Een christen is conservatief
Horen en bewaren
De woorden 'horen' en 'bewaren' komen in deze onderlinge samenhang voor in Openbaring 1 : 3: 'Zalig is hij, die leest, en zijn zij, die horen de woorden dezer profetie, en die bewaren hetgeen in dezelve geschreven is; want de tijd is nabij'. Deze woorden vormen het begin van het boek Openbaring. Als het waar is, dat de apostel Johannes de schrijver is, moeten we ons voorstellen, dat Johannes zijn visioenen zag tegen het eind van de regering van de Romeinse keizer Domitianus, dat wil zeggen tussen 90 en 95 na Christus. Zo zegt het de kerkvader Ireneüs. Juist keizer Domitianus stelde nadrukkelijk, dat hij een God op aarde was. Moet in dat licht Openbaring 13 worden gelezen?
Als zodanig rijst dan de vraag, wat de juiste uitleg is van het boek Openbaring. De hoofdstukken 2 en 3 zijn dan nog het meest 'eenvoudig'. Daar lezen we van de verhoogde Christus, die wandelt temidden van de zeven gouden kandelaren en die zijn gemeenten, de zeven gemeenten van Klein-Azië, vermaant en vertroost. Maar hoe moeten de visioenen uit de hoofdstukken 4 tot 22 worden uitgelegd? Moeten ze kerkhistorisch worden geduid en zijn het dan de machten, die in de kerkgeschiedenis een plaats hebben gehad? Of geeft het boek Openbaring een blauwdruk van de toekomst, met alle speculatieve mogelijkheden vandien? Of is datgene, wat in Openbaring wordt voorzegd, méérvoudig toepasbaar, dat wil zeggen voor alle tijden? In ieder geval is een algemene gedachte, dat het boek Openbaring ons het profetisch perspectief van Gods handelen in verleden, heden en toekomst geeft. Daarvoor is ook veel te zeggen, vooral als we bedenken, dat sinds de aankondiging van Johannes ongeveer twintig eeuwen zijn verstreken. Als het dan gaat om de dingen, die 'haast geschieden moeten', dan heeft sindsdien immers de hele geschiedenis al haast gehad; haast naar de toekomst des Heeren, die ligt tussen Pinksteren en Wederkomst. Want, aldus drs. J.J. de Heer in 'Tekst voor tekst': 'God werkt snel heen naar de voltooiing van Zijn werk'. Deze waarheid blijft bestaan ook al kunnen voor ons menselijk gevoel de tijdsruimten lang worden.
Heel de Schrift
Lezen we nu de woorden 'horen' en 'bewaren' in het begin van het boek Openbaring, dan slaan deze woorden op de profetie zoals die vòlgt in het Openbaringboek, dus op de vermaning en de vertroosting van de gemeenten en op de visioenen, die Johannes tekent. Maar tegelijkertijd is het boek Openbaring ook het afsluitende boek van Gods hele openbaring. 'En indien iemand afdoet van de woorden des boeks, dezer profetie. God zal zijn deel afdoen uit het Boek des levens', lezen we aan het slot van het boek Openbaring (22 : 19). Dat woord mag dan alleréérst slaan op het boek Openbaring zelf, het slaat toch óók op de ganse Godsopenbaring. Daarom gaat het om het horen en bewaren van àlle woorden in de Schrift.
Welnu de woorden horen en bewaren komen dan ook vele malen in allerlei delen van de Schriften voor, ook in een nauwe samenhang. Eén ding is daarbij duidelijk: horen is niet zonder meer een horen met de oren. Dat kan betekenen: het éne oor in en het àndere oor uit! Maar horen is altijd het horen van de Stem en dan horen met het hart. 'Zo gij Zijn stem dan heden hoort, gelooft Zijn heil- en troostrijk Woord; Verhardt u niet, maar laat u leiden.' En, zegt het boek Openbaring zelf: 'Wie ore heeft om te horen, die hore'.
Horen is in de Schrift een horen met verwondering in het hart. Horen is tegelijkertijd ter harte nemen. Horen ook met verslagenheid, in verootmoediging.
Wat is gelóven anders, dan horen met het hart? Horen is in de Schrift dan ook altijd een persóónlijk horen; 'Ik heb het zelf uit Zijn mond gehoord'. En van de apostelen lezen we, dat zij oog- en oorgetuigen zijn geweest van het hoogheilig evangelie.
