De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers

13 minuten leestijd

Een calvinist schrijft moderne poëzie
Bovenstaand opschrift doet insiders wellicht denken aan het boek van Hans Werkman 'Een calvinist leest Maarten 't Hart' (Kampen, 1982). Mij kwamen deze woorden in gedachten bij het lezen van een gesprek dat in Magazine Kerk van augustus 1992 te lezen stond met de vrijgemaakt gereformeerde dichter/schrijver Koos Geerds en waarboven is gezet 'Een calvinist bij De Arbeiderspers'. Deze uitgeverij publiceert o.a. het werk van de genoemde Maarten 't Hart en staat er niet om bekend christelijke literatuur in haar uitgavenpakket op te nemen. Hoe komt een vrijgemaakt gereformeerd auteur dan toch terecht in het fonds van deze uitgeverij nu onlangs Koos Geerds' poëziebundel 'Woeste Grond' verscheen bij De Arbeiderspers? Voor Geerds dit toelicht, zet hij eerst uiteen wat hem boeit in de moderne literatuur.

Geerds voelt zich aangesproken door de moderne literatuur, en met name de moderne poëzie. 'Bij deze vorm staat de taal als instrument voorop. Het probeert diepteboringen te verrichten. Het is veel meer gelaagd. Minder eenduidig, meer verinnerlijkt. Het is daardoor ook minder makkelijk toegankelijk. Het vraagt van de lezer mede-creativiteit. Een moderne dichter stopt meer in zijn werk. Een gedicht is kaler. Er wordt minder uitgelegd. Het daagt de lezer meer uit. Het doet een beroep op een zelfstandige instelling. Zonder een waardeoordeel te geven over andere vormen van poëzie, kan ik wel zeggen dat ik me meer bij moderne poëzie thuis voel.'
De van oudsher vaak afwijzende houding van calvinisten tegenover deze moderne literaire en poëtische stijlvormen, is volgens hem wel te verklaren. Geerds komt deze stellingname ook wel tegen in eigen kerkelijke kring. 'Calvinisten gaan ervan uit dat de Bijbel en het geloof inzicht geven in jezelf en de werkelijkheid. Er wordt dan vaak als volgt geredeneerd: "Met de Openbaring is alles gezegd wat je behoort te weten". De noodzaak om jezelf en de werkelijkheid te exploreren, ontbreekt dan. Langzamerhand is het besef gegroeid dat er zich meer in de psyche van de mens afspeelt, dan we ooit vermoed hebben. Dat besef maakt ons toegankelijker voor moderne poëzie, die juist de psyche en de werkelijkheid in kaart probeert te brengen.
Vroeger lazen we moderne literatuur en poëzie om ons te wapenen. Een voorbeeld daarvan is een boek van G. Slings. Deze vrijgemaakt-gereformeerde docent Nederlands schreef ruim tien jaar geleden het boek "Een boos en overspelig geslacht". Korte samenvatting van zijn boek over moderne literatuur: lees het om je er tegen af te zetten. Nu zeggen we: "Hier heb ik veel aan. Dit zegt iets over mezelf".'
Koos Geerds zoekt naar woorden om zijn gedachten te ordenen: "Veel moderne schrijvers proberen in hun werk de illusie aan te reiken, dat er meer is dan het verwarrende, doelloze, wat het leven volgens hen toch eigenlijk is. Een leven waarin toeval regeert. Die intentie heb ik niet met mijn werk. Ook niet het omgekeerde. De christelijke poëzie krijgt wel eens het verwijt van gearriveerdheid. Soms is die kritiek ook wel terecht. Ik wil naar lezers geen concept van zingeving toeschrijven. Bij mij zul je daarom geen evangeliserende gedichten aan treffen. Al is mijn levensovertuiging vlees en bloed. Ook buiten mijn kring wordt mijn werk daarom wel als christelijk herkend.'
Het hebben van uitzicht betekent volgens hem nog niet dat we dan ook direct meer overzicht hebben. 'We leven allemaal in dezelfde gebroken wereld met zijn moeiten, ziekte, bederf en andere kwalijke kanten. Als calvinistische dichter schrijf ik niet over Jezus en het zieltje. Ik kijk om me heen en heb de blik naar buiten gericht.' Een meer realistische kijk op de mens en de werkelijkheid ziet hij ook op andere terreinen terug. Als voorbeeld noemt hij de oprichting van een Gereformeerd Psychiatrisch Ziekenhuis. 'Dat was dertig jaar geleden toch "nicht im Frage"? We hebben het geloof, dus kennen we die problemen niet, zei men toen. Nu praten we daar gelukkig heel anders over.'

