteravontuur beschreven dat zich twee jaar geleden heeft afgespeeld. Helt was inderdaad heel kort, maar het heeft al mijn vooroordelen bevestigd. Het is mij ook nooit gebleken dat ze gevoelig waren voor aansporingen om met deze praktijken te stoppen. Van de Nederlandse Bond tegen het vloeken heb ik eens een brief gehad, met een afschrift van een brief die zij van de VPRO had ontvangen. Daarin stond dat de VPRO zich niets wilde aantrekken van de bezwaren en zich gesterkt voelde door de belangstelling van een groeiend aantal kijkers en leden. Ik vind dat die beschaafde kijkers mij in de steek laten, dat ze tekort schieten als cultuurdragers.'
Cultuur en vloeken gaan niet samen?
'Ik denk dat er in de omgang tussen mensen bepaalde conventies zijn die geëerbiedigd moeten worden. Als je in een gemengd gezelschap bent, ga je niet vloeken. Dat doe je alleen als je je ervan hebt overtuigd dat iedereen zich zo pleegt uit te drukken. Ook voor radio- en televisie-uitzendingen die zich tot een beschaafd publiek wenden, geldt dat ze zich aan die conventies moeten houden.'
Terecht geeft prof. Van Deursen aan hoe ingrijpend de moraal in onze moderne samenleving is veranderd in de achter ons liggende decennia.
Kenmerkend voor de Veronica- en VPRO-cultuur is volgens u dat de aanhangers hun persoonlijk welbehagen nastreven. Hebben mensen ooit anders gedaan? U schrijft zelf dat in de zeventiende eeuw het 'natuurlijk leven' sterker was dan de kerk.
'Als je kijkt naar de publieke moraal in de zeventiende eeuw, dan zie je dat die niet van een hedonistisch beginsel uitgaat. Ik geloof dat in onze tijd het streven van de wetgever is om dat wel te doen en dat de VPRO dat van harte onderschrijft en met argumenten onderbouwt. Kenmerkend is de hele houding tegenover seksualiteit. Allerlei dingen die volstrekt onmogelijk waren voor een zeventiende-eeuwer, en ook voor iemand uit de eerste helft van deze eeuw, worden nu als normaal gedrag beschouwd. Je kunt dus spreken van een ommekeer in de morele opvattingen in, globaal genomen, de laatste vijfentwintig jaar.'
Prof. Van Deursen geeft dan vervolgens aan waar de gevaren liggen in een dergelijke ontwikkeling met name voor belijdende christenen. Hoe onverdraagzaam in wezen een samenleving is die juist zo zegt op te komen voor de vrije meningsuiting. Wellicht ten overvloede: Salman Rushdie werd om zijn boek De Duivelsverzen door de ayatollah Khomeiny in de ban gedaan enkele jaren geleden en de moord op de Britse schrijver zou met een hoog bedrag beloond worden. Deze uitspraak riep over de hele wereld fel verzet op.
'Er zitten aan de huidige veranderingen gevaarlijke kanten. Denkt u eens aan dominee Van Amstel uit Ede, die voor wat hij in een openbaar gebed had gezegd werd aangeklaagd en bedreigd met een boete. Dat kan een vrij gevaarlijke aanslag zijn op de geestelijke vrijheid in Nederland. Daar zouden niet alleen degenen zich over moeten opwinden die er persoonlijk door getroffen kunnen worden, maar ook degenen die niet in kerk of kluis komen. Die horen ook te zeggen: dit is belachelijk, het kan niet. Maar die reactie hoor ik niet. Daaruit blijkt dat mensen die gevaar lopen in de hoek geschoven te worden, niet de steun krijgen van anderen, terwijl die anderen zich wel van het gevaar bewust zouden zijn als het een grotere of politiek interessantere groep betrof'
U hebt u er verontwaardigd over getoond dat kamerleden zich wel opwinden als het gaat om de schrijver Rushdie. Maar die dominee kreeg een boete van 1500 gulden, terwijl Rushdie een soort doodvonnis kreeg opgelegd.
'Ja, maar de reden om voor Rushdie op te komen is dat hij het recht van het vrije woord moet hebben. Als dat geldt voor een Engels schrijver, dan geldt dat ook voor een Nederlandse dominee.'
