De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De plaats van de mens in de Schepping

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De plaats van de mens in de Schepping

Calvijn over de mens (2)

9 minuten leestijd

Inleiding
De weg tot verootmoediging leidt via Godskennis en zelfkennis. Vaak wordt dit tweespan gereserveerd voor wat de Heidelberger noemt als het eerste stuk ter verkrijging van de enige troost voor leven en voor sterven: dat ik weet hoe groot mijn zonden en ellenden zijn. En zeker maakt Calvijn beide elementen van deze voor ons zo noodzakelijke kennis dáárvan niet los. Al zagen we in het eerste artikel dat de reformator van Genève de kennis van onszelf, die we opdoen voor Gods aangezicht, verbonden wil houden met de genade Gods. Juist daardoor lijkt hij tot een wat bredere invulling te komen van de wijze 'daarop de mens coram Deo zichzelf leert kennen. Want die genade betrekt Calvijn ook voluit op wat God ten behoeve van de mens heeft gedaan en nog doet in de schepping en onderhouding van alle dingen, niet in het minst van de mens zelf.
De schepping en vooral de plaats die de mens daarin heeft gekregen, reikt ons al veel aan om onze plaats tegenover God te leren kennen. Vooruitlopend op wat Calvijn ons hierover biedt, kan ik zeggen nog nooit eerder op zo'n indrukwekkende wijze onze diepe afhankelijkheid van God getekend te hebben gezien als bij Calvijn wanneer hij de plaats van de mens in de schepping schildert.
Van een drietal gezichtspunten uit willen we de zo geschilderde mens bezien: 1. de mens als kroon van de schepping; 2. de mens geschapen uit het stof der aarde; 3. de mens tot God in een unieke verhouding geplaatst. Van dit drietal heeft nu het eerste gezichtspunt onze aandacht. De beide andere komen de volgende keer aan de orde.

De mens als kroon op de schepping
Als Calvijn de mens op deze manier beschouwt, heeft hij het niet alleen over het laatst geschapen schepsel dat ook het hoogtepunt van Gods scheppingswerken uitbeeldt. Nee, de hoge adel die de mens aan zijn plaats in de schepping ontleent, staat in onmiddellijk verband met alle overige schepselen. Want de hele schepping getuigt van Gods trouwe voorzorg voor de mens.
Calvijn ziet de hele schepping als een gave Gods voor het geluk en welzijn van de mens. In zijn Commentaar op Genesis 1 : 26 ('En God zeide: Laat Ons mensen maken...') tekent Calvijn aan: 'In de orde der schepping komt de vaderlijke zorg Gods jegens de mens nog beter uit; want voordat Hij hen vormde, voorzag hij de wereld met alle nodige dingen, ja zelfs met grote overvloed van schatten. Zo was hij dus al rijk, voordat hij werd geboren. En bij aldien God zulk een zorg voor ons had, vóór wij bestonden, zal Hij het ons dan, nu wij in de wereld zijn geplaatst, aan voeding en overig levensonderhoud laten ontbreken?' Die hier spreekt, is behalve leraar ook herder.

Nog duidelijker blijkt dat uit Inst. I.14.22 waar op dezelfde wijze gesproken wordt over de schepping in zes dagen. God had in één ogenblik het hele scheppingswerk kunnen voltooien, maar Hij heeft de bouw der wereld over zes scheppingsdagen verdeeld om daarin Zijn voorzienigheid en vaderlijke zorg te laten uitkomen '(...) dat Hij, voordat Hij de mens vormde, al wat Hij voorzag, dat voor de mens nuttig en heilzaam zou zijn, geheel van tevoren toebereidde. Hoe ondankbaar zou het nu zijn te twijfelen of wij een voorwerp van zorg zijn van deze algoede Vader, die, naar we zien, zich om ons bekommerde, voordat wij geboren werden? Hoe goddeloos zou het zijn (...) ons ongerust te maken dat zijn goedertierenheid ons te eniger tijd, wanneer we in nood verkeren, in de steek zou laten, terwijl wij zien, dat ze ons, toen we nog niet geboren waren, met de grootste overvloed van alle goede dingen betoond is geweest?'
Spreken over de schepping is derhalve spreken over Gods vaderlijke zorg voor de mens aan wie deze hoge adeldom is verleend. Als we dan steeds bedenken dat wij sindsdien wel, Gòd echter niet veranderd is, maar nog immer Dezelfde bleef... dan hebben we hier een overvloedige bron van troost voor wat betreft alle zorgen die te maken hebben met ons leven hier en nu.

Adeldom verplicht
Maar als ergens geldt: noblesse oblige: adeldom verplicht – dan wel hier. 'Waartoe dient ons dat wij weten dat God alles (voor ons) geschapen heeft en nog door zijn voorzienigheid onderhoudt?' (naar vr. 28 Heidelberger Catechismus). Het antwoord van Calvijn is: Dat '(...) wij alle goederen in hun geheel van Hem alleen verwachten, en vast hopen, dat Hij nooit zal dulden, dat wij ontberen, wat tot ons heil nodig is, en onze hoop niet op iets anders vestigen; opdat, wat wij ook verlangen, on­ze wensen zich tot Hem richten en wij van al wat wij genieten, erkennen en met dankzegging belijden, dat het zijn weldaad is; opdat wij, door zo grote liefelijkheid zijner goedheid en weldadigheid aangelokt, ons beijveren Hem van ganser harte lief te hebben en te dienen'.
Zou Guido de Brès aan deze woorden gedacht hebben toen hij in artikel 13 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, over de schepping, kort en krachtig beleed dat God in schepping en onderhouding van alle dingen de mens dient opdat de mens zijn God diene? Calvijn zou het zo gezegd kunnen hebben. Hij ziet in ieder geval de schepping als een woning, door God voor de mens ingericht. En de trouwe zorg van God die de hele schepping als een compleet ingerichte woning de mens aanbiedt, wil hem voortdurend aansporen om zijn roeping te vervullen.

