God en mijn recht
'Richt mij, Heere, naar mijn gerechtigheid, en naar de oprechtheid, die bij mij is'.Psalm 7 : 9b
De zevende psalm wordt weinig gezongen. Hij behoort niet tot de geliefde psalmen, die vaak worden opgegeven.
Twee uitdrukkingen uit Psalm 7 worden wel eens aangehaald. Uit vers 10 'Gij, Die de harten en nieren beproeft, o rechtvaardige God'. En uit vers 12 'een God, Die te allen dage toornt'.
Deze woorden worden meestal uit hun verband gerukt. Daardoor wordt de suggestie gewekt dat de rechtvaardige God, Die ook de innerlijke verdorvenheid van de mens door en door kent, zonder pardon voortdurend toornt. Soms wordt dat ook openlijk verkondigd in een zgn. ontdekkende prediking, die alleen maar neerslaat en alle hoop op vergeving beneemt.
Zo mogen wij echter de Schrift niet gebruiken! Een dergelijke eenzijdige prediking tekent een caricatuur van God, Die toch naar het getuigenis van de Schrift gaarne vergeeft en Zijn Zoon gegeven heeft tot een Verzoening voor onze zonden. Het is ongeoorloofd teksten uit hun verband te rukken.
Wij willen nagaan waar het in Psalm 7 werkelijk om gaat.
Men heeft er als opschrift boven gezet: Gebed om gerechtigheid. Terecht. Uit vers 1 blijkt dat het een psalm van David is, die hij gezongen heeft met betrekking tot de woorden van Cusch, de zoon van Jemini, d.w.z. de Benjaminiet. Wij weten niet wie dat is geweest. Men heeft wel eens gedacht, dat David eigenlijk koning Saul bedoelde, die hem ten onrechte van rebellie tegen zijn heer beschuldigde.
Anderen verwijzen naar de geschiedenis in 2 Samuel 16. Daar lezen we dat een zekere Simeï, een man uit het geslacht van Saul, David ervan beschuldigde met geweld het koningschap aan Saul en diens huis ontnomen te hebben om zelf op de troon te komen.
Het beste is om net als Calvijn te denken aan een ons onbekend familielid van Saul. Die heeft, mogelijk ertoe aangezet door Saul zelf, David vals beschuldigd.
Daarover beklaagt David zich bij de Heere. De psalm wordt Davids Schiggajôn genoemd. Dat moeilijk te vertalen woord moet zoiets betekenen als 'bewogen klaaglied'. Zo kunnen we Psalm 7 zeker wel typeren.
Als je vals beschuldigd wordt en er lasterpraat over je verteld wordt, dan is dat heel kwetsend. Dat raakt je diep. Hoe je ook je onschuld betuigt en welke bewijzen je daar ook voor aanvoert, de smaders houden vol en de mensen geloven je niet. Wat kun je in zo'n situatie doen? Je weg op de Heere wentelen! Dat doet David in deze psalm.
Hij begint zijn klaaglied met een geloofsuitspraak: 'Heere, mijn God, op U betrouw ik'. Laten we daar goed op letten. Want bidden zonder geloof is geen bidden. En klaagliederen waarin het geloofsvertrouwen ontbreekt, ontaarden licht in zelfbeklag.
Omdat David de Heere kent als zijn God op Wie hij vertrouwt, heeft hij vrijmoedigheid de Heere te vragen om de verlossing van al zijn vervolgers. Hij heeft het heel moeilijk. De vijand is erop uit hem van het leven te beroven, zoals een verscheurende leeuw doet, die zijn prooi wegsleept om die op een rustige plek te verorberen.
