Uit de pers
Vervagend normbesef
Onlangs heeft de minister van Justitie, de heer Hirsch Ballin, de kerken als het ware te hulp geroepen mee te werken aan de bestrijding van het vervagend normbesef onder de Nederlandse bevolking. Kerken zouden met nieuw elan normen en waarden in de samenleving moeten uitdragen. In 'Woord en Dienst' van 2 mei 1992 reageerde dr. J. Hoek (Veenendaal) in de rubriek 'Overgooier' op deze woorden van de minister. Dr. Hoek ziet in de oproep van de minister aanleiding voor de kerken tot grondige zelfkritiek.
'Er is in onze eeuw een stortvloed van kritiek losgekomen op de traditionele christelijke moraal en in het bijzonder op het calvinistische ethos. Mijns inziens hebben zeer vele kerkleden deze kritiek niet alleen aangehoord, maar zich ook hiernaar gevoegd. Ze zijn kritiekloos door de knieën gegaan voor de kritiek. Daardoor zijn ze in een defensieve houding gedrongen. Men wilde laten zien dat christenen best meevallen, dat ze heel gewone mensen zijn met wie je gezellig kunt verkeren. Daartoe was een rigoureuze uitverkoop van het erfgoed van de christelijke levensstijl of meer in het bijzonder de gereformeerde zede noodzakelijk. Christenen gingen mee in het gebruikelijke consumptiepatroon, in de vrijetijdsbesteding, in de al te onbevangen omgang met de moderne media, met name de televisie. In levensstijl waren christenen (genomen in de brede zin van het woord) en niet-christenen niet of nauwelijks meer te onderscheiden. Het gevolg is duidelijk: na decennia van aanpassing heeft het zout zijn zoutende kracht en het licht zijn schijnsel verloren. Veel hedendaagse kerkelijk meelevenden zijn in meer of mindere mate gecapituleerd voor de moderne seksuele moraal (of het gebrek aan moraal!), hun zondagsviering is behoudens een uurtje op de zondagmorgen volledig geseculariseerd, van vreemdelingschap hier op aarde is gezien de omgang met geld en goed nauwelijks meer iets te merken. Zulk aangepast christendom heeft kraak noch smaak. Wat hebben we de jeugd te zeggen wanneer ons christendom tot een vernisje is geworden? Is het dan nog verwonderlijk, wanneer jonge mensen alternatieven zoeken bij de New Age Beweging of bij allerlei oosterse mystieke stromingen?'
Dr. Hoek meent dat er ook binnen wat heet het conservatieve deel van de kerk schuld ligt als het gaat om het tekortschieten van de kerken op het punt van het zedelijk getuigenis naar het volk.
'Zij hebben hun talent al te dikwijls in een zweetdoek begraven. Dikwijls zijn ze niet ingegaan op eigentijdse uitdagingen en hebben ze klemmende actuele vragen met dooddoeners afgedaan. Allerlei traditionele vormgevingen van een christelijke cultuur zijn met het wezen van de zaak vereenzelvigd en zo is een onvruchtbaar isolement opgeroepen en bevorderd. Ook zijn er bij traditionele christenen nogal eens kwalijke verschijnselen van een dubbele moraal te signaleren. Men is bijvoorbeeld voor een strenge zondagsviering en houdt getrouw vast aan de zeer zinvolle en loffelijke traditie om tweemaal per zondag ter kerke te gaan. Maar in het doordeweekse zakenleven is er te weinig van de doorwerking van het op zondag gehoorde en beledene te merken. Er is een gezagsgetrouwe opstelling ten aanzien van de overheid als 'dienaresse Gods', maar op de belastingmoraal is wel het één en ander aan te merken. Reformatorische cultuur- en maatschappijkritiek komt te weinig uit de verf. Ook verklaarde calvinisten leven vaak te weinig uit de beginselen die Calvijn in zijn Institutie zo meesterlijk heeft geformuleerd: een ethiek van pelgrimage, overdenking van het toekomende leven en van daaruit onthechting ("innerweltliche Askese") om vrij van egoïsme en materialisme, bereid tot de dienst aan God en de naaste, gestalte te geven aan het christen-zijn vandaag.'
Ik meen dat dr. Hoek volkomen gelijk heeft. Het lukt het gereformeerde deel van de christenheid in ons land niet echt duidelijk te maken waarin ze nu werkelijk anders is, afgezien van enkele uiterlijke verschillen die door de massa meer als folklore wordt beoordeeld dan gezien wordt als een principiële keus.
