Gereformeerde theologie in een proces van ontwikkeling en aanpassing (2)
Calvijn en de inspiratieleer
Een eerste vraag, die hierbij, dunkt mij, van wezenlijke betekenis is, is die naar Calvijns leer van de Schrift. Er is gelijk al door Kuyper en Bavinck van uitgegaan, dat de zgn. mechanische inspiratieleer zou zijn ontstaan in de scholastieke, na-calvijnse traditie, en dat betekent, dat er dan toch zoiets als een ontaarding van het oorspronkelijk reformatorisch Schriftverstaan is opgetreden, en dat namelijk vanwege de behoefte om zoals alle reformatorische leerstukken ook dat van de Schrift in een kloppend rationeel systeem onder te brengen en af te ronden. Dit heeft dan allerlei gevolgen gehad, waardoor er een nivellering kwam van de openbaring ten opzichte van de neerslag daarvan in de Schrift èn het historisch-menselijk karakter daarvan. Kuyper en Bavinck meenden met hun organische inspiratieleer daarop een noodzakelijke en vernieuwende correctie aan te brengen.
Het punt, dat mij hierbij bezighoudt, is hoe Calvijn zèlf hierover heeft gedacht. Ik kom namelijk tot de ontdekking, dat er ook bij hem al talloze uitspraken zijn te vinden, die het dictaat-karakter van de Schrift, als zijnde een regelrecht door de Geest ingegeven getuigenis van God zelf zonder enige terughoudendheid poneren. Daarin doet Calvijn niets onder voor de latere gereformeerde orthodoxie. En als ik dan nog daarmee verbind, wat de Nederlandse Geloofsbelijdenis daarover uitspreekt in art. 7, dan moet het toch worden erkend, dat wat dan over het algemeen, naar oude ethische trant, aan de na-reformatorische scholastiek wordt toegeschreven, ook al volop aanwezig is in de eerste oorsprong van onze calvinistische traditie. Berkhof constateert dan ook terecht, dat in de Reformatie al Schriftleer en openbaringsleer in wezen samenvallen. Dat lijkt me juist, maar wat betekent dat dan? Dat betekent, dat men in de Schrift de stem van de sprekende God zelf vernam, en zo de Schrift geloofde als zijnde Gods eigen woord in heel eigenlijke zin. Dat is de geestelijke lading en kracht geweest van het oorspronkelijk gereformeerde Schriftgeloof.
Nu, dat lijkt me een punt, dat niet alleen te weinig in de analyse van deze afgelopen honderd jaar Schrifttheologie is opgenomen, maar waar ook niet geringe consequenties aan vastzitten, als dat wel gedaan zou zijn.
De organische inspiratie
We raken hier aan het telkens weer in de evaluatie van de afgelopen honderd jaar terugkerende gegeven, dat de zowel door Kuyper als Bavinck, aangehangen organische inspiratieleer een dubbelheid kent, die enerzijds dichtbij het oorspronkelijk, reformatorische Schriftverstaan zich ophoudt, en anderzijds elementen in zich draagt, die een ontwikkeling op gang hebben gebracht, die, daar komt het toch eigenlijk op neer, steeds verder en momenteel zelfs heel ver van dit oorspronkelijk reformatorisch Schriftgeloof afstaat.
We kunnen het misschien, in navolging van H.M. Vroom en H. Berkhof, ook nog in een nauwkeuriger historisch kader plaatsen, wanneer wij zeggen, dat Kuyper met zijn Schriftleer aanvankelijk heel dicht bij de oude, orthodoxe mechanische Schriftvisie zich ophield, maar dat hij in een later stadium, dankzij zijn organische inspiratieleer steeds meer ruimte voor en in zekere zin aanpassing zocht aan het voortgaande Schriftonderzoek. Maar ook dan blijft er bij hem die ambivalentie, die zoals Vroom haar tekent, bij Bavinck nog duidelijker naar voren komt.
