Globaal bekeken
Hier volgt nog een Roosje van ds. August Henkels uit de bundel 'Uit de Rozenhof' (Uitgave Friese Pers Boekerij, Leeuwarden, 1977)
'Vuren Is een dijkdorp onder de rook van Gorcum, aan de overkant ligt het Land van Altena. Die zondagmorgen 17 september 1944 zou ds. Jansen voorgaan in de dienst. Ik was ds. Jansen. Sinds juni was ik, als zoveel landgenoten in die tijd, van huis, op het nippertje ontsnapt aan een Silbertannemoord. Onderdak had ik gevonden bij oude vrienden in Giessen in het Land van Altena en ik wachtte daar op het eind van de oorlog.
De RAF had de grote veerboot bij Sleeuwijk in elkaar geschoten en daarom moest ik eerst een omweg in oostwaartse richting maken om bij Brakel met een eenmansveertje aan de andere kant van de rivier te komen. Ik was vroeg met mijn fiets van huis gegaan, het was een prachtige dag, het zonlicht trok opaliserende slierten door het water. Ik was de enige klant van de veerman. Aan de overkant gekomen moest ik eerst weer een heel eind westwaarts langs de dijk terug fietsen. Ergens in de uiterwaarden lag het wrak van een geallieerd vliegtuigje, één van die kleine dingen, waarmee de dappere Polen het dagelijkse storingswerk verrichtten.
Eén ouderling wist wie ds. Jansen was, hij was de schoonvader van mijn vriend. De kerk was volbezet en zong uit volle borst de ingangspsalm, dat ging daar nog op hele noten, een muur van majesteit. Na de voorliturgie begon ik aan mijn preek, de tekst was de gelijkenis van de kostbare parel. Ik zal zo'n vijf minuten of daaromtrent – zulke dingen weet je later nooit precies te zeggen – bezig zijn geweest, toen er vliegtuigen overkwamen. Even later spetterde vinnig mitrallleurvuur: klaarblijkelijk stieten de Polen als roofvogels neer op de Duitse afweerbatterijen langs de dijk. Het ratelen verwijderde zich, het was even stil, en toen kwam een groot dreunen naderbij. Nu waren we daar al maandenlang heel wat gewend op dat gebied: ook de grote luchtvloten die de Duitse steden onder handen gingen nemen, kwamen bij ons over op klaarlichte dag. Ik dacht: zo dadelijk zijn ze voorbij, en ik preekte onverveerd verder. Maar het ging niet voorbij, het gedreun zwol aan en hield niet op. Alles was anders dan anders. Ik merkte dat ik met mijn blaadjes in de war raakte, maar ik merkte ook dat niemand in de kerk dat merkte. Ik dacht: daar komen ze, het is zover. Maar ik bleef doorpraten om tijd te winnen: wat moest ik doen? Gewoon doorgaan had geen zin, niemand luisterde meer naar mij, iedereen luisterde naar dat zware dreunen boven ons. Er ging van alles door mij heen, terwijl ik bleef doorpraten: als er een bom op de kerk zou vallen, zou de gehaktmolen aan de gang zijn, als ik de dienst zou beëindigen, liepen de kerkgangers gevaar in het vuur van de Poolse vliegtuigjes en de Duitse FLAK terecht te komen. Ik wierp nog eens een blik in de kerkruimte en toen zag ik waar het grootste gevaar school. In de kerk lag een tijdbom: de mensen zaten verstard van angst op hun plaatsen, de angst was de tijdbom die elk ogenblik kon exploderen. Er hoefde maar een verdwaalde kogel door een ruit te vliegen en ook zonder dat iemand geraakt werd, zou het glasgerinkel de tijdbom tot ontsteking kunnen brengen en een wilde paniek veroorzaken. Ik wachtte nog even en toen ik meende dat het dreunen iets minder werd, zei ik dat het me beter leek de dienst te beëindigen. Ik verzocht de kerkgangers niet allemaal tegelijk heen te gaan, maar in groepjes, en vooral bedacht te zijn op dekking. Toen gaf ik de zegen: 'Gaat heen in vrede...' Overbekende woorden kunnen soms een gewicht krijgen waar degene die ze zeggen moet, bijkans onder bezwijkt. Alles ging goed, ik verbaas mij daar heden nog over.