We zagen tot nu één ding over het hoofd. Want Calvijn richt ons oog niet alleen op de schepping buiten de mens, maar evenzeer op het schepsel dat de mens zelf is. De wereld buiten ons is in het groot een schouwplaats van de werken Gods. De mens zelf is dat in het klein. 'En dat God zo de hemel en de aarde met een allervolkomenste overvloed en met verscheidenheid en schoonheid van alle dingen, evenals een ruim, en schitterend huis, dat met het meest uitgezochte en overvloedige huisraad ingericht en gevuld is, op wonderlijke wijze getooid heeft. En dat Hij eindelijk door de mens te formeren en hem met zo schitterend sieraad en zoveel grote gaven uit te dossen, in hem de voortreffelijkste proeve van zijn werken gegeven heeft.' (Inst. I.14.20).
Dit alles heeft God bestemd '(...) ten onzen goede en tot ons heil, en wanneer wij tegelijk in ons zelf en in de zo grote goederen, die Hij voor ons bestemd heeft, zijn macht en genade gevoelen, dat wij dan daarom onszelf opwekken om Hem te vertrouwen. Hem aan te roepen, te loven en te beminnen.' (Inst. I.14.22). Dit is voor Calvijn de roeping van de mens. Al haast hij zich er bij te zeggen dat het na de zondeval alles met het geloof heeft te maken wanneer wij vanuit de beschouwing van Gods vaderlijke zorg ertoe komen Hem te vertrouwen en te aanbidden.
Anderzijds benadrukt Calvijn dat wij ons, niet door de huidige situatie van na de zondeval mogen laten leiden en daardoor nog minder onze hoge adeldom uit het oog verliezen. Want dat het zo heel anders is geworden, is gevolg van de zonde die in de goede orde Gods verwoestend en verstorend heeft ingewerkt. Maar niet aan verandering in God. Hij blijft dan ook van de mens eisen wat hij ooit kon doen.

Die trouwe houdt...
Eén ding is duidelijk: juist omdat Calvijn niet zo'n scherpe scheiding aanbrengt tussen het leven vóór en ná de zondeval komt aan het licht dat God Dezelfde is gebleven. Zijn trouwe zorg is nadien niet anders dan voordien. En voor ons ligt er nog dezelfde roeping als voor Adam. Namelijk dat wij, die in de schepping, ja in onszelf zoveel gaven ontdekken waarin de vriendelijkheid en de genade Gods overvloedig aan het licht treden, in dankbare afhankelijkheid jegens Hem zouden leven. En in zo'n leven weerspiegelt zich de heerlijkheid Gods.
Kan het anders? De goedheid en daarin de heerlijkheid Gods lichten op in het leven van een mens die zijn plaats weet in diepe afhankelijkheid jegens zijn Schepper. Die mens vervult zijn levensroeping van Godswege en in hem vindt God dan ook Zijn beeld terug.

We lopen even vooruit op wat Calvijn later zal zeggen over het beeld Gods. Daarvan zegt hij dat wij niet in staat zijn dat te reconstrueren dan alleen vanuit het werk der vernieuwing in Christus door de Heilige Geest. Maar als die vernieuwing in ons leven tot werkelijkheid wordt, dan komt in principe de eerste scheppingsorde weer terug. Ook in die zin dat Gods heerlijkheid in en door Christus weer op ons afstraalt en zo door ons heen straalt. Dat zal te meer het geval zijn naarmate ons leven Christus is geworden en ons bestaan gestempeld wordt door dat van Hem.
Ik denk aan die Schot, die op een dag zijn predikant toevertrouwde: 'Sir, I love you!' Wat was de reden? 'Ik zie Christus in u!' En als we dit nu weer terugkoppelen naar het paradijs, dan hebben we daarmee de sleutel in handen die ons de toegang opent tot het verstaan van Calvijns leer met betrekking tot de schepping en bestemming van de mens.

Zo wordt de mens, door wat Calvijn ervan verstaat uit de Schrift, op zijn plaats in de schepping gezet. Maar in dit licht van 's mensen bestemming en roeping bezien, is er geen ondankbaarder schepsel dan de mens die niet leeft overeenkomstig de door God geschonken gaven. Overal in de schepping ziet de mens de genade waarmee God hem tegemoet komt. De mens zélf is een spiegel waarin hij de onzienlijke God kan aanschouwen in de genade die God aan de mens alom in de schepping toont.
Wie hoogmoedig met al deze door God geschonken gaven goede sier maakt, dat wil zeggen ze gebruikt zonder op het doel te letten waarvoor God ze gaf óf wie deze gaven aan de natuur of aan zichzelf toeschrijft, is beneden de dieren gezonken. Moeten we hier niet de vraag inlassen hoe het staat met onze (on)afhankelijkheid ten opzichte van God? Wie hier eerlijk voor God wordt (gemaakt), wordt ook heel eerlijk tegenover zichzelf. Zo vormt het bijbels zicht op de schepping èn de adelstand die wij oorspronkelijk daarin van God hebben gekregen mede de kennis van onszelf voor het aangezicht van God.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juli 1992

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De plaats van de mens in de Schepping

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juli 1992

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's