De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Boekbespreking

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Boekbespreking

8 minuten leestijd

J. van Baal, Boodschap uit de stilte/mysterie als openbaring, uitgave Ten Have, Baarn, 150 blz., ƒ 24,50.
Dit boek van Van Baal is een heruitgave van twee door hem eerder uitgegeven essays (zie de titel) met daaraan toegevoegd een 'naschrift', waarin de schrijver zijn inzichten nog weer eens toetst en rechtzet.
Prof. dr. J. van Baal is van 1960 tot 1981 hoogleraar godsdienstwetenschap aan de Rijksuniversiteit van Utrecht geweest. Voor die tijd was hij gouverneur van Nederlands Nieuw Guinea (1953-1958). Gedurende WO-II zat hij meer dan driejaren gevangen in een Jappenkamp in Indonesië. Naast vele andere publicaties van zijn hand van cultureel-anthropologische en godsdienstfenomenologische aard, hebben vooral ook de bovengenoemde opstellen de aandacht van velen getrokken. We hebben in Van Baal te doen met een diepzinnige denker, die een boodschap heeft in het veelszins geseculariseerde en atheïstisch geworden wetenschapsbedrijf van onze dagen.
Die boodschap steekt Van Baal niet onder stoelen of banken. Hij doet althans ernstige pogingen om het mysterie, het onverklaarbare en ongrijpbare (dat 'men' 'god' pleegt te noemen), waar iedere wetenschapper vroeg of laat voor komt te staan en waarover hij rationeel geen uitspraken wenst te doen, te benaderen en rekening te houden met het bestaan en de werking van wat hij noemt het 'Mysterie'. Die benadering meent Van Baal niet los te moeten maken van Jezus en het getuigenis over Hem in het Nieuwe Testament.
Jezus is een profeet, die in de stilte van de woestijn de nabijheid van Zijn Vader ervoer en als leerling van Johannes de Doper getuigde van de geborgenheid in die Vader en van het eeuwige leven in het Vaderhuis. Dat leerde Jezus de mens als zingeving van zijn bestaan (inclusief het aanvaarde leed en lijden). In Messiaans bewustzijn. Zijn dood bewust begerend. En zo leefde Hij voort in Zijn jongeren. Dat geheimenis van geborgenheid als ervaren openbaring geeft ook de mens van de 20e eeuw, zo religieloos als hij wonderbaarlijkerwijs lijkt te kunnen zijn, weer zin en perspectief. Het mag geleerd worden in de stilte, die wel ver zoek is, maar niet geheel onbereikbaar. Zo gezien bevat de boodschap die Van Baal gebracht wil hebben, iets zeer existentieels voor de moderne mens, die geen raad meer weet met zijn vrije tijd.
Vanuit deze ontdekking van Jezus als een authentieke profeet met een het leven zingevende boodschap, komt Van Baal in conflict met modernistische theologieën (o.a. van Schillebeekx), die kennelijk veel minder vertrouwen stellen in de overgeleverde teksten van de Evangeliën in het Nieuwe Testament dan Van Baal wil. Anderzijds echter gaat hij in zijn conceptie van Jezus zelf ook sterk selectief te werk. Het getuigt natuurlijk van vooringenomenheid, als hij het Johannes-evangelie – met zijn door hem als mystiek geduide prediking – voorrang verleent op de drie synoptische Evangelieën. Evenals het van vooringenomenheid getuigt om alle trekken van het Vaderbeeld van God die ons herinneren aan de gestrengheid van het Goddelijk recht (ons uit het Oude Testament bekend) te schrappen. En dus veel uit het onderwijs van Jezus zelf. In het algemeen gesproken moeten we dan ook zeggen, dat er van de joodse context van Jezus bij Van Baal weinig of niets overeind blijft. Hij spiritualiseert het Koninkrijk van God m.i. op een onhistorische wijze. Maar wat eigenlijk erger is, Jezus wordt hier goeddeels weggehaald uit de context van het Oude Testament. De noodzakelijkheid van Zijn dood als plaatsvervangend zoenoffer voor de zonde functioneert in de opvattingen van Van Baal bepaald niet als het enig rustpunt van het hart. Daarvoor in de plaats: een gepantheïseerd en gehumaniseerd Jezus-beeld. In plaats van de toornende God die met straffende hand een tot zonde vervallen mensheid bezoekt, predikt Jezus – aldus Van Baal – ons een Vader die voor de mens openstaat en hem opwacht in het Vaderhuis. Intussen maant Van Baal de mens om te werken aan de voortgaande volmaking van deze wereld en de leniging van haar noden.
Als ik het scherp zeg: deze boodschap zal door de moderne mens van de 20e eeuw als een slaapmiddel worden ervaren. Of op zijn best als een signaal om 'het zwarte gat' met al zijn ongrijpbare en ondefinieerbare zaken niet voor onzin te verklaren.
De Jezus die mij uit de openbaring van de Bij­bel tegemoetkomt – door geen mensenverstand te verifiëren – is indrukwekkender dan die van het gemarginaliseerde evangelie dat Van Baal overhoudt. Eerlijk gezegd geloof ik niet, dat daardoor de autonome wetenschap en de theologie echt wezenlijk tot elkaar genaderd zijn. Hoogstens wordt die autonomie van de wetenschap door Van Baals godsdienstfenomenologische benadering aan banden gelegd. En dat acht ik op zich best een winst. Eén ding is – na het lezen van dit boek – wel duidelijk: van Jezus komt een mens niet zomaar los. Hij, Jezus, blijft boeien. En Van Baal is kennelijk door Hem geboeid en gegrepen.
C. den Boer (Bennekom)