Buiten gekomen bleek dat het grote dreunen niet alleen afkomstig was van de nog steeds in menigte overkomende vliegtuigen, maar mede van zwaar artillerievuur uit oostelijke richting. De Poolse vliegtuigjes gingen door met hun storingswerk en op een gegeven ogenblik dwarrelden papiertjes neer op de uiterwaarden. Duitse soldaten snelden erheen om ze op te rapen. Een jonge Duitser had er eentje en ik las mee over zijn schouder: er stond op dat het zover was en dat men uitgenodigd werd zich over te geven, helm af, koppelriem losmaken, geweer weggooien, handen omhoog steken, was getekend: Dwight D. Eisenhower, opperbevelhebber.
Ik bleef eten bij de schoonouders van mijn vriend en in de uren daarna werd het verkeer langs de dijk steeds intensiever: grote trucks met Duitse soldaten kwamen voorbij en reden in oostelijke richting waar het zware dreunen vandaan kwam. Ik maakte zoveel mogelijk praatjes met Duitse soldaten om méér aan de weet te komen, maar ze wisten alleen dat de reis naar Arnhem ging, wat daar aan de hand was, wisten zij ook niet. Er was nog een komische noot: ik stond net met een boer te praten, toen deze aangesproken werd door een Duitse soldaat, die hem verzocht zijn fiets zolang voor hem te bewaren, hij zou hem dan na de 'Krieg' komen ophalen. De boer knipoogde tegen mij, schoof de fiets zijn schuur in, en daar hebben we samen hartelijk gelachen om die mof.
Intussen verstreken de uren en ik maakte mij steeds meer zorgen over de vraag of ik nog over de rivier terug zou kunnen. Dus nam ik in de late namiddag mijn fiets en reed oostwaarts naar het Brakelse veer. Dat was er nog, alleen bleek de veerman gezelschap te hebben gekregen van een jonge Duitse soldaat met een machinepistool over zijn buik, maar hij maakte mij geen last, nadat ik mijn persoonsbewijs had getoond.
In Giessen teruggekeerd, bleek men daar een rustige zondag te hebben gehad, alleen waren er telkens vliegtuigen overgekomen die aan een kabel andere vliegtuigjes trokken. Ik vertelde wat ik in Vuren beleefd en gezien had en we waren vol verwachting op wat nu komen zou, een verwachting, die nog gevoed werd toen we naar gewoonte die avond bij de veldwachter thuis de Engelse zender beluisterden, 's Nachts begon het nog harder te dreunen in zuidwaartse richting: de Duitsers waren bezig hun munitievoorraden in de bossen van Brabant op te blazen. Mijn vrienden zeiden: 'Nu ben je gauw weer thuis!' ...maar dat kwam anders. Wat kwam was de mist die dagenlang aanhield en de geallieerde vliegtuigen verhinderde de lucht in te gaan, en kort daarop wisten we dat de sprong op Arnhem mislukt was.
Dit stukje heb ik geschreven na herlezing van Stendhals La Chartreuse de Parme waar in het begin van het verhaal de belevenissen van een jonge man verhaald worden die tussen twee vijandige legers is terechtgekomen, pas later hoort hij dan dat hij de slag bij Waterloo heeft meegemaakt. Zo heb ik nu pas kunnen nalezen wat ik op die mooie zondag in september heb beleefd in het boek van Cornelius Ryan Een brug te ver. Wie geschiedenis meemaakt, weet pas later wat hij werkelijk heeft beleefd. Na die zondag heb ik nog vele honderden malen gepreekt, maar nooit meer over de kostbare parel. Over dat ogenblik op de kansel in Vuren, toen ik een beslissing moest nemen, heb ik nog wel eens een nachtmerrie: ik hoor dan glasgerinkel en word wakker, doordat mijn vrouw mij aan mijn arm trekt: 'Je schreeuwde zo in je slaap'.
