De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Zingen voor de Heere

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Zingen voor de Heere

8 minuten leestijd

'Ik zal de Heere zingen, omdat Hij aan mij welgedaan heeft'.Psalm 13 : 6

Psalm 13 is op verschillende manieren getypeerd. Calvijn spreekt van het inroepen van Gods bescherming en hulp. Luther noemt de psalm het gebed van een aangevochtene. Anderen noemen hem een klaaglied, verwant aan Psalm 12. Maar men heeft hem ook het opschrift gegeven: Blij vertrouwen op God. Ook las ik de aanduiding: Zucht van een gelovige.
Merkwaardig, die verschillende typeringen van een zo korte psalm. Geen van de genoemde aanduidingen zit ernaast. Ze wijzen in ieder geval op bepaalde onderdelen van de psalm. Het hangt er maar van af waar men de nadruk op legt.
Het opschrift 'Blij vertrouwen op God' geeft aan, dat Psalm 13 een gebed is, dat uiting geeft aan het vertrouwen op Gods goedertierenheid. Maar het gaat voorbij aan de klacht en de smeektoon, die in dit lied ook worden gehoord. Als we beide elementen laten gelden, krijgen we een indruk van het spanningsveld, waarin de dichter heeft verkeetd.
We hebben inderdaad te maken met iemand, die aangevochten werd en die in doodsgevaar dringend Gods hulp inriep. Maar we mogen toch ook weer niet voorbijzien aan het blijmoedige vertrouwen, dat kenmerkend is voor het slotvers. We hadden het niet verwacht, dat de psalm met die blijde toon zou eindigen.
Is hier nu sprake van een geweldige overgang? Of moet je zeggen: het zat er eigenlijk wel in.
Ik neig tot dat laatste. Het komt in het leven van de gelovigen dikwijls voor, dat in tijden van aanvechting en benauwdheid het vertrouwen op God toch – zij het latent, verborgen – aanwezig is. Luther doet in zijn uitleg van Psalm 13 de opmerkelijke uitspraak: Hier vertwijfelt de hoop, maar toch hoopt de vertwijfeling. Zo kan het gebeuren dat het geloof dat zich al zuchtende uit, toch onverwacht tot zingend getuigen overgaat. Wie temidden van de spanningen van het leven de omgang met God beoefent, zal dit ongetwijfeld herkennen.
We vinden dit gegeven ook in andere psalmen, bijv. in Psalm 42 en 43. Daarin horen We het 'waarom?' van de aanvechting, maar het oude vertrouwen ontbreekt niet, zodat de dichter zichzelf opwekt en zegt: 'Hoop op God!' Het klagen en zuchten kan overgaan in zingen. Dan klinkt in de nacht het loflied.
Psalm 13 wordt een psalm van David genoemd. Het is een gebed tot God, een roep uit de diepte, een noodkreet van het angstige hart.
Concrete gegevens over wat, waar en wanneer ontbreken. Maar de omstandigheden zijn zo moeilijk voor de dichter, dat hij de vertwijfeling nabij is. Dat blijkt uit het 'Hoe lang, Heere?' waar hij de psalm mee begint en dat hij tot driemaal toe herhaalt. We merken dat het niet alleen de omstandigheden zijn, die het David moeilijk maken. Vooral het uitblijven van Gods hulp en het almaar voortduren van de ellende maken hem moedeloos. De gedachte dringt zich aan hem op, dat de Heere hem vergeet en Zich niet meer om hem bekommert. Dat zou het ergste van alles zijn. Vandaar de verzuchting: 'Hoe lang, Heere, zult Gij mij steeds vergeten? Hoe lang zult Gij Uw aangezicht voor mij verbergen? Hoe lang zal ik mijn ziel moeten aftobben met angst in mijn hart, dag aan dag? Hoe lang zal mijn vijand over mij verhoogd worden, zich boven mij verheffen?'
Het is vreselijk als de vijand met man en macht op komt zetten, zich zeker wanend van de overwinning, tenvijl je niet weet hoe je hem keren moet. Hoe vaak en hoe dringend heb je om uitkomst gebeden, maar er verandert niets. Het lijkt wel of God er niet meer is, dat Hij je vergeet, dat Hij je niet horen wil, je niet meer wil zien.
De aanvechting is hevig. Temeer als de vijand suggereert dat God niets meer met je te maken wil hebben, zoals David is overkomen blijkens Psalm 3 : 3. Als je er over tobt; dat je van Gods aanwezigheid niets merkt en je gebeden onverhoord blijven, ben je geneigd te denken dat die vijand gelijk heeft.
Aangrijpende woorden: 'Hoe lang, Heere, zult Gij mij steeds vergeten? Waarom ga ik in het zwart vanwege des vijands onderdrukking?'
Hoewel de omstandigheden heel anders zijn, kunnen dergelijke aanvechtingen ook nu de gelovigen benauwen. Wie God in Zijn genadige nabijheid heeft leren kennen, ervaart het als een kwellende gedachte, dat de Heere Zijn aangezicht voor hem verbergt en hem heeft losgelaten. Geen wonder dat hij de moed dreigt te verliezen en er na aan toe is om alle hoop te laten varen.
Toch gebeurt dat niet. Want hij kan ondanks alles het bidden niet laten. Uit de diepten roept hij tot God, op hoop tegen hoop, zoals David in deze psalm. Dwars tegen zijn gedachten en gevoelens in houdt hij eraan vast, dat de Heere zijn heil is. Terecht zegt Calvijn dan ook: Hoe zou hij anders zijn zuchtingen en gebeden tot God gericht hebben?
