Boekbespreking
David Koole, Eén God, één geloof, één prediking, één kerk; een bezinning op het christelijk geloof en de kerkelijke praktijk, uitgave Steunpunt (Christelijke Boekcentrale, Langbroek), 159 blz., ƒ 18,75.
D. Koole schreef een handzaam en goed leesbaar boekwerkje over een aantal specifieke geloofsthema's, zoals de uitverkiezing, het verbond, de kerk, voorafgegaan door een heldere en Bijbelse uiteenzetting over God en mens en toegespitst op de vragen die in de (engere kring van de) Ger. gezindte steeds aan de orde zijn, als het gaat om de prediking en het hoe en wat van de toeëigening des heils. We mogen aannemen, dat het de schrijver vooral om het laatste gaat. Gedreven door een sterke begeerte naar eenheid tussen de kerken van Ger. belijdenis (GK-v., Ned. Ger. Chr. Ger., Ger. Gem.). En met een behartigingswaardig appèl om eenzijdigheden te vermijden (zoals in de verkiezingsleer van de Ger. Gem.). Hij laat ook het mes in eigen vlees snijden, als hij b.v. tegen het boek 'Klank en Weerklank' (van de vrijgemaakte prof. Trimp ((niet met name genoemd, waarom niet?)) inbrengt, dat hier eenzijdig de prediking gezien wordt als belofte-prediking ( = een afslanking van de opdracht van Christus om te prediken: bekering en geloof).
Voor hen die nader geïnformeerd willen zijn m.b.t. de identiteit van de kleinere kerken van de Ger. gezindte en hun poging van toenadering tot elkaar, biedt het boekje veel lezenswaardigs. M.i. blijft het een goede zaak, als daarin de Chr. Ger. een bijbels pleidooi blijven voeren voor de bevindelijkheid van het geloof en het grote belang van de vragen rondom het thema: de prediking en de toeëigening des heils.
Erg storend en stotend vind ik wel, wat te lezen is op blz. 119. Ik ontken in elk geval, dat de N.H. kerk – als kerk – niet reëel en eerlijk aanspreekbaar is op de Heilige Schrift, opgevat volgens de drie formulieren van enigheid. Het bestaan van de Ger. beweging binnen deze kerk lijkt de auteur geheel te ontgaan. Of heeft hij er geen fiducie in? Art. 10 Nw. Kerkorde geeft in elk geval de G.B. het goed recht op de vaderlandse kerk aan te spreken op haar belijdenis, waaraan zij ook is ontsproten.
Ds. R. Boogaard, ds. P. den Butter, drs. E.F. Vergunst, Zijn trouw aan Israël nooit gekrenkt, uitgave Den Hertog, Houten, 150 blz., ƒ 18,90.
Eén van de boeken die tot mijn vakantie-lectuur behoorde, was het bovengenoemde. Een chr. ger. auteur (ds. P. den Butter), een herv. ger. auteur (drs. E.F. Vergunst) en een auteur die predikant is van de ger. gem. (ds. R. Boogaard) schrijven samen een boek over Israël. Zicht op Israël in de kring van de Ger. gezindte in Nederland is gelukkig geen nieuw verschijnsel. Genoemd boek onderstreept het weer. Kennelijk is het geloof in Gods trouw aan Israël iets dat kerkelijke grenzen overschrijdt. Of mogen we zeggen en hopen, dat het door dit hernieuwde bezig zijn met Gods werk onder Zijn volk kan komen tot een nieuw reveil ook in de kerken der reformatie van Nederland? Ik wens vurig, dat dit boek daaraan mag bijdragen. Laat het gelezen worden door jong en oud. De historische schets die Den Butter geeft van het Zionisme met alle bijzonderheden (ook inzake de rol die Engeland daarin speelde). In één woord: helder en eerlijk. Vooral de wijze waarop hij Gods hand in het verleden bezig ziet.
Dan het tweede onderdeel van het boek, dat getiteld is: Gods genade in het heden (niet: verleden, blz. 51) geschreven door Vergunst. Bevlogen, geladen, zoals we dat van hem gewend zijn. De wortel van alle anti's afsnijdend. 'Zijn bloed kome...', een tekst die nauwkeurig wordt uitgelegd; het geheimenis van Israël (Rom. 9-11) stamelend Paulus nasprekend.