F. van Deursen, Ruth – Klaagliederen – Esther, De voorzeide leer, deel I O, 355 blz., geb., ƒ 58,90, Buijten & Schipperheijn, Amsterdam.
De voorzeide leer is een standaardwerk dat met de verschijning van deze commentaar inmiddels uit 23 delen bestaat. In de eerste afdeling van deze reeks wordt een verklaring van de Heilige Schrift gegeven (I), in de tweede en derde afdeling een verklaring van resp. de Heidelbergse Catechismus en het Doopformulier (II) en de Nederlandse Geloofsbelijdenis (III). De onderdelen worden aangeduid met de hoofdletters van het alfabet. Met de verschijning van deze aflevering is het commentaar op het Oude Testament voltooid. Dat is een feestelijke gebeurtenis. Een hartelijke gelukwens voor schrij­ver en uitgever is hier zeker op zijn plaats.
Uit de titel van deze serie is de doelstelling af te leiden. Het gaat om de inlossing van de belofte die de ouders hebben afgelegd bij de doop van hun kind. Het onderwijzen in 'de voorzeide leer' verplicht hen om zelf voortdurend bezig te zijn met de bestudering van Schrift (I) en belijdenis (II en III). Karakteristiek voor deze commentaar is de toespitsing op de heilshistorische lijnen die in de Schrift zijn aan te wijzen en de gehoorzaamheid in de dagelijkse levenspraktijk van Gods 'verbondsrecht'. Haar voornaamste kenmerk is echter haar Bijbelgetrouwheid. Daar willen we graag onze dankbaarheid voor uitspreken. De verschillende aspecten van het geloofsleven voorzover zij in de verschillende Schriftgedeelten ter sprake komen, blijven vaak onderbelicht. Dat is sterker bij de verklaring van het boek Ruth, minder bij de Klaagliederen. Toch vormen ook deze aspecten een wezenlijk onderdeel van de voorzeide leer. De derde en tweede doopvraag waar deze 'leer' genoemd wordt, hangt ten nauwste samen met de eerste.
Deze eenvoudige, in populaire stijl geschreven verklaring leent zich goed voor persoonlijke bijbelstudie en kringwerk. Wat het laatste betreft, men moet er wel rekening mee houden dat de opmerkingen die hier en daar geplaatst worden over de positie van de vrouw, wel eens stevige discussies zouden kunnen oproepen. B.v. een uitspraak als: 'Ja, waarom zou een weduwe haar (goede?) pensioen ook niet beschouwen als Goddelijke goedertierenheid aan haar overleden Godvrezende man?' (37). Met instemming citeert de schrijver A. Janse: 'Ik durf wel de stelling aan: naarmate de vrouw onafhankelijk wordt van de man in de grote zaken van het leven, in die mate wordt zij ook tot grote dingen onbekwaam...' (290). Soms worden wij door zijn exegese ook verrast. Hij sluit zich aan bij de traditionele opvatting volgens welke Jeremia de dichter van de Klaagliederen is geweest (74) en constateert: Jeremia en zijn geestverwanten hebben zich onder Gods slaande hand verootmoedigd: 'Vindt u het niet opmerkelijk, dat het woord Babyloniërs en de naam Nebukadnezar in dit hele bijbelboek geen enkele maal voorkomen? Daaruit blijkt dat de profeet allereerst met God te doen had en er niet aan twijfelde of ook dit alles was gebeurd onder Gòds opperheerschappij' (83).
Alleen van de Klaagliederen geeft de schrijver een eigen vertaling. Deze sluit nauw aan bij de Nieuwe Vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap (155). Heel de commentaar door worden de woorden 'Israël' en 'kerk' promiscue gebruikt als de kerk in de plaats van Israël getreden zou zijn ('het Judese kerkelijke leven, 82). Zijn wij gerechtigd in één adem te spreken over 'Klaagliederen over Israël en de christenheid?' (73-75). Gaan wij dan niet voorbij aan het lijden van Israël (uitlopend op de Holocaust) en van Zijn Messias, onze Heere Jezus Christus? Van oude tijden afhebben de Klaagliederen in de christelijke kerk een belangrijke plaats ingenomen in de Stille Week.
De uitgever heeft zorggedragen voor een fraaie uitvoering. De prijs voor een dergelijk werk is niet hoog.
H.J. de Bie, Huizen

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 augustus 1992

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Boekbespreking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 augustus 1992

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's