Geestelijke training
In een zeker dorp op de Veluwe staan op geringe afstand van elkaar drie openbare gebouwen. In de eerste plaats vindt u daar de sporthal, vlak daarnaast het schoolgebouw en weer verder de kerk. Je kunt daar een aantal vruchtbare gedachten aan verbinden. De sporthal dient tot training van het lichaam; bijna iedere avond is de gymnastiekvereniging bezig haar leden te oefenen voor een lenig en gezond lichaam. De school dient tot oefening van het verstand vooral. Allerlei nuttige kennis wordt daar geleerd. Met hetgeen de school biedt, moet je het maatschappelijke leven door. En wat nu de kerk betreft – je zou geneigd zijn te zeggen, de kerk bedoelt het hart. En dat is natuurlijk waar. Maar de kerk wil lichaam, verstand en hart leiden onder de heerschappij van het Woord Gods.
In dat bedoelde dorp gaat bijna de gehele jeugd op de gymnastiekvereniging. Hetzelfde geldt ook voor de school – iedereen gaat naar school. Maar de kerk? Men is er wel over het algemeen gedoopt, doet ook nog wel massaal belijdenis van het geloof. En toch – de band met de kerk is veel losser. Vooral in de namiddagdiensten schittert menigeen door afwezigheid. Wij hadden eens met een gemeentelid een gesprek over dit verschijnsel. Het was een nadenkelijk man. Hij merkte toen op, je kunt de levensrichting van de dorpsbewoners globaal herkennen aan de hang naar één van deze drie gebouwen. Voor velen is de sport alles – dat beduidt, ze leven voor deze tijd hoofdzakelijk. Voor anderen is de school alles – hun interesse geldt de bloei van het maatschappelijk-kulturele leven. Voor weinigen betekent de kerk alles. Ze hebben daar hun Heiland gevonden.
Deze wijze man gaf in al zijn eenvoud een les in mensenkennis. Al naardat hun levensinteresse is, naar die maatstaf besteden de mensen ook hun tijd. Sportbeoefening vraagt veel training, studie vraagt ook langdurige concentratie. En wat hebben de mensen daar niet veel voor over! 'U ziet het, dominee, avond aan avond branden de lampen van de eerste twee gebouwen. Maar voor de kerk wordt het minste getraind.' Wij hebben vele jaren nagedacht over deze opmerkingen en het gehalte van dit gesprek is sedertdien steeds maar groter geworden. Dat wij ons oefenen moeten tot godzaligheid – wat wordt dat weinig doorgrond!
Ieder, die aan een bepaalde sport doet, weet, dat hij daarvoor moet oefenen. Ieder, die studeert moet noeste arbeid verrichten om de gedachten van het studieboek tot de zijne te maken. Het potlood in de hand, het papier om aantekeningen te maken. Zo ploegen wij op geestelijke manier. Wij moeten maar niet menen, dat het ons aanwaait. Wij moeten niet menen dat wij met een weinig grondkennis kunnen volstaan. Wij zullen maar niet leven van de een of andere bevlieging, dubbelneen, wij behoeven geestelijke tucht. Zich te wennen aan vaste uren en tijden, aan degelijke gewoonten.
Welnu, zo zullen wij ook tot eigen geestelijke opbouw aan regelmaat en orde wennen. Maar al te veel meent men vooruit te kunnen komen door een klap van de molenwiek. Maar het resultaat is er dan ook naar. Daarom – wij zullen maar niet elke dag wachten, of Gods Geest ons ook opwekken wil om de Heere te zoeken, maar wij moeten onze vaste gebedstijden hebben, waarop wij verlangen samen te komen met Hem. Wij hebben het aangezicht des Heeren te zoeken. Zo alleen komt er en blijft er een welbewust wandelen met God. Zo gewennen wij ons aan de gemeenschapsoefening met de Heere en worden de ons gegeven talenten geoefend tot de ware levenskunst om de dingen Gods gestadig te herkennen en te beminnen. Op die manier krijgen wij dat geestelijk onderscheidingsvermogen, hetwelk het grote niet met het kleine verwart en de stem van de verleider leert onderkennen van de stem van het Woord Gods. Dat geschiedt alleen door waken, vasten en bidden.
