Met blijdschap reizen
Want hij reisde zijn weg met blijdschap.Hand. 8 : 39b
Het is daar op die wagen goed toeven. De kamerling vraagt en Filippus antwoordt. Daar ziet de Moorman water en zegt tegen zijn reisgenoot: 'Ziedaar water, wat verhindert mij gedoopt te worden?' Hij wil openlijk ingelijfd worden bij de gemeente des Heeren. Filippus is echter geen kenner van het hart en de ervaring heeft hem geleerd voorzichtig te zijn. Vandaar dat hij zegt: 'Indien gij van ganser harte gelooft, zo is het geoorloofd.'
Plechtig klinkt dan zijn belijdenis: 'Ik geloof, dat Jezus Christus de Zoon van God is'. En dan doopt Filippus hem. Nu weet hij, dat hij niet alleen het teken heeft ontvangen, maar ook delen mag in de betekenende zaak. Moest hij eerst belijden: Eens was ik een vreemdeling voor God en mijn hart; ik kende geen zonde en voelde geen smart, nu echter kent hij de waarheid zo troostrijk als gewis, dat Christus alleen zijn gerechtigheid is.
Tussen de kamerling en Filippus zijn banden gevallen. Banden, die ook. de dichter van Ps. 119 kende, toen hij zong: 'Ik ben een vriend, ik ben een metgezel van allen, die Uw Naam ootmoedig vrezen'. En Groenewegen, toen hij dichtte: 'zoete banden die mij binden aan het lieve volk van God'.
Aan die banden werd getrokken, toen de kamerling Filippus niet meer zag. De vreugde in de Heere is echter zo groot, dat hij zijn weg met blijdschap reisde. Blijdschap des geloofs. Aan hem wordt vervuld het woord uit Jesaja: 'want in blijdschap zult gij uittrekken en met vrede voortgeleid worden'.
Deze blijdschap wordt niet gemaakt, maar geboren. Geboren in de weg der ontdekking, als Gods kinderen hun schuld leren inleven en belijden, maar ook in deze weg Christus hun door het geloof als Borg en Middelaar geschonken wordt. Deze blijdschap vervult ook het hart van de kamerling.
Ziet, daar zit hij op zijn wagen en leest verder in de boekrol van Jesaja: 'want bergen zullen wijken en heuvelen wankelen, maar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de Heere uw Ontfermer.'
Hij reisde zijn weg met blijdschap.
Hij gaat weer terug naar zijn land, waar hij aan het hof zijn werk hervat. Hij zal het wellicht niet gemakkelijk gehad hebben. Belijder en getuige zijn van Christus in een heidense omgeving aan een schitterend hof kost vaak strijd. En dan ook nog bestreden worden door vele vijanden van buiten en van binnen: wereld, duivel, zonde en eigen vlees. Dan zal zijn blijdschap wel eens verdrongen zijn door angst en vrees. Dit alles is voor Gods kinderen geen vreemde zaak. Zij komen immers allen uit de grote verdrukking. De Heere heeft ze geen kalme reis beloofd. Ze reizen langs wegen van bloed en tranen, van hoon en spot, van smaad en ellende. Maar ze mogen ervaren, dat de Heere met hen is en hen bemoedigt: 'Vreest niet, Ik ben met u al de dagen van uw leven'. Zo reizen ze voort naar het Jeruzalem, dat Boven is. Daar zal God alle tranen van hun ogen afwissen en daar zullen ze ten volle het woord verstaan, dat ook in Jesaja's boekrol staat geschreven: 'En de vrijgekochten des Heeren zullen wederkeren en tot Sion komen met gejuich en eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen; vrolijkheid en blijdschap zullen zij verkrijgen, maar droefenis en zuchting zullen wegvlieden'. Dan zal hun blijdschap onbepaald, door 't licht, dat van Zijn Aanschijn straalt, ten hoogste toppunt stijgen.
Waar gaat onze reis heen? Zullen wij ook eenmaal komen, waar de levensstroom ontspringt en aan d'altoos groene zomen, Christus' kerk haar Hallel zingt? Of zal onze plaats zijn, waar geen blijdschap heerst, maar eeuwige wroeging? We moeten bekeerd worden evenals de Moorman. Val Hem dan nog te voet, roep Hem aan en smeek: 'Och Heere, och wierd mijn ziel door U gered.' Dan zult u ook ervaren, wat de dichter verder zong: 'toen hoorde God'. En allen, die God vrezen, bewonder maar veel de wegen des Heeren, Die u uit de duisternis trok tot Zijn wonderbaar licht. Dat u maar veel de blijdschap des geloofs mag ervaren, die ook de kamerling bezat. 'Ja, verblijdt u in de Heere te allen tijd; wederom zeg ik: verblijdt u'. Allen, die uit de stad Verderf op reis zijn naar het nieuwe Jeruzalem, zullen dan wel eens vol heilig verlangen zingen:
Nu reis ik getroost onder 't heiligend kruis
naar 't erfgoed daar boven in 't Vaderlijk huis.
Mijn Jezus geleidt mij door d'aardse woestijn,
'Gestorven voor mij' zal mijn zwanenlied zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juli 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juli 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's