Zedenmeester
In 'Woord en Dienst' van 27 juni 1992 reageert ds. T. Poot eveneens op de oproep van minister Hirsch Ballin. Hij vraagt zich af of we dat als kerken eigenlijk wel willen en kunnen.
'Mijn eerste kritische vraag bij het appèl aan de kerken is, of de kerk zich niet moet hoeden voor de haar aldus toegedachte rol van zedenmeester. Dat imago hebben we natuurlijk toch al. Als in een film of toneelstuk een dominee voorkomt, dan is hij vrijwel zonder uitzondering de figuur met het opgeheven wijsvingertje, die eropuit is het plezier van de mensen te bederven. Dat de kerken eerst en vooral een blijde boodschap is toevertrouwd, een woord van bevrijding en verlossing, een belofte van leven en toekomst, wordt in de aan ons gerichte appèls tot bijdrage aan moreel herstel niet gehonoreerd. Maar laten de kerken zich door dit gebrek aan zicht op de wezenlijke roeping van de kerk niet van de eigen wijs laten brengen. Zeker hebben wij als kerken wel het nodige te zeggen over normen en vormen van samenleving en persoonlijk en gezinsleven. Ons zijn immers de woorden Gods toebetrouwd en daartoe behoren niet in de laatste plaats de Tien Woorden en de apostolische vermaningen. Maar nimmer mogen wij vergeten, dat het de Tien Woorden van Gods genadeverbond met Israël zijn en de vermaningen van het evangelie van Jezus en van het Koninkrijk. Wij hebben als kerken geen moraal in de losse verkoop. En we moeten ons, door wie dan ook, niet laten verleiden om zùlk een bijdrage aan de samenleving te leveren. Moraal in de losse verkoop verschraalt namelijk al spoedig tot gemiddeld burgerlijk fatsoen met een godsdienstig sausje. Daar zit de samenleving niet op te wachten, daar is ze ook niet mee gebaat. Een van haar levensbodem losgemaakte moraal ontdekt niet aan zonde, vernieuwt niet en inspireert niet. Ze prikkelt slechts tot verzet of ze hypocritiseert.
Wat van de kerken gevraagd mag worden, is dat ze haar volle Boodschap in de samenleving indraagt. Geen geamputeerde. Van Johannes de Doper, prediker in crisistijd, lezen we dat "hij aan het volk het evangelie bracht met vele vermaningen" (Luc. 3 : 18). Daar gaat het om als de kerk haar mond opent. Om het evangelie van de grote Bevrijding door Jezus Christus met de vermaning die bij deze Bevrijding past, een stijl van leven die op de wegen van de geschonken vrijheid gaat en bij de verworven vrijheid bewaart. Met minder kan de kerk niet toe; met minder is de samenleving niet gebaat.'
Een steekhoudend argument wordt hier door ds. Poot ingebracht. Christelijk geloof, prediking worden bijna altijd terstond vereenzelvigd met moraal. Niet alleen door 'buitenstaanders', maar ook door kerkmensen. Wij geven kennelijk aanleiding tot die gedachte. Ds. Poot formuleert nog een kritische vraag.
'Is het ons als kerken nog gegeven het woord, het Woord van God, tot de samenleving te richten? Uit wat ik rond het ministeriële appèl las en uit wat ik aan op de samenleving gerichte ethische activiteiten om me heen zie, krijg ik de indruk dat men, serieus of naïef geloof heeft in beïnvloeding, zelfs verandering van die samenleving. Als wij als kerk het verlossende woord zouden hervinden, dan zouden wij een factor van belang zijn in het verhoopte morele herstel. Mijn tastende vraag is: is dat waar? Is ons dat gegeven? Of is dat apostolaire nostalgie, die geen rekening houdt met de diepe crisis waarin onze samenleving geraakt is, een crisis die het karakter van een oordeel draagt, het oordeel van de overgave aan het goeddunken van ons hart? De ontvankelijkheid voor een woord ten goede, dat er in vroegere tijden bij brede lagen van ons volk nog was, heeft plaatsgemaakt voor onverschilligheid, hardheid, afkeer, losgeslagenheid, ontbinding. Om met Paulus te spreken: de dagen zijn kwaad. En ik vrees, dat ze voorshands nog kwader zullen worden.'
Er valt weinig in te brengen tegen wat ds. Poot hier formuleert. Het klinkt allemaal erg somber, maar de realiteit is helaas niet anders.
Wat staat de kerk vandaag te doen?
'Ik moet de laatste tijd vaak denken aan het woord dat de profeet Jeremia sprak tot Baruch, de man die Jeremia's woorden te boek heeft gesteld: Zo zegt de HEERE: "Zie wat Ik gebouwd heb, breek Ik zelf af en wat Ik geplant heb, ruk Ik zelf uit en zoudt gij voor u grote dingen zoeken? Zoek ze niet!" (Jer. 45).
