Fundamenteel verstoorde verhouding
Calvijn over het beeld Gods (2)
Beeld Gods in engere zin
We zullen het nu hebben over de mens als beeld Gods in engere zin. Het beeld Gods in engere zin in de mens is niet ontstaan door het scheppingswoord alleen. In dat geval zou er immers geen wezenlijk verschil zijn geweest tussen Adam en de overige schepselen die op geen andere manier tot aanzijn waren gekomen. Bij het Woord Gods dat Adam tot bestaan riep, kwam het Woord Gods dat heel persoonlijk tot hem gesproken werd in een vertrouwelijke omgang met zijn God en Schepper. En (zoals hiervoor al is opgemerkt) nu kwam het voor Adam aan op geloven in het Woord vol van Gods gunst.
Op dit punt maakt Calvijn de overstap van het beeld Gods, zoals het zich in algemene, ruimere zin manifesteert in de schepping, naar het beeld Gods in engere, bijzondere zin zoals dat in de mens is. Want het beeld Gods in ruime zin, dat in heel de schepping aanwezig is, is slechts zichtbaar voor wie in het geloof het Woord van God heeft omhelsd.
Hier is sprake van eenrichtingsverkeer. Alleen de mens die werkelijk het beeld van God vertoont in een verhouding van afhankelijkheid en gehoorzaamheid aan God is in staat Gods spiegelbeeld te zien in de werken van Zijn handen. Die stelling kan niet worden omgekeerd. In het centrum van Calvijns gedachten over het beeld Gods staat derhalve de mens als beelddrager van God.
Christus centraal
Ook hier is het allereerst God die in de mens als in een spiegel Zijn eigen beeld ziet. 'Naar het beeld Gods is dus de mens geschapen, in wie de Schepper zelf zijn heerlijkheid als in een spiegel heeft willen laten zien.' (Inst. II.12.6). Waarom heeft God aan de mens deze waardigheid willen schenken? Calvijn antwoordt: 'Tot deze trap van eer is hij (de mens, vdK) gestegen door de weldaad van de eniggeboren Zoon (...)' (idem).
Daaraan voorafgaand schrijft Calvijn dat het geen twijfel lijdt dat ook toen Adam het beeld Gods gedragen heeft '(...) voor zover hij met God verbonden was (...)' (idem) Christus het ware beeld Gods geweest is. Alle uitnemendheid die Adam stempelde tot beelddrager van God kwam daaruit voort dat hij door de eniggeboren Zoon tot zijn Schepper naderde.
De verhouding tussen God en mens die op formule gebracht is in de definitie 'beeld Gods' wordt alleen zichtbaar door de vereniging met de Zoon van God. Calvijn schrijft hier in kort bestek een aantal belangrijke dingen neer, die voor het verstaan van zijn denken over het beeld Gods van wezenlijk belang zijn.
Allereerst de gedachte dat Christus het ware beeld Gods is. Veelzeggend is immers wat we lezen in Gen. 5 : 1 en 3: '(...) Ten dage als God de mens schiep, maakte Hij hem naar de gelijkenis Gods.' (vs 1) en '(...) Adam (...) gewon een zoon naar zijn gelijkenis, naar zijn evenbeeld (...)', (vs. 3). Dat laatste is weergave van de situatie na de zondeval. Met andere woorden: er is niet één mens meer die ons als een levend voorbeeld laat zien wat het oorspronkelijke, ongeschonden beeld Gods geweest is. Behalve die Ene die God was en bleef èn mens werd: Christus Jezus. Hij is niet alleen op aarde gekomen om ons te laten zien hoe het beeld van God was, maar vooral om al de Zijnen naar Zijn evenbeeld te vernieuwen. Calvijn haalt daarbij in Inst. I.15.4 aan 2 Kor. 3 : 18 '(...) dat wij, met ongedekt aangezicht de heerlijkheid van Christus als in een spiegel aanschouwende naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd worden' en vervolgt: 'Wij zien nu, hoe Christus het volmaaktste beeld Gods is, naar hetwelk wij gevormd en daardoor zo vernieuwd worden, dat wij in ware Godvruchtigheid, rechtvaardigheid, zuiverheid en kennis het beeld Gods dragen.'