Al begrijp ik wat hij bedoelt, toch vind ik de aanduiding 'Jezus en het zieltje' op z'n zachtst gezegd minder geslaagd. Welke poëzie bedoelt Geerds daar mee? En is 'Jezus en de ziel' niet een centraal bijbels thema? Hij heeft, denk ik, gelijk: wie de mens van deze tijd nog iets van het wezen van het christelijk geloof wil doorgeven, die kan dat nog slechts in indirecte bewoordingen doen.

Een calvinist in een heidens huis
Koos Geerds licht toe hoe het komt dat zijn werk bij De Arbeiderspers wordt uitgegeven. In zijn reactie noemt hij de dichter Lenze L. Bouwers, eveneens vrijgemaakt gereformeerd en o.a. bekend door zijn boek 'Lieve vader vuile schurk' waarin de incestproblematiek aan de orde komt.

Koos Geerds heeft zijn poëtisch werk ondergebracht bij literaire uitgeverij De Arbeiderspers. Een keuze die om verantwoording vraagt. Voor Geerds is zijn toetreden tot het fonds van De Arbeiderspers een logische stap. 'Ik wil literair werk leveren. Dat hoort dan ook bij een literaire uitgeverij. Anders kom je niet in het circuit terecht, waar je graag toe wilt behoren. Uitgeverijen als Kok-Kampen en De Vuurbaak zijn daarom voor mij niet in beeld. Ik zou dat zonde van mijn poëzie vinden. Mijn keuze voor De Arbeiderspers is dus positief bepaald. Er zijn mij wel kritische vragen gesteld. Ook door De Arbeiderspers. "Wat doe je hier? Dit is een heidens huis", werd mij gezegd. "Ik ben calvinist", heb ik toen geantwoord. "Het lijkt me voor jullie goed om eens iets anders dan geflipte christenen in het fonds te hebben".
Ik heb van hen alle ruimte gekregen. Ik kan er als christen-schrijver, schrijven wat ik wil. Juist het feit dat ik met een eigen insteek bezig ben, maakt me bij De Arbeiderspers herkenbaar. Een Lenze Bouwers ervaart hetzelfde bij uitgeverij Querido. Men kent en respecteert ons als christen-dichters. Dat is onze signatuur.
Ik wil bewijzen dat een calvinistisch dichter/schrijver bij een echte literaire uitgeverij werk kan verrichten. Dat is altijd al een ideaal van mij geweest. Ik wil een drempel weg halen voor anderen die ook zulke idealen hebben. Als calvinist kun je voluit als modem dichter erkenning vinden. Als men dat herkent, dan heb ik een verlamming weggenomen.'

We geven u een voorbeeld van het werk van Koos Geerds zoals we dat in het juli-nummer van het literaire tijdschrift Maatstaf (40e jaargang no. 7, blz. 22) aantroffen:

DOODGRAVER
Wat hier bedekt is, wordt straks openbaar:
de firma werkt eendrachtig in de grond
wat en passant een roemloos einde vond,
barmhartig staat zij voor de dode klaar,
deelt haar geheim met afval, met de aar-
de die kan zwijgen, die geen kadaver
ooit zijn taak betwisten zal, hem geen ont-
binding zien doet voordat het volle pond
gegeven is, de slotbetaling daar,
de kille dood geknecht werd in de grond,
de levende weer uit het graf opstond –
wat hier bedekt is, wordt straks openbaar.

Een calvinist in het isolement
Geeft Geerds aan in het gesprek met het Magazine Kerk dat je als calvinist moet meegaan met cultuurveranderingen met behulp van een steeds nieuwe creativiteit, in het christelijk literair blad Woordwerk van juni 1992 stelt dr. G. Puchinger dat een gelovig christen in onze tijd in een isolement is beland. 'Woordwerk' publiceert twee fragmenten uit een lezing die dr. Puchinger 31 augustus 1991 hield voor de Vereniging van christen-auteurs 'Schrijverskontakt' onder de titel 'Geen vee meer op stal?' Puchinger ergert zich aan de moraliserende toon die van het christelijk geloof afvallig geworden schrijvers als Jan Wolkers en Maarten 't Hart in hun werken steeds aanslaan. Moeten we hen eigenlijk wel tot onze letterkunde rekenen, vraagt Puchinger zich af.

