De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het verbond (3)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het verbond (3)

10 minuten leestijd

Een vorige keer rondde ik het tweede artikel af door te schrijven dat de kerk wellicht niet de beste papieren heeft, doch wel de oudste papieren.
Zo'n zin zou misverstand kunnen veroorzaken. Ik bedoelde daarmee, dat de kerk niet altijd heeft laten zien dat zij kerk is, maar dat haar wel de oudste papieren zijn toevertrouwd nl. de Schrift. Vanuit het Woord Gods is het de kerk bekend, dat men door de doop in het verbond wordt opgenomen. In dat verbond is alles begrepen. Ook de gave van de Heilige Geest. De ontvangst daarvan vereist geen aparte doop. Wanneer tot Israël en daarmee tot de kerk wordt gezegd: 'U zijn de woorden Gods toevertrouwd', dan houdt dit in al de woorden Gods, al de beloften Gods.
Uit het bovenstaande zal duidelijk zijn, dat men via de doop de kerk wordt ingelijfd. En dat dit een eenmalig gebeuren is. Het behoeft later niet herhaald te worden. Er is geen andere doop dan die het genadeverbond betekent en vergezelt.

Kinderdoop
De kinderdoop wordt steeds meer bestreden. Niet alleen van buiten, maar ook in de kerk. Van Karl Barth is ons bekend dat hij pleitte voor de volwassendoop. Hij was meer geporteerd voor een belijdeniskerk dan voor een volkskerk. Blijkbaar had hij slechte ervaringen, met een volkskerk opgedaan. Daarom verlangde hij dat men eerst bewust belijdenis deed en direkt daarna de doop ontving.
Ik sluit niet uit dat Barth in wat hij zag in de kerk zó heeft moeten spreken. Intussen deel ik zijn opvatting dienaangaande niet, omdat een belijdeniskerk en een volkskerk geen tegenstelling behoeven te zijn. Een belijdeniskerk kan een volkskerk zijn en het omgekeerde kan evenzeer. Bovendien kan men denken over de kerkorde van 1951 als men wil, toch heeft men in die kerkorde onder woorden willen brengen dat de volkskerk een belijdeniskerk is. Anders gezegd: de kerk voor het volk heeft een belijdenis. Helaas komt dit niet altijd tot uiting, maar het gegeven is er wel. De kerk kan op haar belijdenis aangesproken worden.
Echter, men kan ook nog om een andere oorzaak tegen de kinderdoop zijn. Uit biblicistische overwegingen kiest men dan daartegen. De redenering is als volgt: in het gehele Nieuwe Testament is er niets te vinden dat voor de kinderdoop pleit. Wanneer derhalve deze doop wordt gepraktizeerd is zij onwettig.
Let wel: dit alles wordt ons niet voorgehouden door mensen die aan de periferie (de omtrek) van de kerk meeleven, doch door bijbelgetrouwe christenen van wie er velen een plaats in de kerk hebben, maar van wie er nog meer (ik denk aan de Nederlandse situatie) een plek hebben in een evangelische groepering.
Wat van dit alles te zeggen? Ik denk dat zowel Barth als de bijbelgetrouwe christenen twee dingen uit het oog verliezen. Ten eerste wil men blijkbaar de eenheid van de Schrift en van het genadeverbond niet aanvaarden. In het ongunstigste geval stelt men het Nieuwe Testament hoger dan het Oude Testament. Dat is bepaald niet in de lijn van A.A. van Ruler die leerde dat het Nieuwe Testament een aanvullend woordenboek is op het Oude Testament. In de lijn van Kohlbrugge wilde hij daarmee zeggen, dat het Nieuwe Testament ons het Oude Verbond verklaart. Maar hoe het ook zij: zowel Kohlbrugge als Van Ruler hebben sterk vastgehouden aan de eenheid van de Schrift alsmede aan de continuïteit die daarin is te vinden én aan te wijzen.
't Is naar mijn mening levensgevaarlijk voor de kerk als men over discontinuïteit in de Schrift gaat spreken. Dat kan verschrikkelijke gevolgen hebben zoals voorheen in het Nazi-Duitsland.
Maar er is ook nog een andere reden waarvan ik zeg, dat zowel K. Barth als de bijbelgetrouwen op een verkeerd spoor zitten in het afwijzen van de kinderdoop. Blijkbaar heeft men meer vertrouwen in eigen geloofsbeslissing dan in Gods getuigenis. Ik zeg niet dat dit altijd het geval is, maar het tendeert enigszins naar Arminianisme. Enige vrije wil in die geloofsbeslissing kan ons mensen blijkbaar niet ontzegd worden.

