De roeping tot predikant (1)
I. Kenmerken
Men is er wel over eens, dat het ambt van predikant, waaraan zeer, zeer hoge eisen worden gesteld, alleen kan worden aanvaard na een ernstige roeping. Bij dit woord denken wij niet aan een bepaald beroep naar de een of andere gemeente. Allerminst – wij bedoelen er mee een persoonlijk geroepen zijn tot het werk der bediening. Wij denken aan de inwendige roeping in de hogere zin van die eis. Wie zal een ambt met vrijmoedigheid en zegen aanvaarden, die daartoe niet de minste roeping gevoeld? De noodzaak van een objectieve roeping tot de dienst des Woords zal wel door niemand worden betwist, maar dit geldt evenzeer voor een subjectieve roeping. Deze laatste met name is onmisbaar, om verschillende redenen. Het komt ons voor, dat wij die persoonlijke roeping allereerst niet zullen kunnen missen voor onszelf. Hoe zullen wij met een blijvende vreugde en duurzame vrucht in het Koninkrijk van God kunnen werken, als wij er steeds tegenop zien en met een inwendige tegenzin aan het werk gaan?
Maar wat moet het ook voor een gemeente vreselijk zijn een voorganger te hebben, bij wie men bij nauwer toezien bemerkt hoezeer hem het ambt een verschrikking is? Zeker, de grote massa der gemeenteleden zal dat niet zo gauw doorhebben, maar er zijn toch altijd nog fijngevoelige gemeenteleden, die de gave van de onderscheiding der geesten bezitten en al spoedig onderkennen dat hun predikant geen blijdschap kent in zijn ambtelijke bediening. Deze gemeenteleden doorgronden dat hun herder een huurling is. Zij sterven de geestelijke hongerdood, omdat zij nooit ofte nimmer een korrel van geestelijke blijdschap bij hun predikant bemerken. Geheel zijn ambtelijke dienst draagt de sfeer van routine en dodigheid; alles is wel wáár, maar de doorstraling van het Evangelie ontbreekt. Het zal deze gemeenteleden niet gemakkelijk vallen een duidelijk manco bij hun predikant aan te wijzen, maar zij ervaren wel zonder woorden, dat de toetssteen der persoonlijke overtuiging en der persoonlijke stempeling ontbreekt.
Ook tegenover de buitenwereld kunnen wij ons alleen handhaven met persoonlijke gedrevenheid. Dat ligt voor de hand. De wereld toch komt ons steeds tegemoet met de stille vraag in het hart: wat hebt u hier te maken, met welke opdracht treedt u onder ons op? Die wereld nu zal ons dan te spoediger omverwerpen, wanneer wij niet van binnen de diepte bewustheid omdragen, dat wij ook tegenover haar een taak te vervullen hebben, waarvan niemand ons ontslaat! Vooral tegenwoordig, nu ook onze gemeenten grote ontkersteningsverschijnselen vertonen, is de persoonlijke overtuiging door God geroepen te zijn en voor Zijn aangezicht te staan, een dragende ondergrond bij het wondere ambt.
Geen wonder, dat dan ook onmiddellijk de vraag opkomt: wat zijn de kenmerken van een echte roeping? Zelfbedrog is op dit terrein zo gemakkelijk en zinsbegoocheling kunnen wij toch ook niet zo gemakkelijk ontlopen. Wij zijn van mening op dit gebied eerder nuchter dan sentimenteel te moeten zijn. Er zijn wel eens van die figuren, die zich met een zeker air boven ieder gewoon mens geroepen achten. Zij bewegen zich met een buitengewone flair en buigzaamheid in de kerkelijke wereld. Zij trekken de scharen van heinde en verre. Spreken overigens zeer gewone waarheden met een zalving uit, die menigeen als aan hun lippen doet hangen. Laten wij daarom maar zeggen: zij zijn daarom nog niet in waarheid geroepen. Zo ergens, dan is het woord op dit terrein van toepassing: niet allen zijn koks, die lange messen dragen en niet allen zijn soldaat, die een geweer in handen hebben. Sommigen worden predikant, alleen omdat hun vader het was. Zij hebben de wenk van de oude wijsheid geen gehoor gegeven: het is niet nodig en goed, dat allen pastor van de kerk zijn, die door pastores zijn voortgebracht. Er kan hoogmoed in het spel zijn; oudertrots, om beslist zoonlief op een kansel te zien. Zulke verkeerde beginselen werken te noodlottiger, omdat gewoonlijk de ogen eerst opengaan als het al te laat is om terug te keren. Trouwens, wie zichzelf misleidt loopt gevaar van een onafzienbare schade. Stelt u het zich maar eens voor: een geheel leven omgaan met heilige dingen, zonder dat het hart er ook maar een moment door ontroert. Omgaan met het heilige, zonder persoonlijke overgave. In twee sferen leven. Naar de buitenzijde gedurig met het Woord bezig zijn, maar naar de binnenkant van het Woord gruwen en afkerig zijn. Dat kan niet ongestraft blijven.