En ten laatste Boogaards bijdrage over Gods Woord voor de toekomst (van Israël), waarin hij met een veelheid van getuigenissen, citaten (vooral uit commentaren op Romeinen) uit de tijd van de Vaderlandse Reformatie en 't Puritanisme in Engeland/Schotland laat zien, dat het Bijbelse zicht op Israël daar vaak helderder is geweest dan bij Calvijn en de kanttekeningen van de Statenvertaling op het Oude Testament, zonder dat men verviel in chiliastische dromerijen.
Daar staan wij dan – dacht ik, na dit boek in één adem uitgelezen te hebben. Gods trouw aan Israël nooit gekrenkt. Er is hoop... Daaraan hangt zelfs de heilszekerheid die in onze Ger. Gezindte zulk een teer punt is. Want als God Israël laat vallen is er voor de kerk uit de volkeren niets meer te hopen. Wij scheppen moed...
Toch blijft er na het lezen van dit boek een vraag op mijn lippen branden. De vraag: hoe nu verder? Geen vervangingsleer meer (hoe fnuikend). Geen twee-wegenleer (hoe barricaderend ook voor het gesprek met Israël). Geen chiliasme (want dan zouden we met de armen over elkaar kunnen gaan zitten). Maar wat dan wel? Zending onder Israël à la Baruch Maoz? Nee, dat niet. Gesprek met Israël. Ja, dat. Maar hoe? In elk geval niet zonder de innerlijke bereidheid om te luisteren naar Joodse stemmen, ook al is – om woorden van Vergunst te gebruiken – dat Joodse volk (om de bedekking die ligt op zijn aangezicht) in een diepe slaap gezonken. Zou het b.v. ook kunnen zijn, dat wij in de geschiedenis van de Chr. kerk en in de ontwikkeling van het Chr. dogma uit vrees voor het Judaïsme (wetticisme) het oer-chr. geloofsideaal van Jakobus en de zijnen in Jeruzalem, te veel uit het oog verloren? Ik noem maar iets. Als het Joodse volk de woorden Gods zijn toebetrouwd gebleven, behoeft dat niet te betekenen, dat die daar zo goed zijn geïnterpreteerd. Maar de chr. kerk moet daarentegen ook niet denken, dat zij die woorden Gods kan verstaan, los van hun Israëlitische context.
In elk geval niet los van de Oudtestamentische beloften der profeten m.b.t. het land en de terugkeer van Israël. M.a.w. heel het N.T. tegen de achtergrond van het O.T.
Er is dus nog heel wat te studeren. De vraag blijft: hoe verder? Hoe vindt de ontmoeting plaats met Israël-nu? Hoe kunnen we solidair zijn met dit volk? Vooreerst misschien vooral als de Samaritaan die de vertrapte Jood aan de kant van de weg alleen sociaal hielp? Als God Israël – ook zonder dat daar een geestelijk herstel van dit volk (Ez. 37 vv/Rom. 11) aan voorafging – het land der vaderen teruggaf, dan mogen wij toch zeker dit volk in dit land niet in de kou laten staan, ook al is van onze hoop op een geestelijk herstel van dit volk, nog niet zoveel zichtbaar? Maar dat toch niet alleen. Wat dan nog meer? Luisterend getuigen, getuigend luisteren. Ontmoetingen aandurven. Israël-reizen en seminars. Onze gaven brengen. Onze liefde betuigen, want 'Israël weet niet meer wat het is om bemind te worden' (Esther Dorflinger). In woorden en daden: wat deze Messias Israels voor ons betekent. Om zo Israël tot jaloersheid te verwekken, als God het geeft. Al was het slechts één mens, één Jood. Want wie één mens, één Jood redt, redt de halve wereld (dat hele volk).
John Bunyan, Goed nieuws voor de slechtste mensen of de Jeruzalemse zondaar gered; vertaald en ingeleid door dr. J.B.H. Alblas, uitgave Den Hertog, Houten, 108 blz., ƒ 21,90.