Vroom spreekt over 'twee lijnen' bij Bavinck, die kenmerkend zijn enerzijds voor de groeiende openheid naar wat de wetenschap en de cultuur inbrengen en anderzijds voor de 'gezagsgetrouwheid', waarbij de Schrift voluit als gezaghebbend Woord van God wordt beleden (125 v.). Vroom noemt dit 'twee tegenstríjdige lijnen', die Bavinck nog meende te kunnen verbinden, maar die in feite fungeren als (ik citeer Vroom) 'een tijdbom onder Bavincks schriftbeschouwing'. Dat wil zeggen, er móet in het vervolg een keus vallen voor één van de twee lijnen. En latere generaties hebben dit dan ook gedaan, en het is duidelijk waarop de keus is gevallen.
Er is iets misgegaan
Nu heb ik zelfde gedachte, dat als de analyse zo uitvalt, dat wat Bavinck en ook Kuyper nog bij elkaar hebben willen houden, omdat zij juist dat bij elkaar houden essentieel achtten voor hun Schriftverstaan, nu niet meer bij elkaar gehouden wordt en kan worden, zoals Vroom ons laat zien, nogmaals dan heb ik de gedachte, dat er iets fundamenteels mis is gegaan.
Het sterkst is mij dit opgevallen op het moment, dat Vroom aan het eind van zijn bijdrage de balans opmaakt van de afgelopen honderd jaar bezinning over de Schriftleer. Hij zelf waardeert deze ontwikkeling positief, maar moet wel erkennen, dat de keus van de ene door Bavinck getrokken lijn, namelijk die van de openheid voor het eigentijdse, oecumenische, dat wil dus zeggen niet meer specifiek gereformeerde Schriftverstaan, een prijskaartje aan zich heeft. Even later noemt Vroom het 'een hoge prijs' (143). En die prijs is, dat de bijbel zelf een minder grote plaats in het geloofsleven van vele kerkleden inneemt dan voorheen. En dat komt volgens hem doordat men de oude interpretatieschema's heeft verlaten en de gelovigen daardoor niet meer goed weten, hoe zij wat zij in de Bijbel lezen in hun eigen leven moeten toepassen. En dàt komt weer, omdat de lezer niet alles wat er in de Schrift staat meer gelooft, laat staan dat hij het gelezene tot norm van zijn praktische leven zou willen laten gelden.
Ik geloof, dat Vroom dit goed ziet, maar het heeft mij toch eerlijk gezegd wel aangegrepen, juist omdat het zo waar is. En ik heb daarbij niet de vraag kunnen onderdrukken, of er dan toch niet iets verkeerds gegaan is. Zelfs nog afgezien van de vraag, of alles wel goed gereformeerd gebleven is. Want dat zou op zich nog iets bijkomstigs zijn, mits het functioneren van de Schrift in de gemeente maar tot zijn recht zou zijn gekomen. Maar nu dàt zienderogen niet het geval blijkt te zijn, moet er toch wel ergens een rood lichtje gaan branden, zou ik zeggen.
De bijdrage van Berkouwer
Dit alles heeft mij temeer getroffen, omdat in ditzelfde verhaal door Vroom ook een treffend beeld wordt geschetst van de belangrijke bijdrage, die Berkouwer in deze ontwikkeling heeft gehad. Hij heeft de met Kuyper en Bavinck ingezette inspiratieleer in tweeërlei richting uitgebouwd. De betrokkenheid van de mens in het ontstaan en verstaan van de Schrift, die door Bavinck al zo sterk werd beklemtoond, krijgt bij Berkouwer nog een versterking door de Gods openbaring als zodanig onlosmakelijk te betrekken op het geloofsantwoord van de mens. Ik kom daar nog op terug.
