De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Bijzondere en algemene openbaring

Bekijk het origineel

Bijzondere en algemene openbaring

Calvijn over het beeld Gods (1)

13 minuten leestijd

Inleiding
In Calvijns leer over de mens nemen zijn gedachten over het beeld Gods een ruime plaats in. Dat zal ongetwijfeld hiermee samen hangen dat Calvijn door de bril van het beeld Gods de lijnen ziet doorlopen van schepping naar herschepping. Na de zondeval is God trouw gebleven aan Zijn werk en herstelt in Zijn genade wat door de zonde is geschonden. Wanneer Calvijn dan ook de lijnen van het beeld Gods schetst, beperkt hij zich niet tot het begin van de Bijbel, maar betrekt er de hele Schrift, met name ook het Nieuwe Testament bij. Waarbij hij meer dan eens een verrassend nieuw licht werpt op Schriftwoorden, zodat duidelijk uitkomt dat de Reformatie vooral herontdekking van de Schrift was. En Calvijns theologie dienovereenkomstig niet anders dan 'repetitio sacrae Scripturae', herhaling van de Heilige Schrift.

Breuk met de Middeleeuwen
Omdat de Schrift de bron was waaruit Calvijn zijn gedachten over het beeld Gods putte, moest hij wel tot een breuk komen met het mensbeeld van de scholastieken, de theologen van de middeleeuwse kerk. Die beoordeelden de mens en ook de verhouding tussen God en de mens vanuit de gangbare tegenstelling tussen natuur en genade. In dat kader werd de verhouding tussen God en de mens trapsgewijs voorgesteld. Op die trap stond een kloosterling bij voorbeeld hoger, dus dichter bij God, dan een handwerksman. Via de weg van meditatie, vrijwillige armoede, kloosterleven e.d., dus onthechting van het aardse leven (noodzakelijk vanwege de eerder genoemde tegenstelling) was het mogelijk op deze trap een trede hoger te klimmen.
Calvijn rekent met dit in godsdienstig opzicht starre mensbeeld af en tekent naar het voorbeeld van de Schriften ieder mens als staande in een direkte en persoonlijke verhouding tot God. Dat heeft te maken met het Woord dat God tot de mens spreekt en waarin Hij zich heel persoonlijk tot hem richt. Het spreken Gods tot de mens kwalificeert hem dan ook tot Gods beelddrager. En juist daarom blijkt dit een verhouding vol dynamiek te zijn, want één en al ver-antwoord-elijkheid.

Voor de scholastieke theologen lag dus de volle nadruk op wat de mèns is en wat híj zo mogelijk langs een lange weg van onthechting van en versterving aan het aardse leven op de trap omhoog bereiken kan. Kortom: het initiatief om tot God op te klimmen, dient van de mens uit te gaan en het hangt ook van zijn inspanningen af of hij op die weg iets bereiken zal, of hij dichter tot God zal komen. Voor Calvijn is de volgorde precies omgekeerd. Niet de mens klimt op tot God, maar God daalt in het Woord dat Hij tot de mens spreekt tot hem af. In dit licht bezien is van doorslaggevend belang hoe de mens antwoordt op het spreken Gods. Daarin en daarin alleen wordt zijn verhouding tot God bepaald. Met het aangeven van dit verschil in visie voor wat betreft de verhouding God en mens tussen Calvijn en de middeleeuwse theologen snijden we een heel belangrijk punt aan in zijn gedachten over het beeld Gods. Calvijn hamert er steeds weer op dat het beeld Gods niet iets in de mens is en dat hij het ook niet bereiken kan langs de weg van bij voorbeeld comtemplatie, vrome overpeinzingen. Het beeld Gods staat of valt met de afhankelijkheid die de mens jegens zijn Schepper toont via zijn antwoord-in-gehoorzaamheid aan het Woord van God. Is die verhouding in ver-antwoord-elijkheid er, dan is het beeld Gods in een mens aanwezig. Is die relatie er niet, dan is het beeld Gods er ook niet. In elke poging om het beeld van God toch in de mens te zoeken, ziet Calvijn niets minder dan een herhaling van de zondeval: de mens wil tot God opklimmen en als God zijn.

