De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Boekbespreking

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Boekbespreking

5 minuten leestijd

Ken-U-Zelf, godsdienst en zelfbewustzijn, redactie F. Bange en A.J. Jelsma, serie Binnenkant, Meinema Zoetermeer, 112 pag. ing. ƒ 24,50.
In dit boek, zo vermeldt de achterkant, staat de beweging van de Moderne Devotie model voor de mens van toen. Onze eigen tijd, waarin zelfontplooiing en zelfverwerkelijking sleutelwoorden zijn, vormt het contrapunt. De verschillende bijdragen zijn neerslag van lezingen gehouden tijdens het derde symposium van de werkgroep Windesheim 600+. Prof. Jelsma schrijft over zelfonderzoek en religie, mevr. Bange over het zelf in de spiegel aan de hand van laatmiddeleeuwse didactische tractaten, wijlen dr. Okke Jager over spirituele zelfontwikkeling als cultureel verschijnsel, prof. Vekeman uit Keulen over affectieve communicatie en religieuze ontwikkeling, dr. Zijlstra, velen bekend van de klinische pastorale vorming, over vormen van neurotische pervertering van religieuze ervaring, de franciscaner hoogleraar Zweerman over de spiritualiteit van Franciscus van Assisi, de emeritus hoogleraar godsdienstpsychologie uit Nijmegen Berger over de wederkerigheid in de relatie tussen zelfbeeld en Godsbeeld, en tenslotte prof. Graafland over de Gods- en zelfkennis in de eerste paragrafen van Calvijns Institutie.
Er staan in dit boekje zeer onbegrijpelijke stukken en ook zeer behartenswaardige, zoals dat van Vekeman. Alleen begrijp ik de relatie tot de Moderne Devotie niet. En toch ook weer wel. Er bestaat een soort hermeneutiek t.o.v. de geschriften der broeders des gemenen levens, die de indruk wekt, dat zij op een indringende wijze zich door meditatie, contemplatie, oefening, ascese en mortificatie met de geheimen van het zelf van de mens hebben beziggehouden. Ik hoop dat de schrijvers het mij niet euvel duiden, maar dit is een pertinent misverstand. Geert Groote heeft – aanwijsbaar – zich van elke reflectie op het zelf verre gehouden en er zijn broeders en zusters hevig voor gewaarschuwd. Ernstiger is nog dat een heel andere bron tot verstaan ook van de spirituele en mystieke affecten van de Devoten wordt vergeten: dat was een heel speciale gebruikmaking van de Heilige Schrift, waar De Bruin en Zieleman op hebben gewezen. Dit alles neemt niet weg, dat er over de relatie tussen godsdienst en zelfoewustzijn hele behartenswaardige dingen in dit boekje staan, waar we dankbaar voor kunnen zijn. Maar de relatie tussen de veertiende en vijftiende eeuw enerzijds en onze tijd anderzijds ligt te ingewikkeld dan dat men zomaar even kan overspringen, zoals soms in dit boekje gedaan wordt. Men doet dan de Moderne Devoten onrecht.

Karel Deurloo, De vader van het landvolk, exegetische vertelsels over Abraham, 137 blz., ƒ 24,50, uitgeverij Ten Have b.v., Baarn, 1992.
Het waardevolle van dit boek ligt m.i. in de concordante vertaling van Gen. 11 : 27-25 : 18. Dat wil zeggen: dezelfde woordstammen uit de Hebreeuwse tekst worden zoveel mogelijk weergegeven met dezelfde woordstammen in het Nederlands. Zo keert b.v. in deze hoofdstukken telkens het werkwoord 'zien' terug. Abram moet gaan naar het land dat God hem 'zal laten zien', 12 : 1. Vandaar ook het gezegde: Op de berg van de HEERE 'zal gezien worden', 22 : 14. Immers God 'zal zien' naar het lam ten brandoffer, 22 : 8. 'Mamre' en 'Moria' kan men vertalen met 'Zicht'. Dit is de eerste versie van een nieuwe vertaling, waaraan gewerkt wordt door de Societas Hebraica Amstelodamensis. Speciaal voor hun studie van het Hebreeuws kan ik onze studenten het raadplegen van deze vertaling hartelijk aanbevelen.
Bij de uitleg volgt de schrijver het spoor dat door F. Breukelman uiteengezet is in het pas verschenen derde deel van zijn Bijbelse theologie. Dat komt in het kort hierop neer. Genesis 1-4 moet men lezen als een terugblik op de aartsvaderverhalen. De aartsvaderverhalen geven op hun beurt weer een terugblik op de uittocht uit Egypte en de verbondssluiting op de Sinaï. Deze verhalen weerspiegelen de ideeën van de Joden uit de periode van de ballingschap. Hun gedachten cirkelen om het 'land' en het 'volk'. Zij zijn 'dus primair het 'landvolk'. Daarom kan het geloof van Abraham primair geïnterpreteerd worden vanuit de Psalmen (26). In dit kader staan dan de 'exegetische vertelsels'.
Men zou het Oude Testament dus eigenlijk van achteren naar voren moeten lezen. Gen. 15 : 13-16 bevat de 'kerngeschiedenis' van het volk. Het is een vaticinium ex eventu, d.i. een geschiedverhaal dat'ons verteld wordt in de vorm van een toekomstvoorspelling (132). Zo ontstaat echter een heel ander beeld van de bijbelse geschiedenis – en daarmee verbonden ook van de bijbelse boodschap – dan de onbevangen lezer vermoedt.
Voor een goed verstaan van de Bijbel moeten wij beginnen bij het begin. 'In den beginne' was niet Israël maar God. Hij schiep de hemel en de aarde. Met name in het Nieuwe Testament worden wij terugverwezen naar dit begin. Christus is niet de eerste Adam maar de tweede. Van de Heere Jezus Zelf wordt verteld: En begonnen hebbende van Mozes (dat zijn de vijf boeken van Mozes, waarvan het boek Genesis het eerste is) en van al de profeten (die beginnen met de 'vroegere' profeten, waarvan het boek Jozua het eerste is) legt Hij hun uit in al de Schriften, hetgeen van Hem geschreven was, Luc. 24 : 27. Er zijn nog meer vragen te stellen. Bijvoorbeeld: als de Joden – die benaming moet men toch wel gebruiken als men de Abraham-verhalen situeert in de ballingschap – waar blijft dan Israël? Beide aanduidingen zijn toch niet identiek? En welke plaats ontvangen wij, christenen uit de goyim?
Het boek is geschreven in een voortreffelijke stijl. De schrijver ontdekt steeds weer verrassende combinaties. In Gen. 14 zegent Melchizedek Abram in de naam van God, de Allerhoogste, de Stichter van hemel en aarde. Wat die zegen inhoudt, wordt duidelijk in het volgende hoofdstuk. Abram moet de sterren maar eens gaan tellen. 'Zoals de immense sterrenmacht staat uitgezaaid aan de hemel, zo zal Abrams zaad zijn' (30).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juli 1992

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Boekbespreking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juli 1992

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's