'k Wil het graag anders stellen. Niet onze geloofsbeslissing is het voornaamste. Trouwens, wat houdt onze geloofsbeslissing nu helemaal in? Neen, niet ons ja tegenover de Heere is het voornaamste, maar Zijn ja tegenover ons. Niet onze keuze voor Hem, doch Zijn keuze voor ons. Niet wij zijn de eerste, maar God is de eerste. En waar komt dit beter uit dan in de kinderdoop dat de Heere de eerste is?
In tegenstelling tot K. Barth en de biblicisten die in hun doop willen aflezen wie zij zijn voor God, wil ik dit uitdrukkelijk stellen, dat de doop geen teken en zegel is van òns geloof, ònze bekering, ònze wedergeboorte, maar teken en zegel van de liefde Gods, die tot óns komt als wij van deze dingen nog niets verstaan, krachtens het Verbond, dat God met het geheel van Zijn Kerk op aarde gesloten heeft.
Voor de kinderdoop pleit dus heel veel. J. van Sliedregt zegt daarvan nog dit: 'God heeft in Zijn genadeverbond ook de kinderen der gelovigen opgenomen. Hij sprak immers tot Abraham: "Ik ben uw God en de God van uw zaad". Naar de vorm mag sinds de komst van Christus de bediening van het genadeverbond veranderd zijn, maar naar de inhoud beslist niet. Het Nieuwe Testament trekt de lijn van het Oude gewoon door. Ook nu geldt: "U komt de belofte toe en uw kinderen" (Handelingen 2 : 39).
Zo zijn de kinderen der gemeente verbondskinderen van de geboorte af en moeten daarom het teken en zegel van het verbond ontvangen. Daarin wordt aan hen nog weer verzekerd de rijke toezeggingen, waaronder zij leven. Maar ook wordt aan hen voorgesteld de verbondswraak, indien zij zich in onbekeerlijkheid handhaven' (Naar Schrift en Belijdenis, les 38, pag. 73). Zelf wil ik er nog op wijzen, dat wij in het Nieuwe Testament lezen dat hele gezinnen werden gedoopt. 't Is niet te denken dat er onder hen géén kinderen waren. Vanuit de verbondsgedachte is de kinderdoop geheel en al aanvaardbaar. Maar vooral... God is de eerste.