Twee vragen
Het lijkt me dat Calvijn ons door de gedachten die hij aanreikt over het beeld Gods ook vandaag iets te zeggen heeft. Misschien in eerste instantie ons iets te vragen heeft. Allereerst of in ons denken en spreken over de mens en diens verhouding tot God het beeld van God wel zo centraal staat. Een tweede vraag is: als wij spreken over de mens als beeld van God, komen we dan niet vaak in de verleiding om het beeld van God méér in de mens te zoeken (al zijn het maar de armzalige resten die de mens gebleven zijn) dan in zijn verhouding tot God?
Zou die verleiding soms iets te maken kunnen hebben met het streven naar onafhankelijkheid van God dat ons sinds Adam in het bloed zit? Treffend is in ieder geval dat Calvijn ons in zijn uiteenzetting van het beeld Gods een mens tekent die op onvergelijkelijke wijze van God afhankelijk is. Zelden heb ik een tekening van 's mensen afhankelijkheid gezien als bij Calvijn en niet eerder dan nadat ik met Calvijn op dit punt had kennis gemaakt, ben ik zo van onze afhankelijkheid van God onder de indruk gekomen. En (dat hangt ermee samen) van onze, hoogmoed die aan de zondeval ten grondslag ligt.

Beeld Gods in het algemeen
Voor een goed verstaan van het beeld Gods bij Calvijn is het belangrijk te weten dat hij er op verschillende manieren over kan spreken. Een eerste manier van spreken is dat hij het beeld Gods niet alleen betrekt op de bijzondere verhouding waarin de mens tot God staat. Voor hem is heel de schepping beelddrager van God omdat alle schepselen, hoe klein ze ook zijn, de heerlijkheid van God als in een spiegel aan ons tonen. Op die manier maakt God zich aan ons bekend. 'Bovendien, omdat het hoogste doel van een gelukzalig leven in de kennis Gods gelegen is, heeft Hij, opdat voor niemand de toegang tot het geluk gesloten zou zijn... ook zichzelf in het ganse bouwwerk der wereld zo geopenbaard en biedt Hij zich dagelijks daarin zo openlijk aan, dat de mensen hun ogen niet kunnen openen of ze worden gedwongen Hem te aanschouwen.' (Inst. I.5.1.).
Treffend is in dit verband ook wat Calvijn in dezelfde paragraaf schrijft over de uitspraak dat God zich met het licht als met een kleed bedekt (Ps. 104 : 2), waarbij hij commentarieert '(...) alsof hij (de psalmist – vdK) zeide, dat Hij toen eerst begonnen is door zichtbare tooi kenbaar te verschijnen (...)' (Inst. I.5.1.). Voor Calvijn is het onmiskenbaar dat heel de schepping laat zien wie God is, terwijl Hij anders onzienlijk zou zijn gebleven. Op die manier kan gezegd worden dat ook de schepping in zekere zin het beeld van God is.
Om dit duidelijk te maken gebruikt Calvijn het beeld van de spiegel. 'Daarom noemt de schrijver van de brief aan de Hebreen (11 : 3) op schone wijze de wereld het schouwtoneel der onzienlijke dingen, omdat de zo harmonische ordening der wereld voor ons als het ware een spiegel is, waarin we God, die overigens onzienlijk is, kunnen aanschouwen' (Inst. I.5.1).

Beeld Gods en spiegel
Dit (voor)beeld van de spiegel is tamelijk belangrijk om te begrijpen hoe Calvijn het beeld Gods, zoals hij dat uit de Schriften heeft opgedolven, ziet. Wie voor een spiegel gaat staan, ziet zichzelf daarin zolang hij er voor staat. Zodra we van de spiegel weg lopen, verdwijnt het spiegelbeeld. Het spiegelbeeld is derhalve gevolg van een 'relatie' tussen de spiegel en degene die zich erin spiegelt.