Het eerste dat onze letterkunde ons leert, is dat de gelovige christen, die vandaag openlijk over zijn geloof wil spreken, zoals in de Middeleeuwen gewoon en in de tijd van de Renaissance nog zeer wel mogelijk was, in deze eeuw in isolement is gekomen. De christen-dichter wordt tegenwoordig, ik zal niet zeggen niet geduld, maar wel verdragen als iemand die zich moet leren aanpassen bij de thans geldende, algemeen aanvaarde regels van beoordeling van literatuur, of wat daarvoor doorgaat. Terwijl de literatoren-moralisten van vandaag preken, preken, preken, wordt God vooraf in de crèche afgegeven; of op zijn gunstigst wordt God naar de zondag en naar de theologische faculteit verwezen, want dáár, en nergens anders hoort Hij tegenwoordig officieel thuis in deze wereld! Ook thans is voor Hem geen plaats in de herberg.
Groen van Prinsterer en Kuyper, en waarlijk niet zij alleen, hebben dit isolement tot een bunker omgebouwd, van waaruit met name Kuyper aanvallen op de culturele en politieke wereld van zijn dagen deed, en waarlijk niet enkel met wansucces. De enige theoloog die het in ons land tot minister-president heeft gebracht, nadat hij met het gehele kerkelijke en politieke establishment van zijn land totaal en voor goed gebroken had, blijft een figuur waarover meerdere faculteiten nog steeds niet zijn uitgedacht of op zijn uitgekeken.
Maar er is desondanks over het isolement waarin de tegenwoordige christelijke literatuurliefhebber en -beoefenaar, en in het algemeen de christelijke cultuurmens is komen te verkeren, nog iets geheel anders te zeggen dan Groen en Kuyper hebben gedaan, iets waarop de Engelse theoloog John Henry Newman (1801 - 1890) ons gewezen heeft, die zich reeds in de eerste helft van de vorige eeuw diepgaand rekenschap heeft gegeven van de opkomende Europese secularisatie. In zijn preken stelde Newman de pikante vraag, die wij doorgaans niet vaak vanaf de preekstoel horen: hoe wij weten, weten kunnen, het rechte christelijke geloof te bezitten? Hij merkte daarbij op dat de christenvervolging van de eerste eeuwen het in feite gemakkelijker maakte dat te weten en om zich als oprecht christen te toetsen, dan toen het christendom een algemeen geaccepteerde religie was geworden. Voor Newman was de secularisatie daarom een teruggestoten worden in een-niet-geaccepteerd-zijn-door-de-wereld, en dus een beproeving voor de christen; maar een heilzame beproeving, die ons alleen maar goed kan doen, ons zuiverder kan doen weten of wij werkelijk dagelijks willen verkeren in de tegenwoordigheid Gods. Want dit besef, te willen leven in de Presentia Dei, ook bij onze ontmoetingen met cultuurverschijnselen, was voor Newman begin en einde van al zijn pastorale en wetenschappelijke arbeid, van heel zijn spiritueel denken.
Dit gevaar van geaccepteerd te zijn als christen in de wereld rondom ons, is iets waarop ook Gerretson in het begin van de jaren dertig de gereformeerde studenten eens met ernst gewezen heeft (zie zijn Verzamelde Werken II, p. 399).

Dr. Puchinger bedoelt met het isolement dus niet een berustende houding of een knusheid en kneuterigheid die louter in de eigen kring wordt beleefd. Hij ziet dan als volgt de taak voor een blad als Woordwerk:

Wil Woordwerk ooit een taak vervullen, die zij dient te vervullen, dan mag het blad zéker niet beneden het peil van Opwaartsche Wegen terugvallen, en behoort de redactie streng te selecteren en met duidelijke literaire maatstaven te werken, die én voor christenen én voor niet-christenen openlijk en naar goede norm gehanteerd worden. Woordwerk mag geen blad zijn dat alle werk aanvaardt van wie maar tot de club behoort. Zeker, wij mogen mild oordelen, maar moeten vooraf onze maatstaven scherp stellen. Vergeten wij niet dat Paulus, vlak vóór zijn liefdeshoofdstuk 1 Cor. 13 te schrijven, in 1 Cor. 12 : 13 een onder ons vaak verwaarloosde oproep doet, als hij schrijft: 'Streeft dan naar de hoogste gaven', met andere woorden: doe je uiterste best! Bovendien moet elk literair blad een duidelijke overtuiging over zichzelf hebben!