Eerst wil ik vooral de tweede component van Berkouwers Schriftleer beklemtonen, waarin hij het gezag van de Schrift als Woord van God verbindt met de inhoud van de Schrift, en het geloven daarin, in de boodschap van heil namelijk die de Schrift bevat.
Berkouwer geeft aan deze Schriftboodschap een uitgesproken christologische vulling. De kritische spits hiervan is zijn afwijzing van het formele Schriftgezag. M.i. valt er hier een caesuur met de oorspronkelijk Calvijnse Schriftleer, omdat Calvijn juist die twee met elkaar zodanig heeft verbonden, dat het concrete omgaan met de Schrift geheel en al door de boodschap van de Schrift werd bepaald, terwijl hij toch tegelijk het gezag van de hele Schrift als Woord van God daarbij heeft gehandhaafd.
De 'hoge prijs' van het nieuwe Schriftverstaan
Waar het me nu echter vooral om gaat, is dat ik het niet anders kan zien als een stukje tragiek in de ontwikkeling van de theologie in de Gereformeerde kerken, dat die concentratie op de inhoud, de boodschap van de Schrift in feite toch is uitgelopen op die door Vroom genoemde 'hoge prijs', dat de Schrift zelf haar centrale plaats heeft moeten prijsgeven, zowel in de theologie als in de praktijk van het kerkelijke en gemeentelijke en persoonlijke leven.
Hoe kan dat nu toch? Die vraag houdt mij bezig en ik vind het eerlijk gezegd een klemmende vraag. Waarvan ik helaas moet zeggen, dat ik die beklemming in dit boek niet tegenkom.
Veenhof geeft een zeer verhelderende schets van honderd jaar theologie en spiritualiteit in de Gereformeerde Kerken en noemt daarbij o.a. de zelfverzekerdheid, die met name in de 20er en 30er jaren voor deze kerken zo kenmerkend is geweest. Nu ja, dat is bekend. Maar wat mij nú opvalt, is dat men de ontwikkeling daarna tekent en ook analyseert en dan vervolgens ook alleen maar positief waardeert en vrijwel nergens het signaal wordt gegeven van: gaan wij nog wel goed? Moet er niet ergens gedacht worden aan een terugkeer, hoe dan ook? Het gaat blijkbaar altijd goed, als het maar vooruit gaat?
Zou er op zijn minst niet reden zijn om zich af te vragen of er in deze voortgaande ontwikkeling niet kostbare elementen uit het Schriftgeloof en -verstaan en uit de praktische omgang met de Schrift, die wij in onze traditie tegenkomen, verloren zijn gegaan? Op deze vraag wil ik tenslotte nog kort ingaan en ik wil dan op een paar aspecten wijzen.
De geloofsdimensie en de mechanische inspiratieleer
In de eerste plaats kom ik dan weer terug op die oorspronkelijk calvinistische traditie. Mij dunkt heeft de theologie in de Gereformeerde Kerken, met name in de laatste decennia, maar misschien al tamelijk in het begin bij de introductie van de nieuwe Schriftleer, i.c. de organische inspiratieleer, zich te gemakkelijk afgemaakt van de zgn. mechanische inspiratieleer.
Men heeft daarbij namelijk te weinig oog gehad voor het Calvijnse element daarin en men heeft ook te weinig oog gehad voor de spirituele waarde, die deze leer inhoudt. Ze heeft namelijk wel een strak rationalistisch voorkomen en ik geef toe, dat dat aan het gereformeerde Schriftgeloof veel kwaad heeft gedaan, maar zij heeft ook een levend, kloppend hart, dat de kerk bewaard heeft bij een intensief en existentieel, laat ik mogen zeggen, bevindelijk leven van het geloof uit de Schriften. En ik heb het vermoeden dat met het badwater ook dit kind van het bevindelijke leven uit de Schrift, wel eens voor een goed deel weggeworpen is in het zo radicaal afrekenen met dit stuk van de gereformeerde traditie.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 september 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 september 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's