Daarmee zitten we in het hart van Calvijns denken aangaande het beeld Gods. In zekere zin is heel de schepping, de mens bijzonder, de spiegel waarin God zich weerspiegelt, zodat Zijn (spiegel)beeld er in is te zien. Is de 'relatie' tussen de spiegel (schepping, mens) en God die zich erin spiegelt weg, dan is er ook geen sprake meer van het (spiegel)beeld Gods. Dit laatste betrekt Calvijn vooral op de mens, omdat die zich aan de bedoelde relatie met God kan onttrekken en zo kan ophouden 'spiegel' van de heerlijkheid Gods te zijn. Dan weerspiegelt Gods heerlijkheid zich ook niet meer in hem en is hij niet langer (spiegel)beelddrager van God.

Het huwelijk ziet Calvijn eveneens als uitbeelding van het beeld Gods. In zijn Commentaar op Gen. 2 : 18 ('Ook had de HEERE God gesproken: Het is niet goed dat de mens alleen zij: Ik zal hem een hulpe maken, die als tegen hem over zij') schrijft hij dat van '(...) de vrouw wordt gezegd tegenover de man te zijn, omdat zij hem antwoordt.' Uiteraard is de verhouding man en vrouw niet zonder meer over te brengen op onze verhouding tot God. Maar de verhouding man-vrouw als een verhouding-in-antwoord, in gesprek, in diepste betrekking tot en op elkaar is in zekere zin uitbeelding van de verhouding tussen God en de mens als beelddrager van God. Om nog even op het beeld van de spiegel terug te komen: zoals degene die zich spiegelt in eerste instantie ook de persoon is die het spiegelbeeld ziet, zo geldt ook van God dat Hij zelf in eerste instantie de werken van Zijn handen in de spiegel der schepping, heel bijzonder in de mens ziet. Hij zelf spiegelt zich erin en Hij ziet als eerste Zijn beeld erin terug. Ook dat is een belangrijk gegeven in Calvijns denken over het beeld Gods: het is gericht op God zelf, op Zijn eer. Uit God, maar zo ook weer tot God.

Twee spiegels
Vervolgens ziet ook de mens in de spiegel van de schepping het (spiegel)beeld van Gods heerlijkheid zoals het daarin oplicht. Hij ziet het alleen niet onmiddellijk, maar door middel van het Woord. Ontegenzeggelijk onderwijzen de sprakeloze schepselen ons wie God is, maar dat onderwijs is zonder nut als het Woord er niet bij komt. Als dat sprakeloze onderwijs van hemel en aarde genoegzaam was, zou Mozes' leer immers overbodig zijn. Maar aan de natuur wordt een heraut toegevoegd: het eeuwige Woord Gods, dat het levend en uitdrukkelijk beeld van God is en daarop vestigt Mozes ons oog, aldus Calvijn in zijn inleiding op het Genesis-commentaar.

De overbekende woorden '(...) evenals oude lieden, of ooglijders, en allen die slechte ogen hebben, al houdt men hun het allerschoonste boek voor, ternauwernood, ofschoon ze wel zien, dat er iets geschreven staat, twee woorden kunnen saamvoegen, maar wanneer ze een bril opzetten, daardoor geholpen duidelijk beginnen te lezen, zo verzamelt de Schrift de kennis van God die zich anders verward in onze geest bevindt, verdrijft de duisternis en toont ons de ware God.' (Inst. I.6.1.) schrijft Calvijn neer in het hoofdstuk getiteld 'Om tot God de Schepper te komen is de leiding en onderwijzing der Schrift nodig'.
Het is dus een bijzondere gave dat God niet alleen stomme leermeesters gebruikt, maar ook Zijn heilige mond opent en niet alleen verkondigt dàt er een God is die gediend moet worden, maar ook laat weten dat Hij die God is en dat Hij zich aan de mens aanbiedt om tot Hem te komen en op Hem te zien. Door dit hulpmiddel kunnen wij komen tot de vertrouwelijke kennis van God. Calvijn benadrukt in dit verband herhaaldelijk dat het hier gaat over de kennis van God als Schepper en (nog) niet als Verlosser. 'Mijn lezers mogen er dus aan denken, dat ik nog niet spreek over het verbond, waardoor God de kinderen van Abraham tot zijn kinderen heeft aangenomen (...), maar ik spreek alleen hierover, hoe men uit de Schrift moet leren, dat de God, die de Schepper der wereld is, door gewisse kentekenen onderscheiden wordt van de ganse schare der verzonnen goden.' (idem).
Zoveel is duidelijk dat Calvijn in dit verband spreekt van de kennis van God als Schepper en duidelijk maakt dat voor die kennis de schepping alleen niet genoeg is, maar het Woord er noodzakelijk bij moet komen. De vraag of Calvijn ook voor Adam in de staat der rechtheid het Woord als noodzakelijk middel tot de kennis van God naast de schepping als bron van Godskennis zag, is hiermee feitelijk door hem beantwoord.