In de tweede plaats valt op wat Calvijn in het hierboven aangehaalde citaat II.12.6. opmerkt over het beeld van God in Adam. Dat kwam daarin uit dat hij door de eniggeboren Zoon van God tot zijn Schepper naderde. Wat dus wil zeggen dat het beeld Gods zich in werkelijkheid meer in Christus dan in Adam bevond, meer in Gods gunst en genade, dan in de mens zelf.
Ook hier kan een opmerking vanuit de herschepping en vernieuwing naar het beeld Gods nadere uitleg bieden. Aan het slot van zijn commentaar op Rom. 2 : 11 merkt Calvijn op dat God het beeld Zijns Zoons, hetwelk Hij (door genade) '(...) in ons erkent, gunstig aanziet.'
God kan met een mens alleen te maken hebben als Hij hem aanziet in Christus. Maar in zekere zin gold dat ook al in de staat der rechtheid. Christus krijgt van meetaf aan bij Calvijn de plaats van Middelaar, omdat het beeld Gods zelfs in de staat der rechtheid zo'n hoge eer is die Adam alleen maar uit gunst geschonken is. En de genade die God ons verleent in de wedergeboorte is ten diepste geen andere (wel grotere) gunst, omdat God dan weer het beeld van Zijn Zoon aanziet dat door de Geest in ons vernieuwd is. Deze diepe betekenis geeft Calvijn aan het 'in Christus zijn'.
Het Middelaarschap van Christus is van meetaf voor Calvijn een gegeven, omdat Hij het ware beeld Gods is. Hij zegt dat ook met zoveel woorden in Inst. II.12.1 'Ook al was de mens, vrij van alle smet, in reinheid staande gebleven, dan was toch zijn staat te nederig geweest, dat hij zonder Middelaar tot God had kunnen doordringen.' Daarmee spreekt Calvijn onomwonden uit wat hij op zoveel plaatsen meer benadrukt: het beeld Gods is geen kwaliteit in de mens en ligt niet verankerd in zijn bestaan. Want de mens, zelfs in de staat der rechtheid, is niet anders dan genomen uit de aarde. Dat Hij met de hoge God kan verkeren, is niet omdat hij zelf iets heeft dat hem in staat stelt tot God te naderen of hem anderszins verdienstelijk voor God maakt, maar alleen vanwege het beeld Gods waardoor God hem gunstig aanziet.
En dat nu, dat God zich met de mens die niets dan stof en leem is, wil inlaten en dat
Hij hem met talrijke zegeningen overlaadt en meer dan enig ander schepsel met weldaden omringt, dat noemt Calvijn de door God oorspronkelijk opgerichte ordening. Het is de ordening die de dichter van Psalm 8 met profetische terugblik bezingt: Wat is de mens dat Gij hem bezoekt (visiteert, van visitatio – een geliefd woord bij Calvijn om aan te geven hoe God de mens voortdurend met Zijn gunst bezoekt) en 's mensenkind, dat Gij hem Uw teerste liefde schenkt (berijmd).
Gehoorzaamheid beslist
Wanneer de mens in kinderlijke afhankelijkheid van deze barmhartigheid Gods leeft, een houding die zich vertolken laat in gehoorzaamheid aan het spreken Gods, dan leeft de mens in de rechte verhouding tot God. Dat is zijn roeping en plicht. In zijn inleiding op het Genesis-commentaar (pag. XXII, XXIII) stelt Calvijn dat de mens niet alleen met veel meer gaven, maar ook met rijker genade dan de overige schepselen is begiftigd. Dat maakt hem schuldiger dan welk ander schepsel ook tegenover zijn Schepper. Een schuld die hij alleen kan 'aflossen' door voortdurend het beeld Gods te vertonen. Als beelddrager Gods leven, wil niets anders zeggen dan de onverdiende goedheid die God aan nietige aardwormen bewijst, te aanvaarden en in overeenstemming daarmee leven. Dit is leven als beelddrager Gods en tevens een leven dat door Calvijn omschreven wordt als 'rectitudo', dat wil zeggen een leven in overeenstemming met de door God vastgestelde ordening.