Dat alles nu goed en wel genoteerd. Maar betekent dat nu, dat een heel bijzondere buitengewone roeping noodzakelijk is, om in alle vrijmoedigheid het ambt van predikant te kunnen aanvaarden? Wat voor de eerste apostelen noodzakelijk was, is het zeker niet in die mate voor de toekomstige predikant. Over het algemeen openbaart ons God Zijn wil in de aanleg van onze natuur. Het kan zijn, dat de levensloop zich zomaar aftekent in de loop van de omstandigheden. Er kan zijn een raad van ouders, vrienden en leermeesters. Het is goed nauwlettend acht te geven op de vingerwijzingen van Gods voorzienigheid. Het valt ons vaak op in hoeveel gevallen een hartelijk meelevend gezin de voedingsbodem is voor een roeping tot het ambt. In dat gezin wordt met respect over de kerk gesproken; het ambt staat er hoog. En wat ook te denken van een biddende moeder, grootmoeder, oom of tante? Er zijn in iedere gemeente nog jongelui, die veel nadenken over de dingen van de wereld of de kerk. De ernst staat hun op het gezicht te lezen. Bij navraag in een consistorie aan de kerkeraad wie toch die en die figuur was, die daar en daar zat, is ons dikwijls gebleken, dat die persoon studeerde of althans heel veel interesse had voor de dingen van Gods Koninkrijk. Trouwens, wat kan ook een serieus voorbeeld van een predikant of ouderling hier een stimulans tot het ambt betekenen!
Heilige roeping tot het ambt vraagt gewoonlijk niet een buitengewone inspraak Gods, een stem of iets dergelijks. God doet dat nu niet of maar heel zelden. Het is niet goed daarop te wachten. Er zijn andere zaken, waardoor wij van onze innerlijke roeping kunnen worden overtuigd. Het is in de eerste plaats een zekere kennis van het ambt. Wij overleggen bij onszelf wat het inhoudt om een dienstknecht van Christus te zijn in de prediking; in de zielzorg; in de catechese; in de levenswandel. Wij zien dat nauwlettend bij degenen, die een voorbeeld voor ons werden. Het gaat op onze ziel drukken. Wij beginnen het zelf te begeren. Het wordt ons een lust om in 's Heeren dienst ook bezig te zijn. Wij worden daartoe gedreven. De zaak van de gemeente ligt ons op het hart. Het heil der gemeente interesseert ons. Er is in ons bezig een grote nieuwsgierigheid ten aanzien van het ambt met al wat er bij behoord. Een schaamte om een slechte ambtsuitoefening; een begeerte naar een voorbeeldige ambtsvervulling. Wij begeren steeds dieper door te dringen in al wat het ambt vraagt. Wij komen van die overweging niet af.
Vervolgens is ook nodig enige kennis van onze bekwaamheid tot dat werk. Er mag wezen en er moet zijn een inzicht en een begrip van de goddelijke waarheden. Wij hebben verstand van de dogmatiek en de geloofsleer. Er is een theoretische kennis. Maar wij gevoelen de kracht daarvan in ons eigen hart. Wij hebben het vermogen om daarover te oordelen met kennis van zaken. Voeg daarbij ook de bekwaamheid om eigen gedachten wel uit te drukken en ook te kunnen spreken zodat wij verstaan kunnen worden. Schrijfvaardigheid noem ik dat en welsprekendheid. Doorgaans hebben wij in de praktijk enigermate proeven van bekwaamheid kunnen afleggen tot spreken en schrijven.
Dit alles gepaard met een bijzondere liefde tot Christus om Hem bekend te maken en met een bereidvaardige verloochening van al wat aards is, van eer, van goederen, ja, van leven zelfs. Maar bovenal behoort in deze lijst van vereisten: een grote lust tot dat werk. Vader Brakel in zijn Redelijke Godsdienst onderscheidt zich hierin door grote evenwichtigheid en klaarheid. Zijn aanwijzingen op dit punt zijn menigeen al tot troost geweest. Brakel acht het nodig gedurig prikkelingen te hebben, om zich tot dat werk aan de Heere op te offeren. Vooral behoort daartoe een gedurige lust om door alle depressies heen het Woord te willen onderzoeken. Zich er in te bekwamen, het Woord grondig te leren kennen, zowel synthetisch als analytisch. Vooral bijbelkennis behoort tot het wapentuig van een dienaar des Woords. Bij die prikkels en begeerten komen nu ook bekommeringen of we al geroepen worden. Er zijn benauwdheden over de bijoogmerken als ze in hart hart opkomen. Wij begeren soms de zaak maar vaarwel te zeggen. Wij zouden wel eens willen weglopen als Mozes en Jeremia. Maar de prikkels houden áán, de tegenspraak wordt overwonnen. Wij hebben voor de Heere meer vrijheid dan ooit tevoren. Wij weten ons gewilliger dan ooit. Juist dwars door de tegenspraak heen bemerken we de grond van ons hart klaarder dan ooit tevoren. Het hart veroordeelt ons niet. Het is overtuigd van onze oprechtheid hiervan.
Is dat beginsel werkelijk in eerlijkheid het onze, dan mogen we ook nog zien of we daarbij naar lichaam of geest geschikt zijn tot geregelde vervulling van alle onderdelen van de dienst. Een redelijk gezond lichaam, een redelijk helder verstand, een goede vorming van onze vermogens – het kan niet worden gemist. God roept doorgaans geen geniale mensen, maar wel personen die in het bezit van hun talenten en gaven zich de Heere begeren ter beschikking te stellen. De genade der roeping vervangt de natuurlijke aanleg niet, maar heft deze op hoger plan. Voor een ambt als predikant zijn vereist grote bekwaamheden, hoge normen. Wij stellen geen bovenmenselijke eisen. Maar het mag anderzijds wel eens worden gevraagd of de universitaire leerprogramma's niet teveel toegeven aan alternatieve studieroutes. En dat méér om maar zoveel mogelijk studenten te trekken dan wel om de klassieke normen te handhaven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juli 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juli 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's