Hetzelfde geldt van het woord bewaren. Bewaren is ook altijd een zaak van het hart. Maria bewaarde de woorden van de herders en van de engelen, overleggende die in haar hart. In Lucas 8 : 15 lezen we, dat een goede zaak wordt bewaard in een eerlijk en goed hart. Vooral in het evangelie van Johannes worden bovendien de woorden en gebóden van God nogal eens nauw op elkaar betrokken. Maar ook dan gaat het er altijd om, dat ze in het hart worden bewaard.
In de brieven van de apostel Johannes valt in dat verband ook het woord 'liefde' (1 Johannes 2 : 5): 'Maar zo wie Zijn Woord bewaart, in dien is waarlijk de liefde Gods volmaakt geworden'. En 1 Johannes 5 : 2: 'Hieraan kennen wij, dat wij de kinderen Gods liefhebben wanneer wij God lief hebben en Zijn geboden bewaren'.
Kortom horen en bewaren hebben te maken met het in-werk van de Heilige Geest en zo ook met de liefde Gods, die in de harten van de Zijnen is uitgestort en die noopt tot wederliefde. Het bewáren van de geboden Gods komt dan voornamelijk tot uitdrukking in het dóén ook van de geboden.
Via de prediking
Als we dan de vraag stellen, hóé mensen gaan horen, dat wil zeggen gaan òphoren en horen met het hárt, dan komen we terecht bij Romeinen 10 : 14, 15: 'Hoe zullen zij dan Hem aanroepen, in Welken zij niet geloofd hebben? En hoe zullen zij in Hem geloven, van Welken zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij horen, zonder die hun predikt? En hoe zullen zij prediken, indien zij niet gezonden worden? Gelijk geschreven is: Hoe liefelijk zijn de voeten dergenen, die vrede verkondigen, dergenen, die het goede verkondigen'.
Hier komen we bij het onopgeefbare van de prediking; 'die u hoort, hoort Mij en die u verwerpt, verwerpt Mij', zegt Christus. Maar Paulus, staande in de apostolische volmacht, mag zo ook heel vermetel zeggen: 'Voorts broeders ik maak u bekend het Evangelie, dat ik u verkondigd heb, hetwelk gij ook aangenomen hebt, in hetwelk gij ook staat, door hetwelk gij ook zalig wordt indien gij het behoudt op zodanige wijze, als ik het u verkondigd heb, tenzij dan dat gij tevergeefs geloofd hebt' (1 Kor 15 : 1, 2).
Hier is Paulus een gevolmachtigde van Christuswege, vanwege de opstanding van Christus, omdat hij de Opgestane mocht ontmoeten op de weg van Damascus. Maar Paulus stáát ook in de volmacht van de Heilige Geest. De Heilige Geest doet pas ècht horen. Daarom lezen we steeds in het boek Openbaring: 'Hoor wat de Geest tot de gemeente zegt'. Christus zegt: 'wanneer de Geest der Waarheid zal gekomen zijn, Hij zal u in alle waarheid leiden, want Hij zal van Zichzelf niet spreken, maar zo wat Hij gehóórd zal hebben, dat zal Hij spreken en de toekomende dingen, zal Hij u verkondigen, die zal Mij verheerlijken, want Hij zal het uit het Mijne nemen en zal het u verkondigen. Al wat de Vader heeft is het Mijne. Daarom heb ik gezegd, dat Hij het uit het Mijne zal nemen en u verkondigen' (Joh. 16 : 13).
Welnu in de prediking stellen de Vader, de Zoon en de Heilige Geest samen in een verleende volmacht. De Geest neemt het uit Christus 'en al wat de Vader heeft', zegt Christus 'is Mijn'. De woorden, die gesproken worden in de prediking, zijn dan ook niet woorden, die de menselijke wijsheid leert, maar woorden die de Heilige Geest leert; 'geestelijke dingen met geestelijke samenvoegende' (1 Kor. 2 : 13).
Boodschappers
Altijd weer is het een zaak van grote verwondering, dat de Heere God door de grenzen van Israël heen wilde breken, na de uitstorting van de Heilige Geest. Beginnende van Jeruzalem deed Hij het heil naar de einden der aarde komen. De Dordtse Leerregels zeggen, dat, aangezien alle mensen in Adam gezondigd hebben, God niemand ongelijk zou hebben gedaan als hij het ganse menselijke geslacht in de zonde en vervloeking had willen laten. 'Maar hierin is de liefde van God geopenbaard, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon in de wereld heeft gezonden, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verderve maar het eeuwige leven hebbe'.