Nu spreekt het geheel vanzelf dat zulke oefeningen van geestelijke opbouw voor alles tijd kosten. Alleen als wij ons door de Heilige Schrift van die noodzakelijkheid laten overtuigen, zullen wij beginnen ons de tijd voor dergelijke oefeningen te geven. Elke dag hebben wij een bepaalde tijd nodig om ons te kleden en te voeden. Laten wij dat na, dan worden wij slordig en slap. Zo is het nu ook met de tijd voor geestelijk voedsel. Wij hebben een bepaald deel van onze tijd aan de Heere te geven voor de gemeenschap met Hem. Willen wij geestelijk gezond en sterk zijn, dan moet onze dagindeling zo zijn, dat er tijd is voor dit allerbelangrijkste werk. Veel slapte en lauwheid in het geloof, ja, veel overspanning van geest komt voort uit tuchteloosheid op dit gebied. Het is misschien vreemd om te zeggen, maar overspannen huismoeders, onderwijzers en predikanten kenden in hun gezonde dagen weinig deze geestelijke concentratie en zijn daardoor te eerder geestelijk uitgeput geraakt. Met andere woorden: er komt zoveel op ons aan, dat wij ons laten meedrijven. Er is in ons geen geestelijke weerbaarheid meer om die indrukken te selecteren. Wij worden voortgedreven – het ontbreekt ons aan een meerpaal in de haven om ons schip aan vast te leggen.
Met andere woorden: het ontbreekt ons aan de geestelijke maatstaf om zin van onzin te onderscheiden. Juist wanneer wij die toetssteen ontvangen, kunnen wij kiezen wat wij wel kunnen verorberen en wat niet. Wat wel waarde heeft en wat niet. Ons leven is meer gehaast en onrustiger dan ooit. Wij vliegen van de ene vergadering naar de andere conferentie. Wij babbelen met deze en gene. Wij verwerken eigenlijk geen enkele indruk. Zo worden wij machteloos omvergespoeld, zonder dat enig spoor van beklijving zich in onze geest nalaat.
De oorzaak van deze oppervlakkigheid en vluchtigheid is een tekort aan oefening. Er is bij ons geen beklijving, daarom stroomt alles rusteloos voort. Er zijn in onze huizen werkkamers en spreekkamers genoeg, maar er is geen binnenkamer, geen bidvertrek meer, of althans een kamer, waar we eens helemaal alleen kunnen zijn. En daarom is alles wat wij naar buiten brengen cliché, gemeenplaats, geen doordachte waarheid. Denk maar eens aan uw zoon, die geen zit in zijn lichaam heeft bij het huiswerk maken. Hij redt zich bij de overhoring van de les er wel met gemeenplaatsen en vage algemeenheden uit. Maar o wee, wanneer de leraar eens een steekproef doet naar diepere dingen. Dan blijkt dat bij niet heeft doorgedacht. Hij is niet in de diepte gekomen. Hij toont nooit eens een vrucht van eigen nadenken door een verrassende visie. Grijsgrauwe eentonigheid ligt over zo iemand.
Het enige middel in deze nood is gedurige gemeenschap in gebed te zoeken met God. Op deze manier kan de eeuwige lucht de aarde weer binnendringen. Christus nam veel tijd voor de gemeenschapsoefening met zijn God. Hele nachten aaneen was Hij eenzaam op de berg bij de Vader. Alle groten in Gods Koninkrijk zijn Hem daarin nagevolgd. Hoeveel tijd moet Paulus zich voor zijn gebeden gegund hebben, dat hij tot de gemeente van Filippi schrijven durft: te allen tijd in al mijn gebed voor u allen met blijdschap het gebed doende. En daarbij wordt ons van Luther verteld, dat hij op de Wartburg drie uren per dag besteedde aan het gebed.
De beroemde Franse prediker Adolphe Monod leefde gedurig in Gods gemeenschap. Toch beleed hij op zijn sterfbed in treurig zelfverwijt: 'O, ik zou, als ik mijn leven nog eens mocht overdoen, met Gods hulp, geheel van mijzelf afziende, veel meer tijd aan het bidden besteden, dan ik gedaan heb en er veel meer van verwachten dan van het werken, hoewel ook het werken niet veronachtzaamd mag worden, omdat er alleen iets mee te bereiken is, wanneer het door gebed wordt gesteund en bezield. Bovenal zou ik willen, dat mijn gebeden meer de zalving en gloed van de Heilige Geest vertoonden, wat niet in één dag verkregen wordt, maar de vrucht van een lange en dikwijls smartelijke leertijd is.'
Deze oefening vraagt ook stilte en eenzaamheid. Izak ging tegen de avondtijd in het veld om te bidden, Daniël kende ook vaste gebedstijden. Petrus klom op het platte dak om in de eenzaamheid de Heere te zoeken. En Jezus spreekt ons van de binnenkamer. Daar kunnen wij met onze ganse gedachte in het hart afdalen. De Heere zal daar de genegenheden van ons hart nabij zijn. Bidden vraagt rust van het hart, ver van alle gewoel en zorgen. En, als nu twee jonge mensen nog wel een stil plekje weten te vinden om eens geheel voor elkaar te zijn, zo goed zullen wij dan de stilte zoeken om met God gemeenzaam te mogen wezen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 augustus 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 augustus 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's