Als Rushdie een boete van 1500 gulden had gekregen, hadden zich daar veel minder mensen druk over gemaakt.
'Dan is dat waarschijnlijk omdat mensen een weinig principiële manier van denken hebben, want in wezen praat je over het zelfde probleem. Dat geeft ook het gevaar aan. Als er nu boetes worden opgelegd, wie zegt me dan dat het daarbij blijft? Als het in onze samenleving geaccepteerd gaat worden dat uitlatingen op de preekstoel beboetbaar zijn, is het hek van de dam.'
Antisemitisme en antichristelijke columnisten
In het interview in VU-Magazine wordt dan nog verder doorgepraat over andere tendensen van onverdraagzaamheid in onze samenleving.
U schrijft ook dat antisemitisme tegenwoordig in aller ogen strijdig is met het openbaar fatsoen, terwijl antichristelijke columnisten tot de straf van ieder groot dagblad behoren. Ik begrijp niet dat een historicus zo'n vergelijking maakt, in een eeuw waarin de vervolging van joden veel grotere vormen heeft aangenomen dan die van christenen.
'Ik denk dat het ook hier weer gaat om het principiële verschil. Mag je iemand kwetsen in zijn godsdienstige gevoelens of niet? De rekening van één van beide partijen die nog uitstaat, mag geen verschil maken.
Ik herinner mij een televisie-uitzending over de antidiscriminatiewet, toen daar voor het eerst geruchten over gingen. De Noordhollandse jurist Abspoel zei daarin dat als je met zo'n wetgeving rechtspraak gaat bedrijven, dat ertoe kan leiden dat christenen aan het kortste eind trekken, maar dat is dan de rekening die ze krijgen voor de tweeduizend jaar dat ze de baas zijn geweest. Dat wordt discrimineren op grond van de geschiedenis. Ik vind zoiets ongepast.
Het artikel waar u op doelt, kwam niet uit de lucht vallen. We hadden toen al een discussie over de zaak Goeree. Ik weet niet of u die nog voor ogen staat?'
Het echtpaar Goeree legde verband tussen de vervolging van de joden en het feit dat joden Christus aan het kruis hadden genageld.
'Akkoord, maar mij ging het niet zozeer om die Goerees. Ik vind dat ook geen mensen die een belangrijke bijdrage tot de discussie in Nederland leveren, maar wat mij verontrustte was dat er in publikades van de Stichting ter Bestrijding van het Antisemitisme, ook andere namen werden genoemd zoals dominee Wentsel uit Den Haag, die bezig is aan een gereformeerde dogmatiek, en mijn kerkgenoot dominee De Jong die een paar artikelen over de exegese van het Oude Testament had geschreven. Als dat uitlatingen zijn die in het kader van discriminatiebestrijding kunnen worden aangepakt, dan is de vrijheid van wetenschap in gevaar. Dus ik vond die kwestie Goeree een symptoom van een niet onbedenkelijke ontwikkeling, die des te gevaarlijker was omdat niemand het voor de Goerees zal opnemen. Als die gepakt worden, vindt iedereen dat hun verdiende loon. Dat gevoel is in zekere zin ook wel terecht, want die mensen overschrijden inderdaad de grenzen, maar je moet toch voorzichtig zijn met alles wat zich eromheen afspeelt.'
Maar door de discriminatie van christenen te vergelijken met antisemitisme roept u toch vooral weerstand op?
'Als je zegt dat mensen op bepaalde gronden wel gediscrimineerd kunnen worden, ben je gevaarlijk bezig. Als je vindt dat christenen op grond van hun overtuiging beboet kunnen worden, vecht je het basisprincipe aan dat ieder mens recht heeft op zijn eigen geloofsovertuiging en die in alle vrijheid mag belijden. Als je dat principe wel aanhangt moet je ook accepteren dat de verschillende basisprincipes elkaar zullen bestrijden. Dan vind ik het absurd om te zeggen dat dat niet mag omdat het ene geloof in het verleden meer te lijden heeft gehad dan het andere.
Het is ook heel iets anders als je iemand bestrijdt omdat hij een joods geloof aanhangt, dan als je dat doet omdat hij van joodse geboorte is. Tegenwoordig merk je meer en meer dat er een vereenzelviging optreedt, bijvoorbeeld van Marokkanen en moslims. Het is een identificatie van ras en geloof die uitermate verwarrend is.'