En, wordt dan gezegd, 'opdat de mensen tot het geloof worden gebracht zendt Gods goedertierenlijk verkondigers van deze zeer blijde boodschap, tot wie Hij wil en wanneer Hij wil'. Het is de belofte van het Evangelie, dat ieder die in de gekruiste Christus gelooft, niet verderve maar het eeuwige leven hebbe. Het is een belofte voor alle volken en alle mensen tot welke God naar Zijn welbehagen Zijn Evangelie zendt.
De prediking nu gaat gepaard met de opdracht van bekering en geloof. Alleen langs de weg van de bekering, van het wederbarende werk van de Heilige Geest gaan mensen met het hart hóren en de woorden Gods in het hart bewáren. Dat gaat altijd via de beslissende en besliste keuze op leven en dood. 'Leven en dood heb ik u voorgesteld', zegt Mozes tot het volk. 'Zegen en vloek; kies dan het leven opdat gij leeft, gij en uw zaad' (Deut. 30 : 19). En niemand hoeft naar de hemel op te stijgen, om daar de woorden Gods te halen, of hoeft de zee er voor over te steken om het daar te halen. 'Want dit Woord is zeer nabij u, in uw mond en uw hart, om dat te doen' (Deut. 30:14).
Tot diezelfde keuze hebben profeten opgeroepen en evangelisten en apostelen.
Tot diezelfde keuze, de keuze van het smalle pad, wekt de prediking, als het goed is, immer wéér op. Zo gaan mensen horen, woorden horen, die nodig zijn om getroost te leven en zalig te sterven. Predikers moeten dan zelf ook eerst de woorden van de Heilige Geest hebben gehoord en gezien. In 1 Johannes 1 : 1-5 lezen we: 'dat wat van den beginne was, hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen wij gezien hebben met onze ogen, hetgeen wij aanschouwd hebben en onze handen getast hebben van het Woord des levens, dat verkondigen wij u'. En Johannes zegt aan het eind van zijn evangelie: 'deze is de apostel, die van deze dingen getuigt en van deze dingen geschreven heeft en we weten, dat zijn getuigenis waarachtig is' (Joh. 21 : 24). Hij is getuige geweest van kruis en opstanding. De opgestane Christus heeft zich ook aan hem geopenbaard. En zo komen mensen ook tot leven als ze in hun verlorenheid vanuit de prediking worden geconfronteerd met de opgestane Christus. Dan pas gaan we verstaan wat het zeggen wil, 'ik heb God gezien aangezicht tot Aangezicht en mijn ziel is gered geweest'.
Prediking, het is vaker gezegd, geschiedt zelfs op de hoogten van de heilsfeiten. 'Buiten alle twijfel, de verborgenheid van de godzaligheid is groot. God is geopenbaard in het vlees, is gerechtvaardigd in de Geest, is gezien van de engelen, is gepredikt onder de heidenen, is geloofd in de wereld, is opgenomen in heerlijkheid' (1 Tim. 3 : 16).
Prediking is altijd weer actueel, de tijden omvattend, op de hoogten van Gods tijden.
Persoonlijk
Wanneer de apostelen uitgezonden worden ontvangen ze de boodschap: 'Gaat dan heen, onderwijst alle volken, ze dopende in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest en lerende hen onderhouden al wat ik u geboden heb'. Zo hebben in de loop der tijden mensen persóónlijk gehoord, òpgehoord. Ze hebben altijd weer het Woord ontvangen in hun eigen persoonlijke existentie, omdat elk mens uniek is. God gaat met elk mens Zijn unieke gang, náár de weg en òp de weg, die Christus is. Jezus sprak een zondares, aldus ds. L. Blok, heel anders aan dan de blinde leidslieden; Nicodemus anders dan de loslevende Samaritaanse vrouw; de weg met Lydia was een andere dan de weg met Saulus. En Paulus heeft in zijn verschillende brieven een heel verschillende wijze van benaderen van verschillende mensen. Niet één sleutel, aldus ds. Blok, past op alle sloten. Niet één preektrant is voor alle en in alle omstandigheden de juiste, de alleen zaligmakende.