Dr. Puchinger vindt terecht dat we ons vandaag niet van onze geestelijke en culturele bronnen moeten losmaken. Dan vallen we zeker aan de geseculariseerde wereld ten prooi.

Mijn voeten hebben Zijn spoor gevolgd
Onder die titel verscheen onlangs een biografie van de bekende schrijfster Wilma. Misschien is ze wel het meest bekend geraakt door haar boek 'Gods gevangene' dat in 1923 verscheen. De levensbeschrijving van Wilma werd verzorgd door Niek van der Heide (uitg. J.J. Groen, Leiden). Dr. G.W. Marchal schreef in het Hervormd Weekblad van 13 augustus 1992 een recensie onder het opschrift: Een leesbare brief van Christus: Wilma Vermaat (1873-1967). Ik licht ter afsluiting een fragment uit de weergave van dr. Marchal van het geschrift van Van der Heide:

Wat is het bijzondere van deze vrouw, met haar 'verweende ogen'? Het is een hachelijk avontuur om zoveel-jaren-van-leven in een paar zinnen samen te vatten. Van der Heide wijst een spoor. Wilma leefde op 'het breukvlak van twee eeuwen'. Daardoor is zij des te eerder, des te beter herkenbaar: 'Wie meeleeft en mee-lijdt met zijn tijd en dat is de tijd die nu op weg is naar de volgende eeuwwisseling, ervaart hetzelfde crisisbesef en crisisgedrag zoals dat leefde en bestond bij mensen van rond 1900' (blz. 9). Wilma was een vrouw met een door-leefd, door-leden geloof. Zij trok zich het lot en leed van de mensen, de dieren en de dingen aan, gaf er stem aan in haar geschriften, zocht voor alles en allen lafenis bij de Bron, die haar inspireerde, moed en kracht gaf Het is daarom niet verwonderlijk dat zij zich zo verwant voelde met Franciscus van Assisi (1181/82-1226). Zijn 'Zonnelied' (zie Gezang 400 in ons liedboek) heeft zij tot aan haar dood bij zich gedragen. Ze voelde zich als een ontheemde in de 'gewone' kerk(en). De verscheurdheid deed haar lijfelijk zeer. Met haar eigen woorden: 'Ze (de kerk) was te verwereldlijkt, te verscheurd, te verdogmatiseerd' om een werkelijke gemeenschap der heiligen te zijn, begiftigd met heilzame, helende genadegaven (zie blz. 183). Desondanks bleef ze trouw aan de Hervormde Kerk, open voor vele en velerlei contacten daarbuiten, met name de Möttlinger-beweging (vader en zoon Blumhardt!) en de 'Christengemeinschaft' (Jo­seph Wittig!). Ze hunkerde naar Pinkstervuur en medelijden in een vaak ontzielde kerkelijke gemeenschap. Door deze geloofsvisie en geloofsmoed gold ze vaak als een 'dissidente' van en in haar tijd. Ze had andere gedachten – en gedachten zetten bij haar altijd vrucht in een levenswijze – over homofilie, gevangeniswezen, sociale tegenstellingen, liefde en vriendschap, oorlog en vrede, kerk en geloof. Mensen als Wilma 'zullen blijven intrigeren en fascineren, omdat zij aan hun bestaan en daarmee aan de hele menselijke existentie een "meerwaarde" hebben toegevoegd, die blijft aanspreken en inspireren' (blz. 10).

Intussen zijn we ook zelf aan de lezing van het levensverhaal van Wilma begonnen. Een mooi boek voor de liefhebbers van geschiedenis en literatuur.
We geven aan het eind van onze persschouw een gedicht door uit de dichtbundel 'De Koningsmantel' (1963) dat als volgt luidt:

(-)
'ik had gedacht nu 'k oud geworden ben
te gaan langs lichte paden
met U, naast mij...
Maar Gij gaat voor mij uit,
de Man met de lantaren.
Rondom is duisternis,
voor mij, één voetstap slechts
in kleine krans van licht, niet meer.
Maar Gij kijkt telkens naar mij om,
of ik wel volg,
of ik nog weet...
Mijn Heer en God,
vergeef mijn tranen,
en vergeet
dat ik zo wankelend U volg
na alles wat Gij voor mij deed.'

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 augustus 1992

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de Pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 augustus 1992

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's