De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Afhankelijkheid en gehoorzaamheid

Bekijk het origineel

Afhankelijkheid en gehoorzaamheid

Calvijn over het beeld Gods (4)

8 minuten leestijd

Het beeld van God als genadegeschenk van God
Wanneer het beeld Gods nauwkeuriger door Calvijn wordt bepaald, wijst hij de ziel als de zetel van het beeld Gods aan, zoals we hiervoor zagen. Maar daarmee heeft hij niet gezegd willen hebben dat de mens beelddrager Gods wordt door ingieting van wat voor substantie dan ook in zijn ziel. Opvallend is de felheid waarmee Calvijn elke gedachte bestrijdt die ook maar enigszins wijst in de richting dat het beeld Gods iets substantieels en zo iets in de mens zelf zou zijn. Het beeld Gods is geen natuurlijke eigenschap van de ziel.
Calvijn zelf wil niet méér zeggen dan dat de ziel een spiegel is die het beeld Gods weerspiegelt. Duidelijk moet toch wel zijn dat de mens, die genomen is uit het stof der aarde, het beeld Gods als hoogst denkbare adelstand niet in zichzelf bezit, maar dat het hem van buitenaf geschonken is.
In Inst. II.2.12 noemt Calvijn de mens in ballingschap verkerend buiten het rijk Gods omdat '(...) alle gaven, die gericht waren op het zalige leven zijner ziel, in hem uitgeblust zijn, totdat hij ze door de genade der wedergeboorte weer herwint. Hiertoe behoren het geloof, de liefde tot God, de liefde tot de naasten, het streven naar heiligheid en gerechtigheid. Daar Christus ons al deze dingen teruggeeft, worden zij beschouwd als van buiten tot ons komende en buiten onze natuur liggende (...)'
Al die genadegaven die samen het beeld Gods vormen, zijn dus bovennatuurlijke geschenken, die ons door de Heilige Geest worden geschonken en toegeëigend. En daarmee spreekt Calvijn weer uit dat het beeld Gods, hoewel een bovennatuurlijk geschenk, toch zo één wordt met de mens dat het echt menselijk wordt, zonder van de mens te worden.

Beeld Gods en Woord Gods
De mens wordt beelddrager Gods alleen en uitsluitend door de genade Gods en de kracht van de Heilige Geest die in het Woord werkzaam is. Oorspronkelijk werd het beeld Gods in Adam gevormd door zijn afhankelijkheid ten opzichte van God. Een afhankelijkheid die gestalte kreeg op de wijze van zijn gehoorzaamheid aan het Woord van God. Toen Adam die gehoorzaamheid weigerde, vertoonde hij het beeld van God niet langer.
Er is dus een onverbrekelijke relatie tussen het Woord van God en het beeld van God. Daar kijken we niet meer van op sinds Calvijn ons heeft laten zien dat Christus het ware beeld Gods is. Dat is immers Christus die in Johannes 1 : 1 e.v. ons wordt voorgesteld als de Logos, het Woord, van den beginne bij God, omwille van ons mensen en onze zaligheid vlees en bloed geworden uit de maagd Maria. Geloof in en gehoorzaamheid aan dat Woord en zo geloof in en gehoorzaamheid aan Christus – dát is het beeld Gods in een mens.
Ongeloof is er derhalve de oorzaak van dat het beeld Gods nagenoeg in ons verloren is gegaan. Alleen door het geloof zullen we het weer kunnen vertonen. Die onlosmakelijke band tussen beeld Gods en geloof of gehoorzaamheid aan het Woord werkt Calvijn uit aan de hand van het Woord Gods dat noodzakelijk bij de schepping moest komen, wilde de sprakeloze schepping voor Adam een verstaanbare getuige worden van de heerlijkheid Gods. Zo alleen kon Adam het beeld Gods in de schepping om zich heen als in een spiegel waarnemen. Precies eender is het met het beeld Gods in de mens. Niet eerder zal het beeld van God in een mens te zien zijn dan wanneer (geloof in) het Woord erbij is gekomen.

Inwendig getuigenis van de Heilige Geest
De uiterlijke verkondiging van het Woord alleen bereikt niet dat we gaan geloven. God zelf moet in ons hart getuigenis afleggen dat Zijn Woord de waarheid is. Dat is, aldus Calvijn, het inwendig getuigenis van de Heilige Geest die ons vervolgens tot getuigen van de waarheid Gods maakt.
We zouden kunnen zeggen: door het inwendig getuigenis van de Heilige Geest worden we ingewonnen voor de waarheid van Gods Woord, we raken ervan overtuigd en gaan nu ook zelf getuigen dat Gods Woord de waarheid is. Dit overtuigd-zijn van de waarheid Gods door Zijn Woord en Geest, dàt is nu het herstel van het beeld Gods.
Het beeld Gods is dus, wat de mens betreft, gegrond in het inwendig getuigenis van de Heilige Geest in zijn hart. Want het is overeenkomstig haar wezen een afbeelding van het Woord Gods dat door de Heilige Geest in de ziel wordt ingedrukt. En dit Woord is zelf het levende en leven-schenkende beeld Gods. Dat is de weg waarlangs de mens wordt levend gemaakt. Daarom kan Calvijn niet nalaten telkens weer te benadrukken dat het beeld Gods niet in de gelovige is, maar alleen en uitsluitend in het Woord. Dat immers, zo hoorden we al eerder van Calvijn, bij uitstek beeld van God en spiegel van Hem is. Omdat het Woord, zoals we hiervoor zagen, Christus zelf is.