Is de godsdienstige en zedelijke crisis die onze samenleving, inclusief de kerken, teistert alleen het gevolg van een fundamentele cultuuromslag, of hebben we te maken met de hand van God die afbreekt en uitrukt wat Hij onder ons gebouwd en geplant heeft? Dan zouden morele offensieven ongehoorzame overmoed zijn, te vergelijken met de poging van Israëls stammen om, tegen het goddelijke nee in, toch het zuidelijke Kanaan te willen veroveren (Num. 14).
Ik schrijf het bovenstaande niet toevallig in de aanvoegende wijs en met vraagtekens. Ik wil niet de onheilsprofeet uithangen. Ik tast naar het verstaan van de tijd, waarin wij leven en naar de wil van God over ons. Zou het kunnen dat de gemeente zwijgt, niet alleen omdat ze niet weet wat ze zeggen moet, maar omdat ze moet zwijgen? Dat het ons niet gegeven is een zodanig woord te spreken, dat met gezag het volksleven en de samenleving stempelt tot het goede en schone? Zoudt ge u grote dingen zoeken? Zoek ze niet!
Binnenkamer
Wat staat ons dan nog te doen? De handen in de schoot? Alsof dàt voor de kerk het enige alternatief is: de handen uit de mouwen of de handen in de schoot! Dat dilemma moeten we ons niet laten opdringen. Er is een andere, een betere weg: de handen gevouwen. Zo maken we ons, als de dagen kwaad zijn, de gelegenheid ten nutte om te verstaan wat de wil des Heren is en te leren wandelen als wijzen (Ef. 5).
Er is een oproep van overheidswege om de verloederende samenleving te injecteren met nieuw moreel besef. Plein publiek. Er is een oude, profetische oproep om de binnenkamer op te zoeken. "Kom, mijn volk, ga in uw binnenkamers, en sluit uw deuren achter u; verberg u een korte tijd, totdat de gramschap over is" (Jes. 26 : 20).
Er zijn tijden om de gerechtigheid in de samenleving aan te grijpen en te weerstaan met woord en daad. Er zijn ook tijden om te lijden aan de ongerechtigheid, zoals tot in Sodom, het kwaad te dulden en te dragen voor Gods aangezicht en te wachten op licht. In zulke tijden moeten de kritische vragen die collega Hoek in zijn artikel juist aan kerk en christenheid stelde, aan progressieven en aan conservatieven, grondig gehoord en overwogen worden. Opdat het in ommekeer kome tot herbronning. Tot een tegencultuur die ontspringt aan de wijnstok Christus. "Maar gij geheel anders; gij hebt Christus leren kennen." Misschien dat het ons dan gegeven wordt een nieuw woord te spreken, een goed woord te rechter tijd, een woord het volk ten baat.'
We hebben weinig meer toe te voegen aan deze woorden waarin we ons geheel kunnen vinden. Wie kan in de verwarring en de polarisatie van het moment niet intens verlangen naar een beweging, een gemeenschappelijk besef dat we elkaar als mensen die Christus' gezegende Naam belijden zo dringend nodig hebben in het éne nodige voor kerk en volk, ja voor de wereld. Ds. Poot moest steeds denken aan de woorden van Jeremia tot Baruch. Zelf dacht ik aan Jesaja's beoordeling van de situatie van het volk Gods in zijn dagen, zo vol overeenkomst met die van onze tijd: 'En de dochter van Zion is overgebleven als een hutje in de wijngaard, als een nachthutje in de komkommerhof, als een belegerde stad. Zo niet de HEERE der heirscharen ons nog een weinig overblijfsels had gelaten, als Sodom zouden wij geworden zijn; wij zouden Gomorra gelijk geworden zijn' (Jes. 1 : 8). Maar deze woorden zijn niet bedoeld als een vrome verzuchting, doch staan in het kader van een concrete oproep tot bekering. Er dient orde op zaken gesteld te worden, intern onder hen die Gods Naam belijden in het nalaten van zondige daden en in het doen van recht en van gerechtigheid. En dàn, ja dàn zegt de Heere: Komt en laat ons samen rechten opdat er verzoening en vernieuwing onder u kome. Kerk en samenleving vinden heil bij God en onder elkaar in deze weg die Israëls God ook ons wijst. Wat zijn we dáár ver vandaan.
Onze God geve dat besef en die wederkeer tot Hem.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juli 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juli 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's