Enkele persoonlijke herinneringen aan prof. dr. Raden Soedarma
Ingezonden
Kort geleden is overleden prof. Soedarma, wonende in Salatiga. Graag wil ik enkele herinneringen aan hem meedelen.
Toen de cursus van 1937/1938 begon aan de Vrije Universiteit, hoorden we dat de eerste Javaanse student aan de V.U. theologie zou komen studeren en dat hij in het Hospitium der V.U., Keizersgracht 162, zou wonen. Nog zie ik hem binnenkomen. Ik stond aan het einde van de lange gang van het gebouw op een middag ongeveer half twee. 'k Zag 'in de verte' de deur van de gang opengaan en een kleine, donkere, fragile figuur binnenkomen. Ik dacht: Dat is hij. 'k Ging naar hem toe en begroette hem. Het begin van een levenslange vriendschap.
Hij moest eerst nog een soort 'staatsexamen' doen bij de hoogleraren Woltjer en Sizoo. Onopvallend ging hij zijn gang. Slaagde voor dat examen. Kon toen gaan studeren voor z'n 'propjes', het propaedeutisch examen. Ook dat ging voorspoedig. Hij ging stil en bescheiden z'n weg. Wat mij persoonlijk vooral trof, was zijn rustig optreden. Van nature ben ik een driftig mens, die gauw scherp uitvalt. Hoe geheel anders hij. Als hij werd 'aangevallen', reageerde hij altijd beheerst, zei dan niet meer dan ja of nee en bleef even beminnelijk in de omgang. Dat maakte mij 'jaloers' op hem. Ik voelde: dat is de juiste manier van reageren op scherpe woorden of vermeende aanvallen.
Met de zomervakanties kon hij natuurlijk niet naar huis. Hij verbleef dan bij medestudenten, o.a. ook in ons gezin. Mijn moeder was altijd bereid hem logies te verlenen. We woonden toen in Wijnjeterp. Wat heb ik veel met hem in de mooie omgeving gefietst.
Hij vertelde ons, studenten, ook wel eens wat over het godsdienstig leven op Java. Hij geloofde reëel in de macht van boze geesten. Hij zei: 'Overal waar het christendom niet is, zijn zij sterk'. Maar als Christus verkondigd en geloofd wordt, verdwijnen ze. Een voorbeeld: Hij had zelf gezien, dat een tovenaar een touw recht omhoog deed staan en erin klom. Maar toen in Christus geloofd werd, kon hij zoiets, niet meer doen. Soedarma zei: Jullie westerlingen hebben geen flauw idee van de kracht van de demonische machten. Daar zijn jullie veel te 'verlicht' voor. Maar ze zijn en werken wel terdege.
De oorlog brak uit, 10 mei 1940. Op 15 mei vond de capitulatie plaats. De mensen zeiden: 'Het is vrede'. Hij zei: 'Nu begint het pas'. O, wat heb ik daar later veel aan teruggedacht!
Hij deed in die tijd zijn candidaats-examen en slaagde. Kon echter niet naar 'Indië' terug. Logeerde weer bij vrienden her en der in het land. Leerde in Drente Ali Aten kennen, waarmee hij trouwde. Het is een zeldzaam harmonisch huwelijk geworden. Een soort huwelijksreis brachten ze bij mij in Rockanje door, waar ik toen predikant was. 's Morgens preekte hij daar voor mij, 's avonds nam hij een beurt voor mij in de gereformeerde kerk van Den Briel waar.
Zendingspredikant
Ondertussen was hij doctorandus in de theologie geworden, omdat hij door de oorlog niet meer naar 'Indië' terug kon. Toen dat wel mogelijk was, werd hij eerst als zendingspredikant in Rotterdam bevestigd door prof. dr. J.H. Bavinck, de bekende zendingshoogleraar. Waarover deze preekte, weet ik niet meer. Maar wel waarover 'Dar' – zo noemden we hem – sprak, nl. Rom. 3 : 23 en 24: 'Want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid God en worden om niet gerechtvaardigd uit Zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus'. 'k Herinner mij nog welk gebaar hij maakte, toen hij uitlegde: 'allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods'. Hij zei: Als in het Romeinse stadion twee kampvechters met elkaar streden en één overwon, dan keken allen naar de keizer. Stak die zijn duim naar beneden, dan betekende dat, dat de overwinnaar de overwonnene de doodsteek mocht geven, 'k Zie Dar nog staan, met de duim naar beneden: Zó zijn wij allen schuldig voor God, maar... wij worden gerechtvaardigd door de verlossing in Jezus Christus. Heerlijk. Met dat evangelie wilde hij nu naar Java gaan.
Toen hij daar echter aankwam, wilde men hem liever niet als predikant hebben. Hij was immers doctorandus geworden. Men stuurde hem nu terug naar Nederland om te promoveren. Hij zou dan als Javaanse hoogleraar de Javaanse studenten in Djakarta kunnen onderwijzen. Dar accepteerde dat, hoewel hij liever predikant had willen zijn. Hij heeft toen twee jaar in Baarn gewoond om daar onder leiding van prof. Bavinck een proefschrift te schrijven. In 1957 promoveerde hij dan ook aan de Vrije Universiteit tot doctor in de theologie. Zijn dissertatie draagt tot titel: In de wereld, maar niet van de wereld. Bij de promotie waren verschillende professoren uit Djakarta aanwezig, o.a. een zoon van de bekende Zwitserse theoloog Karl Barth.
In de tijd, dat hij in Baarn woonde, hebben mijn vrouw en ik hem bezocht. Hij heeft in die tijd, de 50-er jaren, een gemeenschappelijke zendingsdienst geleid in de Petruskerk te Woerden.