Een soldaat die met zijn compagnie een fort belegerde, vertelde mij eens, dat de belegerden, zolang zij ervan waren overtuigd dat hun vijanden geen genade zouden kennen, vochten als gekken. Maar toen ze zagen dat één van hun gevangengenomen kameraden goedgunstig werd ontvangen, kwamen zij allemaal uit hun fort rollen en gaven zich over aan de vijand! Ziedaar een enkele passage uit de verhandeling van John Bunyan over Luk. 24 : 47: het bevel van Christus om bekering en vergeving der zonden te prediken, beginnend van Jeruzalem. Genoemde passage typeert Bunyans manier van omgaan met het Evangelie-aanbod. Een welmenend en onvoorwaardelijk roepen van de grootste zondaar tot de genade, ons in de gezegende Zaligmaker Jezus Christus gegeven. Eén en al pleidooi voor de grote liefde van Hem die zijn jongeren opdroeg zich met de verkondiging van Gods schuldvergevende genade eerst te richten tot Jeruzalem, dat zijn Messias had gesmaad, gedood en verworpen. Jezus laat zich niet afschepen (blz. 23). Bunyan daalt in deze preek wel zo diep af in de verborgenste schuilhoeken van het mensenhart, dat het werkelijk niemand vrij staat om nog één minuut te wachten met een algehele en ongereserveerde overgave aan Christus. En het is in deze bedding van het onvoorwaardelijke Evangelieaanbod (zonder bekrompenheid die Gode genade afknijpt en inperkt tot magere en armzalige besluiten en starre wettelijke voorwaarden, blz. 62), dat John Bunyan in deze preek tevens de weg wijst waarlangs het in het leven van de mens tot die radicale overgave komt, nl. in de weg van oprecht berouw. Niemand hoeft te wanhopen. Ook hij niet die vreest de zonde tegen de Heilige Geest bedreven te hebben. (Het slot van Bunyans verhandeling gaat daar vooral over.) Niemand moet zich ook de zaligheid aanmatigen en intussen in zijn goddeloosheid blijven leven.
Opnieuw heb ik me – na het lezen van dit kostelijke geschrift – afgevraagd, hoe een prediker als Bunyan aan die overweldigende drijfkracht en zeggingskracht is gekomen in zijn prediking van het Evangelie. Zo hartelijk en gunnend, zo op de man af, zo evangelisatorisch... Zou het wellicht daar vandaan komen, dat hij zelf wist uit ervaring wat het is om als de grootste der zondaren gered te zijn? 'Ik spreek uit ervaring. Ik heb zelf onder de luis gezeten, ik was zelf één van de mensen bij wie veel zonden vandaan komen. Ik besmette de hele jeugd van mijn geboortestad met allerlei jeugdige ijdelheden... Daarom pakte Christus mij het eerst aan en daarmee verminderde de besmetting in de hele stad sterk' (blz. 41).
Ik juich het toe, dat dr. Alblas dit geschrift van John Bunyan dat al wel eerder in het Nederlands vertaald is geweest, in eigentijdse taal opnieuw vertaald en in een frisse uitgave vanwege de Banier het licht heeft doen zien. En ik, spreek de wens uit, dat dit heerlijke boekje in veler hand komt. Ook dat onze voorgangers die zondag aan zondag het Woord van God mogen verkondigen, de moeite willen nemen om het eens te lezen. Het zal zeker helpen om te geloven, dat wie zo het Evangelie mag verkondigen niet tevergeefs arbeidt.
Michael Green, Wie is deze Jezus?, uitgave Kok, Kampen (uit het Engels vertaald door E. v.d. Poll), 114 blz., ƒ 24,90.
'Een boekje voor practisch gebruik in het decennium van evangelisatie.' Aldus de aankondiging van dit boekje door de schrijver, een vooraanstaand 'evangelical' in de Anglicaanse kerk, bekend om zijn vele publicaties op het terrein van de evangelisatie.
'Wie is deze Jezus?' is een boekje geworden, waarin op een heldere en krachtige wijze getuigenis wordt afgelegd van het geloof in Jezus Christus, onze onsterfelijke Zaligmaker, à la Billy Graham. Men leest het in één adem uit. Drs. v.d. Poll vertaalde het in vlot leesbaar Nederlands. Het sprankelt van levendigheid. De auteur weet zo over Jezus te schrijven, alsof Hij gisteren leefde. In vele superlatieven en comparatieven en toch niet overdreven, hoogdravend. Hij is kennelijk gedreven door de hartstocht van een evangelist die zielen wil winnen voor het Lam. Inmiddels draagt hij uit de boodschap van het Nieuwe Testament zoveel aan, dat iemand die weinig van de Bijbel weet, gewoon nieuwsgierig wordt gemaakt om meer van Hem aan de weet te komen. En dat is precies de bedoeling van de schrijver met dit boekwerkje. Interessant is ook wat hij aan het slot noemt: voetnoten voor nieuwsgierigen: Historisch bewijsmateriaal uit niet christelijke bronnen (citaten van Tacitus, Plinius de Jongere, Flavius Josephus, enz.). Of hij daarmee zijn sprankelend verhaal over Jezus zoveel geloofwaardiger maakt, staat nog te bezien. De geweldige betekenis van Jezus en de grote waarde van het geloofsgeheim zijn nu eenmaal niet met onomstotelijke bewijzen aantoonbaar. En dat is ook wel een beetje de teneur van heel het geschrift. Ongeloof is een kwaal van het mensenhart die slechts door Gods onwederstandelijke genade is uit te roeien.