Daarom laat de dichter op zijn klacht het gebed volgen: 'Aanschouw, verhoor mij, Heere, mijn God, verlicht mijn ogen, opdat ik in de dood niet ontslape; opdat mijn vijand niet zegge: Ik heb hem overmocht; mijn tegenpartijders zich verheugen, wanneer ik zou wankelen'.
Hij vraagt of de Heere in ontferming op hem neer wil zien en zijn gebed wil verhoren. Hij noemt de Heere 'mijn God' als uiting van zijn geloof. Hij smeekt zijn God om hulp tegen de vijand. Het zou toch te erg zijn als die met een gemene grijns zou snoeven: 'Ik heb hem overwonnen!' en vol leedvermaak zou zijn als hij zou wankelen en vallen. Omdat de Heere zijn God is, is ook de eer van God ermee gemoeid. En daarom: 'Laat mij niet ten onder gaan. Verlicht mijn ogen, opdat ik in de dood niet ontslape'.
De angst en de spanning zijn David zo gaan ondermijnen dat hij zich de dood nabij voelt. Vandaar de vraag of de Heere zijn ogen wil verlichten. Men vertaalt ook wel: 'Doe mijn ogen weer oplichten, doe ze helder stralen'. Zijn ogen zijn dof van ellende.
Hij ziet er afgemat en uitgeblust uit. Het is dus een gebed om nieuwe levenskracht.
Deze woorden zijn in de loop der tijd door velen overgenomen. Een variatie erop vinden we in het Avondgebed van ons kerkboek: 'Verlicht de ogen' van ons verstand, opdat wij in de dood niet ontslapen, maar altijd verwachten onze verlossing uit deze ellende'.
In welke nood we ons ook bevinden, door welke oorzaak we ook aan het eind van onze krachten zijn, laten we niet opgeven maar net als David ons tot God wenden. Laten we niet ophouden een beroep te doen op Gods ontferming. Ook als de vijand die ons bestrijdt Satan heet, hoeven wij niet te wanhopen. God heeft ons immers een sterke Held beschoren. Die heeft de boze overwonnen: Jezus Christus!
Luther: 'De duivel heeft zijn overwinningslied niet kunnen zingen. Wij strijden wel met hem en hij slaat ons, maar hij zal ons niet begraven!'
Kennen we de ervaring dat ons angstige hart tot rust kwam nadat we gebeden hadden, zodat we vol vertrouwen ons hoofd konden neerleggen en in slaap vielen? Dan kennen we het geheim van de slotwoorden van de psalm. Want na zijn dringend gebed is de angst van David verdwenen. Het geloof is doorgebroken. Hoewel de situatie niet veranderd is, zegt hij: 'Maar ik vertrouw op Uw goedertierenheid'.
Al biddend heeft zijn vertrouwen aan kracht gewonnen en is zijn hart tot rust gekomen.
Zo gebeurt dat nog. De vrede van God komt over ons als wij ons vastklemmen aan de goedertierenheid van God.
Het Hebreeuwse woord voor goedertierenheid kan, afhankelijk van het verband waarin het staat, verschillende betekenissen hebben. Als het de goedertierenheid van God betreft, betekent het de trouw van God aan Zijn verbond, de trouw aan Zijn belofte, de trouw waarmee Hij opkomt voor Zijn volk, Zijn dienaren – zelfs als zij dat door hun ontrouw absoluut niet verdiend hebben. Vandaar dat we het woord in de Schrift telkens tegenkomen in verband met Gods genade en barmhartigheid.
Wie op Gods goedertierenheid vertrouwt, zal niet bedrogen uitkomen. Ondanks zijn aanvechtingen is David daar zeker van. Daarom is hij heel stellig in zijn verwachting: 'Mijn hart zal zich verheugen in Uw heil'. Welnu, als zo de hoop op God de boventoon gaat voeren, ligt het lied op de lippen.
'Ik zal de Heere zingen, omdat Hij aan mij welgedaan heeft'. David is nu zo overtuigd dat God hem verlossen zal, dat hij ervan zingt alsof zijn redding al heeft plaatsgehad. Hij zingt Gods lof Hij roemt in de Heere. Hij juicht in Diens trouw. Want de Heere zal komen en hem verlossen. Die zekerheid ligt verankerd in de weldaad van het hernieuwde geloofsvertrouwen. Dat is een waar Godsgeschenk als antwoord op zijn smeken. Het zuchten is overgegaan in zingen. Zowel het zuchten als het zingen is uiting van het geloof. Maar er is wel een aanmerkelijk verschil in toonhoogte!
Zo leert ons deze psalm uit het gebedenboek van Gods Kerk dat in het gebed des geloofs aanbidding en lofprijzing nooit ontbreken. Laat het de vrucht van onze geestelijke oefening zijn, dat we bij het zuchten het zingen voor de Heere niet vergeten, gedachtig aan Zijn grote daden van heil en verlossing, gedachtig aan Zijn trouw die nooit vergaat.
"k Zal Zijn lof zelfs in de nacht zingen, daar ik Hem verwacht'.
Gelukkig de mens die zo de lofzang zingt!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 augustus 1992

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Zingen voor de Heere

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 augustus 1992

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's