Dit principe, deze rechte verhouding van Adam tot God, is beheersend voor heel de schepping. Heel de schepping staat dan evenzeer in rechte verhouding tot God en mens.
Een ordening die intussen staat of valt met het antwoord van de mens op de vraag of hij wel dan niet leeft in overeenstemming met de genade die God hem bewezen heeft. Aanvaardt hij die genade en is zijn leven-in-dankbaarheid daarop het antwoord, dan is die goede ordening er ook. In zijn eigen verhouding tot God en vandaar afstralend op heel de schepping. Maar wil de mens niet langer in afhankelijkheid van God leven, wil hij zich boven God verheffen, dan is het gevolg dat de rechte verhouding verdwijnt en de wanorde overheerst. Want zelfverheerlijking brengt chaos. En zoals heel de schepping betrokken is in de rechte verhouding van de mens tot God, is ook heel de schepping betrokken in deze val van de mens en de daarop volgende chaos als gevolg van 's mensen zelfverheffing. De ordening die God in de schepping heeft gelegd, is naar de mens toe dus vooral geestelijk van aard en hangt direkt af van zijn verhouding tot God.
Zou deze visie, die ruim vier eeuwen geleden door Calvijn aan de Schrift is ontleend, ook ons niet veel te zeggen hebben in een tijd van boven het hoofd gegroeide milieuproblematiek? De meest voor de hand liggende oplossing mag enig soelaas bieden, in werkelijkheid lost die niets op. En de praktijk wijst dat veelszins uit. Het komt erop aan dat we zaken van wezenlijk belang in hun diepte-verhouding peilen. Dat is tot op de diepte van de oorspronkelijke en nu door de zonde fundamenteel verstoorde verhouding tussen God en mens. Zo krijgt de bijbelse oproep tot bekering ineens heel concreet handen en voeten in het alledaagse leven, ook van de twintigste eeuw.
Terugblik
In dit en het vorige artikel zijn de hoofdlijnen van het beeld Gods gegeven. In het vervolg willen we ons nog bezig houden met een aantal zaken die er direkt mee samen hangen, zoals de vraag naar de vernieuwing van het beeld Gods.
Nu willen we even terugblikken op de afgelegde weg langs Calvijns gedachten over het beeld Gods. Wie zou niet onder de indruk zijn van het diepe inzicht in de Schriften dat Calvijn hier aan de dag legt? Hier komen lijnen aan de dag die wij zo misschien nog niet eerder ontdekt hadden, zodat op sommige Schriftplaatsen licht valt dat wij er op die manier nog nooit over hebben zien stralen. En wie zou niet onder de indruk zijn van het machtig accent dat Calvijn legt op de eenheid van de werken Gods die vooral hierin tot uitdrukking komt dat God met de mens na de zondeval niet wezenlijk anders handelt dan ervoor? Maakt dat het wonder van Gods genade met opstandelingen niet des te groter? Als het leven voor de zondeval voor Adam al een leven in Gods gunst was, een leven van onverdiende genade, hoeveel te meer geldt dat niet na de zondeval! En door dit benadrukken van de eenheid Gods in al Zijn werken, dat trouw blijven aan Zijn oorspronkelijke bedoelingen – daardoor verschijnt voor ons sterker dan ooit het beeld dat Ps. 138 : 4 (berijmd) bezingt 'De Heer' is zo getrouw als sterk!'
Wie de door Calvijn getrokken lijnen naar zichzelf toe trekt, zal er meer dan overvloedige stof in vinden om zich te verwonderen over het ene, ondeelbare werk van God in het zalig maken van mensen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 augustus 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 augustus 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's