Ook al brengen wij de boodschap van de levende Zaligmaker zo appellerend, dat dat ongeloof als de grootste dwaasheid wordt afgeschilderd. Intussen zal dit boekje, voor hen die beginnen belang te stellen in de Persoon en het werk van Jezus Christus goede diensten kunnen bewijzen. Moge de Heere het vooral voor hen gebruiken als een 'wegwijzer' naar Hem.
C. den Boer, Bennekom
Francisco de Quevedo, Dromen, vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Barber van de Pol, Ambo-klassiek, Ambo, Baarn, prijs ƒ 39,50.
Van 1580-1645 leefde De Quevedo. Het is de tijd dat in Spanje de terreur van de Inquisitie heerst. In Suenos (Dromen) vertelt Quevedo vijf dromen die doordrenkt zijn van een soort apocalyptische sfeer. Onder andere vertelt hij dromen over het Laatste Oordeel en van de hel. Al lezend vraag je je af: mag dat wel, kan dat wel? Vooral als je bedenkt dat Quevedo een satiricus en spotter is van de bovenste plank. Nu kennen we in de literatuur meer voorbeelden van dergelijke beschrijvingen. Te denken valt aan Dantes beschrijving van de hel. Ik moest ook even denken aan Bunyans visioen in De Christenreis vervat. In onze eigen tijd kennen we Vestdijks De kellner en de levenden van Brakman Glubkes oordeel. Het onbekende trekt aan. Hoe zal het wezen over de grens van tijd en eeuwigheid, van het zichtbare en het onzichtbare? Hoe Quevedo het bedoeld moge hebben, mij viel op dat hij vertelt hoe in de hel een afdeling is van de 'Had ik maar 's'. Had ik maar gezwegen. Had ik de arme maar geholpen. En verderop, vertelt Quevedo, kwam ik de 'God is barmhartig'-ers en de 'God zij met mij's' tegen. Hij bedoelt mensen die in hun leven maar raak gedaan hebben met een beroep op Gods barmhartigheid. Er zijn ook de ongelukkigen die plotseling zijn gestorven. Ze hebben nooit met de realiteit van het sterven gerekend. De dood overviel hen, hoewel ze hadden kunnen weten dat hij eens kwam. Quevedo heeft het over de worm van het geweten die altijd belust is op zieltjesknagen. Uiteraard krijgen ook de tegenstanders van het Spanje van die dagen en van de Roomse kerk ervan langs: Willem van Oranje wordt de hypocriet van Antwerpen genoemd, andere kwalificaties zal ik hier niet overnemen. De vervloekte Luther en de ketterse Melanchton en de renegaat Beza ziet Quevedo in de plaats der duisternis. Een boek dat je niet voor je plezier leest, dat je ook niet echt hoeft te lezen en waarvan je je zelfs afvraagt na lezing: had ik het wel mogen lezen ook al hoort het tot de klassieken van de Spaanse literatuur.
Christelijk Lektuur Centrum (red.), Uitgelezen 11, Nederlands Bibliotheek en Lektuur Centrum, Den Haag 1990, ƒ 26,30.
Ook rechtstreeks te bestellen bij het NBLC, bestelnummer 15044, Postbus 93054, 2509 AB 's-Gravenhage.