Als hij later met verlof in Nederland kwam, bezochten mijn vrouw en ik hem steeds. Op een van die laatste bezoeken – 't was ± 1980 – zei hij tegen ons: 'Nu moeten jullie ook eens bij ons komen logeren'. Wij hoorden die uitnodiging beleefd aan, maar dachten: daar komt toch nooit wat van.
Toch is het er van gekomen. In 1983 moest ik nl. aan mijn hart geopereerd worden en verbleef toen 4! maanden in het ziekenhuis. Voor mijn vrouw, die mij minstens 1 maal per dag bezocht, een zware tijd. Toen ik weer thuis was en we aan de koffie zaten, zei ik tegen haar: 'Weet je nog wat Dar ons vroeg, toen hij voor de laatste maal in Holland was?' 'Jawel', zei ze. Toen zei ik: 'Wat zou je er van denken, als we de uitnodiging van Dar en Ali eens gingen aannemen?' Mijn vrouws ogen straalden van vreugde. Ze had vroeger nl. graag als zendingszuster in de verpleging willen gaan, hetzij in de Oost of in de West. En zo hebben we dan in maart 1984 bij Dar en Ali in Salatiga enkele weken gelogeerd.
In Salatiga. Ja, want daar woonden ze toen. Nadat hij op 70-jarige leeftijd nl. emeritus-hoogleraar was geworden, werd hij dáár uiteindelijk toch nog predikant. Iets wat hij, zoals ik schreef eigenlijk altijd had willen zijn. Hij mocht er bovendien nog enkele uren colleges geven aan de christelijke universiteit.
We hebben er gouden dagen beleefd. De dagindeling was als volgt: Van zes tot zeven ontbijt met een huiselijke godsdienstoefening. Ali las het hoofdstuk, aangegeven in het boekje van HWS, daarna hetgeen dat boekje erover schreef. We spraken er even over en Dar ging voor in gebed en ik eindigde met het dankgebed
Daarna gaf Ali aan de baboe, die gewoon huisgenote was, haar opdrachten en was verder geheel disponibel voor Dar als zijn chauffeuse en voor Nies als haar gast. Dar liep namelijk moeilijk, want in zijn studententijd had hij eens lelijk zijn knie ontwricht bij het... schaatsen. In Rockanje (zie boven) kon hij nog uren lopen, maar later viel hem dat steeds moeilijker. Met Nies ging Ali naar de pasar, markt, of we gingen met z'n allen een uitstapje maken, o.a. naar het geweldig boeddhistische bouwwerk de Boroboedoer. Na het ontbijt s, moest Dar ook nog al eens kerkrechtelijke adviezen geven aan afgevaardigden uit de naburige dorpen, die al in de heel vroege morgen gekomen waren en geduldig in de open veranda op hem zaten te wachten. Ik maakte dan eerst flinke wandelingen.
Hoogtepunt
De zondagen waren een hoogtepunt. Dar preekte bijna elke zondag, 's morgens om zeven uur, een dienst waarin speciaal studenten kwamen. Ze arriveerden veel op scooters. Stamp- en stampvolle diensten, in het Maleis. Om negen uur was er weer een stampvolle dienst, ook in het Maleis, 's Middags was er nog een matig bezette Hollandse dienst. Bijna elke kerkganger had een bijbel bij zich, die ijverig werd gebruikt. Na de dienst heb ik meegemaakt, dat een arme Javaan Dar bij zijn auto opwachtte. Hij zei: 'Dominee, ik heb zo'n kiespijn'. Zonder zich een ogenblik te bedenken, gaf Dar hem een rijksdaalder om naar de tandarts te kunnen gaan. Dar was een man van dabar, het evangelie in Woord en Daad. Of de man werkelijk kiespijn had, daar bekommerde hij zich niet om!
O ja, nog één ding. In de huiselijke godsdienstoefening gedacht Dar elke dag de gematigde moslim-overheid. Die trok de moslims wel voor – moskeebouw ging boven kerkbouw – maar onderdrukte de christenheid niet.
Met grote dankbaarheid denken mijn vrouw en ik aan deze gouden weken in Salatiga terug. We merkten ook, dat vele Hollandse zendingsmensen op doorreis in Salatiga bij Dar en Ali logeerden. Hun huis bevatte trouwens ook steeds meerdere Indonesische 'bijwoners', die allen min of meer door hen onderhouden werden.
Zo leefden zij daar dan als christenen in die moslim-wereld, maar niet van die wereld. Denk aan de titel van Dars dissertatie.
Na ons verblijf daar werd Dar ziek. Zo lang mogelijk bleef hij nog werken. Catechisaties geven bijvoorbeeld. 10 december is hij gestorven. Ali hield ons van zijn toestand op de hoogte. Ze kan alles gelovig verwerken. Zij ondervindt veel liefde van de gemeente. Zij is trouwens, tot in haar huidskleur toe, een Javaanse onder de Javanen geworden. Een zeldzaam lieve en toegewijde christin, vrouw, moeder, oma en 'pastoorske'. Aan Dar en haar ging het positief gereformeerde karakter der Javaanse kerken zeer ter harte, zonder enghartig te zijn.
P.S. Waarschijnlijk zal het de lezer interesseren, hoe Dar christen geworden is. Zijn vader was een gematigd moslim en hofmuzikant in het paleis van de sultan. Hij vond het goed, dat zijn leergierige zoon naar de goed bekendstaande christelijke school aldaar ging. Een onderwijzeres vertelde hem daar over Jezus en hij kreeg Hem lief.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juli 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juli 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's