In de verzen 4-6 spreekt David een zgn. reinigingseed uit. De Heere moge hem straffen als het kwaad, waarvan hij beschuldigd wordt inderdaad bij hem wordt gevonden. Als er onrecht aan zijn handen kleeft, als hij degene die in vrede met hem leefde slecht behandeld heeft (maar hij heeft zelfs gered, die hem zonder oorzaak benauwde!) dan moge de vijand David vervolgen en doden, zodat hij als een eerloze sterft. Maar David is van zijn onschuld overtuigd. In vers 7-10 bidt hij: 'Sta op, Heere, in Uw toorn, verhef U, waak op tot mijn hulp. Gij, Die het recht verordent, strijdt Gij voor mijn recht. Laat de vergadering van de volken U omringen, zoals het hof rondom de Rechter staat. Als Gij mij bevrijd zult hebben uit de macht van mijn vijanden, keer dan terug naar Uw troon in de hoge om daar gericht te houden. Heere, Gij zijt toch de Rechter der volken! Oordeelt Gij mij dan naar mijn gerechtigheid, en naar de oprechtheid die bij mij wordt gevonden. Maak een eind aan de boosheid van de goddelozen en bevestig de rechtvaardige. Gij zijt het toch Die de harten en nieren beproeft'.
Voor de Israëliet betekenden de nieren het allerinnerlijkste van de mens. Voor God zijn dus de meest verborgen drijfveren en gedachten van de mens bekend. Als de rechtvaardige God zal Hij hen daarnaar oordelen. Dat David zo een beroep durft doen op Hem, Die de harten kent en de nieren beproeft, bewijst dat hij oprecht van zijn onschuld overtuigd is.
Wij hebben altijd wat moeite met de onschuldbetuigingen in de psalmen. David uit zich zo ook in Psalm 26. 'Proef mij, Heere, en doorzoek mij; toets mijn nieren en mijn hart. Ik was mijn handen in onschuld'.
Maar we moeten het goed begrijpen. David wil niet ontkennen dat hij in de ogen van God een zondaar is. Als de Heere met hem in het gericht zou gaan om heel zijn handel en wandel te toetsen, dan zou hij niet kunnen bestaan! Daarvan legt hij getuigenis af in Psalm 6. Ook die psalm is een gebed om bevrijding uit de macht van zijn vijanden. Maar hij begint die met de erkenning van zijn schuld en met gebed om vergeving. 'O Heere, straf mij niet in Uw toorn, en kastijdt mij niet in Uw grimmigheid. Wees mij genadig, Heere!'
Ook wij moeten er net als David van doordrongen zijn, dat het onverdiende genade is, als God ons verhoort en behoudt. Want ook wij kunnen de toets van Gods heilige kritiek niet doorstaan. Daarom past ons diepe ootmoed en nederige belijdenis van zonden. Ook in andere psalmen is David ons daarin voorgegaan.
Maar in Psalm 7 betuigt David zijn onschuld in verband met de laster van zijn vijanden. Met de hand op het hart kan hij voor God verklaren, dat hij niet gedaan heeft wat men hem lasterlijk in de schoenen schuift. Integendeel, hij heeft kwaad met goed vergolden.
Wij hebben hier dus niet te doen met de schijnheiligheid van mensen, die zeggen zich van geen enkele zonde bewust te zijn. We hebben hier te maken met de oprechtheid van iemand die weet, dat hij niet gedaan heeft het kwaad waar men hem vals van beschuldigt. En als ons dat overkomt, mogen ook wij een beroep doen op de rechtvaardige God. Dan mogen wij Davids voorbeeld volgen en onze zaak in Gods handen geven. Het getuigt van Godsvrucht als wij dat liever doen dan uit haat laster met laster beantwoorden. Want dan vallen wij door de mand als mensen die niet naar Gods woord luisteren, maar naar ons eigen gemoed te werk gaan.