Lezen van literatuur heeft soms iets weg van een eenzaam avontuur. Je begint er aan en je weet veelal niet waar je komen zal. Je doet het ook helemaal alleen. Je kunt er nooit met iemand over spreken eigenlijk. Toch is de behoefte groot ervaringen te delen en opgekomen vragen te bespreken. Sinds 1974 publiceert het Christelijk Lektuur Centrum de reeks Uitgelezen: reacties op boeken, intussen al elf delen. Men veronderstelt bij lezers behoefte aan informatie over literatuur, proza en poëzie van Nederlandse schrijvers van de laatste decennia. Achtergronden, tendensen en richtingen van genoemde literatuur worden verstrekt. In het elfde deel dat onlangs verscheen komt werk van schrijvers aan de orde die al eerder besproken zijn. Uit de eerste vijf delen zijn een aantal schrijvers geselecteerd van wie in de jaren tachtig nieuw werk is verschenen.
Zo komt werk aan de orde van achtereenvolgens: J. Bernlef, Hugo Claus, Elisabeth Eybers, Ida Gerhardt, Guillaume van der Graft, Maria de Groot, Jacques Hamelink, Maarten 't Hart, Oek de Jong, Rutger Kopland, Gerrit Krol en Cees Nooteboom. De redactie heeft voor de bespreking van hun werk opnieuw gezocht naar deskundige medewerkers die affiniteit voelen met het te bespreken werk. Als het gaat om de beoordeling van een en ander acht de redactie het niet allereerst nodig dat waardeoordelen worden gegeven, maar dat er veel meer literaire typeringen worden geboden. Dat uitgangspunt leidt tot boeiende analyses waarbij de auteurs wier werk wordt besproken niet steeds in de rede worden gevallen door ethische en religieuze beoordelingen of veroordelingen. De lezer van Uitgelezen moet die eventuele conclusies zelf maar trekken, zo hij dat wenst. Voor wie graag poëzie leest, biedt dit deel interessante onderdelen. De poëzie van Elisabeth Eybers, Ida Gerhardt, Guillaume van der Graft, Maria de Groot, Jacques Hamelink en Rutger Kopland krijgt grondige aandacht. Marieke Jonkman, zelf onlangs in de publiciteit met twee kort na elkaar verschenen bundels indringende poëzie, besteedt aandacht aan Kopland en H. van der Ent (bekend als dichter onder het ps. Anton Ent) bespreekt de drie delen verzamelde gedichten, verzamelde liederen en het verzameld vertoog van Van der Graft.
Uiteraard komt ook het werk van Maarten 't Hart in dit boek aan de orde. In de jaren tachtig verschenen van hem twaalf nieuwe boeken. P. Kralt, bekend van studies over het werk van Vestdijk, bespreekt in zijn bijdrage Het roer kan nog zesmaal om (1984), De kroongetuige (1983), en De Jacobsladder (1986). 't Hart is terecht in calvinistisch Nederland een omstreden figuur. Vanwege zijn vaak caricaturale weergave van bijbel en kerk vinden velen dat hij geen aandacht meer verdient. Iemand die zo zijn nest bevuilt om er vervolgens een vette boterham aan te verdienen, dient doodgezwegen te worden, in ieder geval niet werkelijk serieus genomen te worden. Kralt doet een uiterst loffelijke poging om het werk van 't Hart te analyseren. Bijna dwangmatig blijft 't Hart aantonen, aldus Kralt, dat de leer van de kerk niet deugt. Hoe komt geloofsafval tot stand, althans bij het kind Maarten? Sommige bijbelfiguren maken op hem een onbegrijpelijke en onaanvaardbare indruk. Een tweede lijn is die van de uitverkiezing die het kind in zijn fantasieën geweldige angsten aanjaagt. Verder het geruzie binnen de kerken over tweederangs aangelegenheden gaat hem meer en meer tegenstaan om tenslotte helemaal buiten de kerk te belanden door de kennisname van bijbelkritiek. De dominees weten er van, maar zeggen het niet. Ze zijn dus niet eerlijk, aldus Maarten. Zo ontstaat een vertrouwenscrisis waarop het verlaten van de kerk volgt. Zo is het Maarten vergaan, zo is het ook anderen vergaan, vermoed ik. Vandaar het grote succes van de vele boeken van 't Hart.
We sluiten onze bespreking af met de opmerking dat er nogal wat drukfouten voorkomen in deze uitgave. Dat moet mensen die zo van taal houden en zoveel woorden met liefde lezen een gruwel zijn. Ik houd het op een technische storing.
J. Maasland, Kootwijkerbroek
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 augustus 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 augustus 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's