U bepleit slechts dat christenen het joodse geloof mogen aanvallen?
'Dat is toch in de politiek ook zo? Als je socialist bent, zul je zeggen: de liberalen hebben het mis. Welke rechter zal je dat nou verbieden? Dat is toch normale propaganda? Waarom zouden de kerken dat niet mogen?
Dit alles is ook zo aan mode onderhevig. In de negentiende eeuw werd er, ik geloof in Groningen, onderzoek gedaan naar lichaamshoedanigheden van joden. Daar rezen toen bezwaren tegen. Toen zeiden degenen die het onderzoek georganiseerd hadden: maak je toch niet druk, het gaat ons niet om het geloof van deze mensen, we willen eenvoudig onderzoek doen naar hun raskenmerken. Dus in die tijd was het geloof belangrijker, terwijl het in de twintigste eeuw de raskenmerken zijn.'
In Wapenveld van maart/april 1992 staat een uitvoerige bespreking te lezen van de drie hier genoemde publicaties van prof. Van Deursen van de hand van Johan Snel. Helemaal aan het eind van zijn artikel gaat hij in op Van Deursens beoordeling van de VPRO-cultuur in samenhang met de Veronica-cultuur.
Enigszins anders wordt het, wanneer hij de moderne Nederlandse cultuur analyseert, voorzover die voor hem wordt vertegenwoordigd door de bovengenoemde twee 'culturen'. In zijn optiek gaat hun reikwijdte ver. Aan die analyse kleven naar mijn gevoel twee beperkingen.
Een eerste is, dat zijn eigen sterkste kant hier in het gedrang komt. Een superieur aspect van Van Deursens werk schuilt immers in zijn vermogen een ieder recht te doen, de naaste tenminste op diens eigen merites – liever nog op zijn sterkste eigenschappen – te beoordelen. Net als de geschiedenis 'historische, dat is liefdevolle aandacht' vereist. In zijn kritiek op vooral de 'VPRO-cultuur' lijkt openbaar te worden, dat er toch een zwakke stee in zijn gekozen benadering van de naaste, dood of levend, zit.
Deze opmerking zou weinig hout snijden, wanneer ik er geen tweede aan toe zou voegen: deze, dat de genoemde typering er naast zit. Van Deursen wil een 'linkse' cultuur typeren door de VPRO aan een nadere beschouwing te onderwerpen. Hij zet daartoe de radio aan. Wat hij dan te horen krijgt, zijn vloeken, Hugo Brandt Corstius en Wim T. Schippers, en dus zet hij de radio weer uit.
Hij treft het slechter dan hij denkt. Wie de laatste twee abjecte nihilisten als representatief voor de hele bedoelde cultuur beschouwt, treft die alleen op haar zwakste plek: een onvermogen de volstrekte verwerpelijkheid van deze heren te onderkennen. Dat is een ernstige tekortkoming, maar typeren kun je die cultuur met hen niet. Een serieuze beschouwing van de 'VPRO-cultuur' kan ook een aanzienlijk ander beeld opleveren.
Snel geeft aan dat hij bereid is in Wapenveld concreet aan te geven wat hij met deze opmerkingen terzake de VPRO-cultuur bedoelt. Ik vermoed dat hij wil laten zien dat de VPRO méér doet dan alleen ruimte laten aan vloekers en spotters als de genoemde Brandt Corstius en Schippers. Misschien dat Van Deursen terecht niet gewend is om op zondagavond naar de televisie te kijken, de avond waarop de VPRO al vele jaren zijn programma's uitzendt Daarom kan hij niet weten wat Snel bedoelt met zijn opmerkingen. Het zou overigens interessant kunnen zijn te lezen wat Snel bedoelt met een 'serieuze beschouwing van de VPRO-cultuur'.
We stemmen tenslotte van harte in met de Wapenveld-recensent als het gaat om Van Deursens publicaties: 'Ze zijn verplichte lectuur voor iedereen die iets over het calvinisme in zijn historische, Nederlandse verschijningsvorm wil weten. De gereformeerde traditie is immers ook bij uitstek een historisch en niet slechts een theologisch gegeven'.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juli 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juli 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's