Hoe ruim is het doophuis?
Ik kom nu tot een heel praktische vraag nl. òf een kerkeraad de doop aan een kind mag weigeren. In vrijwel iedere gemeente komt het wel voor, dat er ouders de doop voor hun kind 'begeren', doch van wie de kerkeraad eigenlijk van tevoren al weet dat er van een godzalige opvoeding van het kind weinig terecht komt. De ouders laten dat helaas in hun levenswandel zien. In plaats van naar de kerk, gaan zij op zondag naar het strand. Zij hebben een godsdienst op vier wielen. De kerk is aanwezig bij hun doop (de kinderwagen), bij hun trouwen (de trouwauto òf de trouwkoets), bij hun begrafenis (de lijkauto).
Erg veel heeft de kerk en de gemeente niet aan deze ouders. De vraag beantwoorden òf de Heere iets aan deze ouders heeft, durf ik niet. Doch ik vrees...
Echter... wat moet een kerkeraad met deze ouders doen? Hun kind dopen òf niet? Alvorens ik hier een antwoord op probeer te geven, wil ik toch eerst stellen, dat kerkeraden blij mogen zijn als ook ouders die de kerk meer van buiten dan van binnen zien de doop voor hun kind aanvragen.
Wellicht zijn er ambtsdragers die vreemd opkijken, toch blijf ik er bij dat het nog een wonder is dat zij op de weg van ons als ambtsdragers worden gezet.
Hoevelen die aan de rand van de kerk leven òf zelfs niet meer aan de rand te ontdekken zijn verlangen niets meer van de kerk: geen doop, geen huwelijksinzegening, geen rouwdienst. Zij hebben de kerk en daarmee God volledig afgeschreven, 'k Weet wel: kerk en God vallen niet samen, doch voor hen die de kerk de rug hebben toegekeerd wel. Met name in 't evangelisatiewerk is dat goed merkbaar.
Dus wanneer onkerkelijke ouders de doop voor hun kind begeren, moeten de ambtsdragers zich niet afvragen: wat moeten wij hiermee aan? Kunnen wij weigeren? Neen, zij moeten eerst zoeken naar de motieven waarom ouders hun kind willen laten dopen.
Die motieven kunnen van nul en generlei waarde zijn, maar dat behoeft niet altijd het geval te zijn. Soms kan een motief – al is het dat men laat dopen, omdat opa of oma dat graag wil – een aanknopingspunt zijn voor een verder gesprek.
Maar als er nu helemaal geen motief is, geen aanknopingspunt? Moet men dan alles maar dopen wat in het doophuis komt? Soms is het raadzaam om de doop even uit te stellen. Er is dan wat meer tijd voor pastorale gesprekken.
Echter... dat uitstellen heeft niet altijd veel nut. Soms willen ouders dat niet eens'. 't Is meer dan eens voorgekomen dat ouders die geen uitstel wilden een doopconcent vroegen en hun kind in een deelgemeente òf in een wijkgemeente van een andere modaliteit lieten dopen. Helaas bestaat die mogelijkheid. Het behoort onder andere tot de nood van de kerk dat dit mogelijk is. 't Houdt intussen wel dit in dat men die ouders kwijt is. Als kerkeraad heeft men geen mogelijkheden meer tot een pastoraal gesprek. Dat wil zeggen: men heeft bij hen geen toegang meer om ze in alle liefde en in alle ernst de Schrift voor te houden.
Daarom: men móet goed weten als kerkeraden wat men doet door aan een kind de doop te weigeren. Wij moeten ook niet altijd alle accent willen leggen op het heilig houden van het sacrament. Alsof wij dit als kerkeraden zouden moeten doen. Dat heilig houden van de doop ligt voor een deel ook op de schouders van de ouders. Nooit of te nimmer kunnen kerkeraden dit voor de volle honderd procent op zich nemen. Maar bij dit alles komt nog een ander punt. Mag men het kind de inlijving in de kerk onthouden, omdat de ouders weinig of helemaal niet meeleven?
Opvallend is dat in het huis van Abraham een ieder besneden moest worden. Onder hen waren ook knechten met kinderen. Zouden die knechten werkelijk allemaal Abrahams God in waarheid gediend hebben? Toch werden zij en hun zaad besneden, 'k Wil ermee zeggen, dat het verbond met Abraham, Gods vriend, ruim is.
Uit de tijd van de nadere reformatie is ons bekend dat de dooppraktijk doorgaans vrij ruim was. Van à Brakel zegt men wel, dat hij gezegd heeft dat alles wat in het doophuis zich aandient gedoopt moet worden. Wanneer dit inderdaad door hem op deze wijze is gesteld, dan kan men zeggen dat het doophuis bij hem zeer ruim was. Dat zal ongetwijfeld te maken hebben gehad met zijn visie op het verbond. 't Is daarom niet al te gewaagd als ik stel: hoe ruimer men het verbond ziet, hoe ruimer het doophuis!
Als kerkeraden moeten wij uitermate voorzichtig zijn met het weigeren van de doop. Wellicht kan een intensief pastoraat na de doop een wending ten goede brengen. Maar wordt de doop daardoor dan niet misbruikt, ja zelfs ontheiligd? Ik meen van niet, als men maar eerlijk met de ouders omgaat en duidelijk zegt wat de doop inhoudt alsmede dat er een intensieve begeleidingvan de kerkeraad daarna zal zijn. 't Kon wel eens zijn dat van een gedoopt kind van niet-meelevende ouders gezegd moet worden dat er iets goeds van de Heere in hem gevonden wordt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juli 1992

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Het verbond (3)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juli 1992

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's