Maar er is toepassing nodig. Augustinus zei: 'Wij kunnen u vermanen door het geluid van onze stem, maar als er binnen u niet iemand is, die u leert, blijft ons geluid tevergeefs. Luistert gij niet allen naar dezelfde preek en hoevelen gaan straks weg zonder iets geleerd te hebben? Ik heb naar mijn deel tot allen gesproken, maar degene, die de innerlijke zalving niet leert, die de Heilige Geest niet leert, gaat ongeleerd hier vandaan. Het onderricht van buitenaf is een zeker hulpmiddel en een opwekking, maar Die de harten leert heeft Zijn leerstoel in de hemel'.
Het ganse Woord
Intussen gaat het erom, dat we in het leven van het geloof, het ganse Woord van God, dat wil zeggen, die ganse veelsoortigheid van woorden horen en bewaren. Geen enkel mens kan alle Schriftwoorden volledig in zijn geloof integreren. Maar het gaat erom, dat niet alleen de echt geestelijke woorden worden gehoord en bewaard. Het Woord bevat ook tal van zaken, die het gewone leven raken.
Het gaat ook over Gods schepping.
Het gaat ook over het feit, dat Christus over de krachten en de machten in de wereld heeft getriomfeerd en dat die Hem onderdanig zijn geworden.
Jezus heeft ook genezingen gedaan en gezegd: 'Opdat Gij weet, dat de Zoon des mensen de macht heeft zonden te vergeven, sta op en wandel'.
We horen uit het Woord Gods ook de geboden, want juist ook die geboden moeten in het hart worden bewaard.
We horen in de Bijbel spreuken van levenswijsheid.
We mogen de tijden doorschouwen bij het licht van Prediker en het boek Openbaring of het boek Daniël.
We mogen horen wat liefde is uit het Hooglied.
We worden in de Profeten geconfronteerd met de torenbouwers van de wereld, de machtenbouwers van de dynastieën.
We vinden de oproep om recht en gerechtigheid te oefenen, zowel bij profeten en psalmisten als in de Bergrede en bij Jacobus.
We horen de concretisering van de zonde in de roes van Noach en de moord op David.
We mogen horen, dat we het leven mogen genieten met de vrouw, die we liefhebben.
Het gaat in de Schrift ook om de waardering van de arbeid. Daarom zullen predikers hun oor te luisteren leggen bij het veelkleurig geheel van bijbelwoorden. Om van daaruit de weg van de Geest te zoeken naar het hart van de mens, opdat de horende mens de woorden in het hart leert horen en ze dáár bewaren. De boodschap van het heil zoekt een weg naar het hart maar zoekt ook vanuit het hart een weg naar het leven.
Tweeërlei horen
Intussen is het duidelijk, dat prediking altijd weer tot een beslissing brengt. Christus is gezet tot een val en opstanding van velen in Israël. Het Woord van God is een reuke des doods ten dode en een reuke des levens ten leven. We lezen de vermaning, dat we ons niet zullen verharden onder de prediking. En die mogelijkheid is zeer reëel. De discipelen bleven tenslotte alléén over, nadat Jezus de 5.000 mensen gespijzigd had, die Hem uiteindelijk alleen wilden volgen om de tekenen, die Hij deed. Toen Hij ging vertellen wat het wèrkelijke doel van Zijn komst was, droop de één na de ander af. En Christus zei: 'Wilt gij ook niet heengaan'? De mensen zeiden: 'Deze rede is hard, wie kan ze horen'. Maar Petrus zei: 'Gij hebt de woorden van het eeuwige leven'. Tot wie zullen we nu eigenlijk anders heen moeten gaan?
En tenslotte: een bijbelgetrouw christen is een conservatief mens. Het woord 'bewaren' stamt van conservare, conserveren. Maar het bewaren geschiedt niet in een zweetdoek of in een zoutvat. We hebben het profetische Woord, dat zeer vast is, en we doen wel, daarop acht te geven. De woorden dalen in het hart maar moeten niet in het hart blijven. Vanuit het hart zijn de uitgangen van het leven. Het moet eruit! Naar het gezin, naar de omgeving, naar de wereld, naar de politiek. Het zout moet in de spijs en het gist moet in het meel. 'Gij zult mijn getuigen zijn.'
Zalig dan ook, die de woorden van God hóórt, ze bewáárt èn ze dóét!
Samenvatting referaat gehouden voor het Reformatorisch Interkerkelijk Beraad te Glimmen d.d. 17 januari 1992.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juli 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juli 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's