Uit 'Stromen op het droge' van de Schotse predikant William Reid (1814-1896): (uitgave Groen, Leiden):
'O Gij, Die mijn zonden aan 't kruis hebt gedragen.
Mijn Heer en mijn Heiland, mijn Hope zijt Gij!
Gij droogdet mijn tranen. Gij wendet mijn plagen,
Gij bracht mij mijn God en de hemel nabij!
Bewaar bij Uw vrede mijn hart en mijn zinnen.
Verlos mij gehéél uit de banden des kwaads!
Leer wettig mij strijden, en strijdend verwinnen.
En geef uit gena bij Uw heilgen mij plaats!'
Uit 'Stromen van levend water' van Andrew A. Bonar (1810-1892), uitgave De Banier, Utrecht, het volgende dagboekfragment (30 mei 1868) over 'Geloof en gevoel':
'Terugziende op het verleden zie ik dit feit in mijn leven, dat ik gedurende meer dan dertig jaren nooit geschokt ben geworden in mijn rustige vertrouwen op de Heere Jezus, als voortdurende verwondering en dankbaarheid waardig. Ik ben vele, vele malen een tijdlang ongelukkig geweest, maar nooit ben ik daardoor tot twijfel gebracht over mijn deelhebben aan Christus. De Heere heeft nooit toegelaten dat mijn ogen zich voor het enige fundament sloten. Hij heeft mij ervoor bewaard dat mijn gevoelen vermengd werd met het werk van Christus. Het is alles enkel genade geweest, de arbeid van de Heilige Geest, die de dingen uit Christus neemt en ze toont.
Niets maakt de verzekerdheid zo vast als het weten, dat God eer ontvangt wanneer Hij een zondaar aanneemt. Geloof dat opwast tot verzekerdheid is datgene, wat ware vrede schenkt.
Het geloof wast op de bodem van betreurde zonden.
Het is het voorrecht en de roeping van de gelovigen om zonder vrees of twijfel op het bloed te zien. U kunt Gode niet meer eren en u kunt de Heilige Geest of Christus niet meer behagen dan door onbegrensd vertrouwen te stellen in Zijn bloed.
Verzekerdheid is niet slechts een voorrecht, maar ook een plicht.
Indien wij te eniger tijd het besef van Zijn tegenwoordigheid kwijtraken, dan is de weg om die weer herwinnen niet neer te zitten om onze 'tekenen te tellen'. Die weg is tot Hem weder te keren.
Gevoelens hebben niets te maken met rechtvaardiging. Zij zijn een deel van de heiligmaking.
U zult nooit gevoelens kennen alvorens u in het geloof staat.
Men moet het gevoel geen vertrouwen schenken. Vrees kan alle gevoel verdrijven. Aan geloof moet op zichzelf ook geen vertrouwen worden geschonken. Ons vaststaan hebben wij te danken aan een levende, tussentredende Zaligmaker en ons oog moet in een uur van beproeving op Hem rusten.
Het geloof is niet meer deel van het Evangelie als uw oog deel is van het licht van de zon.
Sommige bezorgde zielen wensten wel dat Christus ons een omschrijving van het geloof had gegeven. Maar dat doet Hij niet. Hij spreekt: 'Heb het', maar Hij verklaart niet wat het is. Hij wil dat wij er op zien en niet er in, dat wij op het voorwerp van het geloof zien en niet op de daad van het geloven.
Wanneer wij schreien over het lijden van Christus alleen maar omdat dit zo droevig en smartelijk is, dan is dat gevoel. Wanneer wij schreien omdat de zonde Hem dit alles deed lijden en inzien dat Hij het lijden voor ons onderging, dan is dat geloof.
Het is niet de hoeveelheid van onze kennis die ons zalig maakt. Het gaat om het gebruik dat wij van die kennis maken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 augustus 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 augustus 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's