De gelovigen moeten daarom voor het eerst en voortdurend naar Zijn beeld gevormd worden. Hoe vindt dat plaats? Door het inwendig getuigenis van de Heilige Geest in ons hart waarop we 'amen' leren zeggen. En in dit beamen ofwel geloven, zijn we verbonden met Christus, die het ware beeld Gods is. In Hem komt immers de heerlijkheid Gods aan het licht. De gevolgtrekking die Calvijn hier maakt, is dat niemand dan ook gerekend kan worden tot de jongeren van Christus te behoren, tenzij de heerlijkheid Gods, als met een zegel ingedrukt, in hem zichtbaar wordt.
De lijnen lopen echter ook hier steeds door elkaar heen.
Van Christus en het Woord en vandaar naar de mens en weer terug. We zullen die lijnen des te beter kunnen volgen wanneer we alsmaar voor ogen houden dat Calvijn er alles aan gelegen is om vóór alles de mens te zien in zijn verhouding tot God. En daarmee onmiddellijk verbonden zijn hartstocht om in de kiem te smoren elke gedachte die aanleiding geeft te veronderstellen dat het beeld Gods iets substantieels in de mens zou zijn.
Nu vaart Calvijn op die koers niet blind in die zin dat hij er geen oog voor heeft dat het beeld Gods in de gelovigen toch ook iets van hen zelf wordt. In Inst. I.15.4 lijkt de theoloog, die telkens zo benadrukt dat het beeld Gods de mens als een gave van buitenaf wordt geschonken, zichzelf tegen te spreken als hij van het beeld Gods in de mens schrijft '(...) de gelijkenis (met God moet) in hem, niet buiten hem gezocht worden, ja (is) zelfs het binnenste goed van zijn ziel.'
Hoewel een gave, wordt het beeld Gods de mens eigen. Wie in Christus is, ìs een nieuw schepsel. Wij wòrden naar het beeld Gods dat in Christus is, in Wie wij de heerlijkheid des Heeren met ongedekt aangezicht als in een spiegel aanschouwen, veranderd van heerlijkheid tot heerlijkheid als van des Heeren Geest. Dat gaat waarlijk niet buiten ons om.
Maar even duidelijk als Calvijn dit naar voren brengt, even sterk waarschuwt hij voortdurend tegen elke poging die het beeld van God in de mens wil situeren op zo'n manier dat het beeld van God in ons zou kunnen bestaan zonder die direkte verhouding tot God in gehoorzaamheid aan Zijn Woord, in geloofsverbondenheid met Christus.
Calvijn blijft er bij elke voorkomende gelegenheid op hameren dat het beeld Gods bij God vandaan komt. Dat met dit begrip op geen enkele wijze gezegd wil zijn dat het natuurlijk bestaan van de mens op een hogere trap is gekomen. Zoals juist de heersende rooms-katholieke theologie leerde. Het beeld van God wordt in ons hersteld juist niet dank-zij onze prestatie.

Elke gedachte over het beeld van God waarbij dit niet wortelt in deze betrekking tot God, Zijn Woord, Christus is niet anders dan een poging om ons leven-in-afhankelijkheid van God in te wisselen voor het aan God gelijk zijn, zo dat mogelijk was.
In deze poging ziet Calvijn niets minder dan de eigenlijke wortel van de erfzonde. Die ons op die manier direkt verbindt met Adams zonde om niet langer met God te willen léven, maar als God te willen zíjn. Dat is ook de reden waarom Calvijn heeft afgerekend met de wijze waarop de scholastieke theologen uit de middeleeuwen dachten over de verhouding tussen de mens en God: geen relatie van afhankelijkheid, op de wijze van gehoorzaamheid. Maar in categorieën van 'zijn'. Men kon langs de ladder van tal van verplichtingen iets worden en steeds méér worden om tenslotte wat te zíjn tegenover God, zich verdienstelijk te maken en zo steeds dichter bij God te komen.
Voor Calvijn stond echter dat streven, om door allerlei eigen inspanningen dichter bij God te komen, gelijk met de verzoeking van satan in het paradijs: 'Gij zult als God zijn...' en de daarop bij Adam en Eva gerezen begeerte om metterdaad als God te zijn.
Dat voortdurend benadrukken dat het beeld Gods alleen en uitsluitend bestaat in een verhouding van afhankelijkheid en vooral (geloofs)gehoorzaamheid is zeer fundamenteel voor Calvijns denken over het beeld van God.
Op formule gebracht, wil het zeggen dat wezenlijk voor het beeld van God is dat de mens het Woord Gods in geloof ontvangt. De mens die tot de hoogst denkbare adelstand van beelddrager Gods verheven is, is maar uit het stof der aarde genomen en daarom zeer vergankelijk.
Maar hóe vergankelijk hij ook mag zijn, het Woord Gods bestaat tot in eeuwigheid. In het ontvangen daarvan èn in geloof vasthouden daaraan – daardoor alleen leeft de mens in eeuwigheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 september 1992

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Afhankelijkheid en gehoorzaamheid

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 september 1992

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's