Wat David in het begin van de psalm gezegd heeft, vinden wij terug in vers 10. 'Mijn schild is bij God, Die de oprechten van hart behoudt'. Hij twijfelt er niet aan of de Heere zal hem beschermen en als een schild staan tussen hem en zijn vijanden. Hij is immers de God, Die de oprechten van hart verlost. Dat zij eerlijk en oprecht zijn is toch het werk van Zijn Geest. Hetzelfde vertrouwen spreekt David ook uit in vers 12. 'God is een rechtvaardige Rechter, en een God, Die te allen dage toornt'. Daarmee zegt hij: Hoe onrechtvaardig ik ook behandeld word en hoe vals ook beschuldigd. God zal mij recht doen! Zijn oordeel zal mijn vijanden treffen.
Nu begrijpen wij waarom David de Heere een God noemt Die te allen dage toornt. Die woorden zeggen niet dat God alleen maar toornen kan en dat wij tevergeefs op Zijn genade hopen. Nee, barmhartig is de Heere, genadig en groot van goedertierenheid. Hij zal niet altoos twisten, noch eeuwig de toorn behouden. Hij ontfermt Zich op het gebed van de zondaar, die met berouw zijn schuld belijdt.
David bedoelt hier te zeggen dat het doen en laten van de goddelozen de Heere niet onverschillig laat. Het verwekt Zijn toorn, en te Zijner tijd zal Hij dat laten merken. Wel kan Hij lang geduld hebben. De Heere is lankmoedig, doch van grote kracht. Hij is een wreker, een ijverig God. Hij houdt de schuldige geenszins onschuldig. Zie Nahum 1 : 2, 3. Denk ook aan Romeinen 3 : 4, 5, waar eveneens over de verdraagzaamheid van God wordt gesproken. Maar wie dat verkeerd uitlegt en denkt zijn leven in ongerechtigheid ongestraft te kunnen voortzetten, die vergist zich. Paulus zegt, dat wie zich niet bekeert, zich van dag tot dag toorn vergadert als een schat. Als de dag van het rechtvaardige oordeel van God is aangebroken, zal die opgehoopte toorn van God hem in alle hevigheid treffen. Zo openbaart zich de rechtvaardigheid van God.
Gelukkig wie daar rekening mee houdt, zodat hij tot inkeer wordt bewogen en de Rechter om genade bidt. Maar wie doorgaat zonder zich er iets van aan te trekken, zal vroeg of laat en vaak al in dit leven ondervinden, dat God niet met Zich laat spotten.
In vers 13, 14 geeft David er blijk van, dit te weten. Hij zegt: God zal Zijn zwaard tegen hem wetten en hem slaan; Hij zal Zijn boog spannen en hem met Zijn pijl treffen. Vervolgens stelt hij dat de goddeloze in arbeid is van ongerechtigheid. Hij bedenkt het boze en brengt ongerechtigheid voort. Hij is zwanger van onheil, en baart leugen en bedrog. Maar het kwaad straft zichzelf. Wie een kuil graaft voor een ander, zal er zelf in vallen (vs. 16). Het onheil dat hij bedenkt, zal op zijn eigen hoofd neerdalen. En het geweld dat hij anderen denkt aan te doen, zal zijn als een steen die zijn eigen schedel zal verpletteren (vs. 17).
Als God zijn gebed verhoort (en daar is David zeker van) dan zal hij de Heere loven naar Zijn gerechtigheid. Dat wil hier zeggen: naar het heil aan hem bewezen. Hij zal de naam des Heeren, de naam van de Allerhoogste psalmzingen. Zo vast is hij er van overtuigd dat God voor zijn recht zal opkomen. De Heere zal bewijzen wat David heeft beleden: 'Mijn schild is bij de Heere, Die de oprechten van hart behoudt'. Laat het ook onze geloofsbelijdenis zijn. Dan zullen wij doen wat David ons in Psalm 55 : 23 aanraadt: 'Werp uw zorg op de Heere, en Hij zal u onderhouden. Hij zal in eeuwigheid niet toelaten dat de rechtvaardige wankelt'. Vergeet het nooit: God komt op voor het recht van de Zijnen!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juli 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juli 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's