Dat Calvijn werkelijk van mening was dat Adam voor de val evenmin zonder het Woord Gods kon, wordt nog eens duidelijk als hij (Inst. IV.14.18) over de boom des levens spreekt als een sacrament dat God aan Adam en Eva gegeven had als een onderpand van de onsterfelijkheid. De naam sacrament, zo schrijft Calvijn, omvat in het algemeen alle tekenen die God ooit aan mensen heeft bevolen om hen zeker te maken van de waarheid van zijn beloften. Daarmee stelt Calvijn duidelijk de onlos­makelijke verbinding tussen de beloften, het Woord van God enerzijds en de sacramenten anderzijds. Soms heeft God gewild dat die tekenen of sacramenten uit natuurlijke zaken bestonden en als voorbeeld daarvan ziet hij de boom des levens, die Adam en Eva door God als een sacrament van de belofte van eeuwig leven was geschonken.

Adam leefde van het Woord Gods
Calvijn geeft daarmee aan wat voor hem zonneklaar was, namelijk dat ook Adam in de staat der rechtheid niet buiten het Woord van God kon, wilde Hij God leren kennen en met Hem kunnen omgaan. Ja, het kwam ook voor Adam vóór alles aan op geloof in dat Woord. Om het beeld Gods in de schepping te kunnen zien is de bril van het Woord nodig en om die bril juist te kunnen gebruiken is geloof nodig. Calvijn betrekt Hebr. 11 : 3 ('Door het geloof verstaan wij dat de wereld door het Woord Gods is toebereid...') dan ook net zo goed op de situatie vóór als ná de zondeval.
Hier springt dan ook één van die opvallende trekken in Calvijns gedachten over het beeld Gods in het oog: dwars door het gebeuren van de zondeval heen laat hij de lijnen doorlopen. Wij mensen mogen dan fundamenteel anders tegenover God staan. God staat niet wezenlijk anders tegenover ons. Zijn openbaring aan de mens, zowel voor als na de val. is altijd Woord-openbaring geweest. Al moet aangevuld worden dat de inhoud ervan voor en na de val niet volkomen identiek is. De veranderde omstandigheden brachten mee dat de inhoud van de openbaring moest worden aangepast aan de omstandigheden. Duidelijker dan ooit springt nu het genade-karakter ervan in het oog. Maar de wijze van openbaring is niet wezenlijk anders. God blijft de sprekende God.

De vraag moet hier worden gesteld of wij niet te veel scheiden wat Calvijn bijeenhoudt wanneer we het hebben over de bijzondere openbaring in het Woord Gods die noodzakelijk bij de algemene openbaring in de schepping moest komen vanwege ons verduisterde verstand. Doet die splitsing wel recht aan de (Woord)openbaring Gods vóór de val? Calvijn benadrukt sterk de eenheid in de werken Gods. God laat ook na de zondeval Zijn schepping niet los en houdt heel bijzonder aan Zijn oorspronkelijke bedoeling met de mens (beeld Gods) vast, omdat (en Calvijn brengt dat telkens naar voren) de manier waarop God met de mens ook na de zondeval omgaat vol van genade is. De manier van zeggen is duidelijk. Ook na de zondeval handelt God met de mens in genade. Vóór de zondeval dus ook al. De openbaring van Gods genade vond voor de val niet anders plaats dan erna: door het Woord der genade. God heeft met de mens altijd uit Zijn genade gehandeld. Want wat is er voor verdienstelijks aan de mens die afkomstig is uit de aarde?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 augustus 1992

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Bijzondere en algemene openbaring

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 augustus 1992

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's