De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Vernieuwing door de Geest

Bekijk het origineel

Vernieuwing door de Geest

Calvijn over het beeld Gods (5)

11 minuten leestijd

Beeld van God in het teken van pelgrimage
Heel sterk heeft Calvijn het leven van de gelovigen op aarde getekend als leven van de hoop. Het aardse leven is een onderweg zijn en staat derhalve in het teken van de pelgrimage. Dat is ook van toepassing op wat hij zegt over het beeld Gods. Calvijn maakt verschil tussen het volle herstel van het beeld Gods in heerlijkheid en de weg daarheen als een weg van wedergeboorte en gemeenschap met God in Christus door de Heilige Geest. Juist in dat verband zegt hij ergens: we zijn nog maar onderweg. Met andere woorden: de ruwe omtrekken van het beeld Gods mogen in de wedergeboorte door Christus zijn hersteld, de algehele vernieuwing naar het beeld van God is echter een zaak van de toekomst. Het volle herstel wacht in de toekomstige heerlijkheid.
Calvijns gedachten over het beeld Gods zijn daarom ook sterk eschatologisch getint. Door wedergeboorte heeft iemand weliswaar met heel zijn wezen deel aan het beeld van God, maar in dit leven is het toch nog ten dele. Het is 's mensen bestemming en in dit leven is hij daarheen onderweg. Dat gold trouwens ook van Adam in de staat der rechtheid. Ook hij was onderweg naar de volkomenheid. Het proefgebod heeft in dit verband zijn betekenis en bij gebleken (geloofs)gehoorzaamheid aan het Woord Gods (!) zou de belofte van leven in eeuwige gelukzaligheid voor hem in vervulling gaan. Wat is dat anders dan beelddrager van God te zijn in hoogste graad? Want het leven voor ons mensen is immers dat wij op het nauwst met God verbonden zijn en hoe nauwer die verbinding is, hoe meer Gods heerlijkheid en dus Gods beeld in ons oplicht.
Adam was dus onderweg en het volk van God is nog steeds, als eens Israël, onderweg. Dat onderweg zijn is een voortdurende leerschool om steeds meer gevormd te worden tot beelddrager van God. Waar ging het in de woestijnreis van Israël anders om dan afhankelijkheid van en gehoorzaamheid aan God te leren? Een andere bedoeling heeft ook het onderweg zijn van Gods volk nu niet.

Beeld Gods en zelfkennis
Opmerkelijk is hoe Calvijn in het verband van het beeld Gods de zelfkennis ter sprake brengt. 'Nu moeten wij spreken over de schepping van de mens, niet alleen omdat hij onder alle werken Gods de edelste en meest beschouwenswaardige proeve van zijn rechtvaardigheid, wijsheid en goedheid is, maar ook omdat, zoals wij in het begin gezegd hebben. God door ons niet helder en grondig gekend kan worden, tenzij daar bijkomt een kennis van onszelf.' (Inst. I.15.1).
Deze kennis van onszelf is tweevoudig: wij moeten niet alleen weten hoe wij oorspronkelijk geschapen zijn, maar ook hoe onze toestand is geworden na Adams val. '(…) want het zou niet veel baten onze schepping te weten, indien wij in deze droevige val niet inzagen, hoe de verdorvenheid en misvormdheid onzer natuur is (…)', aldus Calvijn in de al eerder genoemde paragraaf.
Wie hem in dit hoofdstuk op de voet volgt, merkt dat Calvijn echter niet begint met de beschouwing van onze droevige val. Welbewust neemt hij deze volgorde in acht dat hij begint met de beschrijving van de ongerepte, onverdorven natuur om daarna pas af te dalen '(…) tot die ongelukkige staat des mensen, waartoe hij nu vervallen is(…)' (idem).
Waarom kiest hij deze volgorde? Het antwoord luidt: 'Want wij moeten oppassen, dat wij niet, door rondweg slechts de natuurlijke ellenden van de mens aan te tonen, die toeschrijven aan de Schepper der natuur: want de goddeloosheid meent, dat zij zich door dit voorwendsel voldoende verdedigen kan, wanneer zij kan voorgeven, dat alle gebreken, die ze heeft, op enigerlei wijze van God hun oorsprong nemen; en wanneer zij weerlegd wordt, aarzelt zij niet met God in het geding te gaan en de schuld, waarvan zij terecht wordt aangeklaagd, op Hem te schuiven. En zij, die wat eerbiediger over God schijnen te willen spreken, ontlenen toch gaarne de verontschuldiging voor hun slechtheid aan de natuur, niet bedenkend, dat zij ook God (zij het wat meer bedekt) beschimpen, tot wiens smaad het zou strekken, indien bewezen kon worden, dat in de natuur enige fout is. Daar wij dus zien, dat het vlees allerlei uitvluchten zoekt, door welke het meent, dat de schuld van zijn eigen feilen op een ander kan geschoven worden, moeten wij naarstig tegen deze boosheid ingaan.'
Calvijn sluit dit gedeelte af met: 'Derhalve moet de rampzaligheid van het mensdom zo behandeld worden, dat alle uitvlucht afgesneden wordt en de rechtvaardigheid Gods van alle beschuldigingen bevrijd wordt. Daarna zullen wij te zijner plaatse zien, hoe ver de mensen verwijderd zijn van die zuiverheid, waarmede Adam begiftigd was geweest.' (Inst. I.15.1).

Deze bewust gekozen volgorde, waarin eerst voor het voetlicht wordt gezet de mens die is geschapen naar Gods beeld om daarna pas aandacht te schenken aan onze droevige val, dient dus allereerst de kennis van onszelf. Alleen wie zichzelf coram Deo, voor het aangezicht van God heeft leren kennen als geschapen naar Gods beeld, leert verstaan hoe droevig zijn val is. Altijd is er die wisselwerking. Want onze '(…) eerste waardigheid (kan) ons niet voor de geest komen, of spoedig vertoont zich aan de andere zijde het droevig schouwspel van onze afzichtelijkheid en schande, waarin we verkeren sinds wij in de persoon van de eerste mens van onze oorsprong zijn afgevallen. En daaruit ontstaat een haat jegens en een mishagen in onszelf en ware ootmoedigheid, en wordt een nieuwe ijver aangewakkerd om God te zoeken, in wie ieder die goederen moge herwinnen, waarvan wij geheel en al ledig en ontbloot bevonden worden.' (Inst. II.1.1).
Wat is dit anders dan waarachtige bekering waarvan zo duidelijk gesproken wordt in de Heidelberger Catechismus, zondag 33. En verder doet dit eveneens denken aan ons Doop- en Avondmaalsformulier waar soortgelijke geluiden klinken.
Beide gezichtspunten met betrekking tot het beeld Gods, zoals we in dit artikel tot dusver hebben gezien, het beeld Gods in het teken van pelgrimage en dienend onze zelfkennis, voegt Calvijn samen als hij het leven der bekering dienstbaar maakt aan het leven als pelgrim.
Hiervan schrijft hij Inst. II.1.3. 'Laat ons dus, indien het goeddunkt, de zelfkennis, die de mens moet hebben, zo verdelen, dat hij in de eerste plaats nagaat, tot welk doel hij geschapen is en met geenszins te verachten gaven begiftigd is, opdat hij door dat nadenken opgewekt worde tot overpeinzing van de dienst van God en van het toekomstige leven (…)'
Zo wil de overpeinzing van de hoge adeldom waartoe wij door God in de schepping gesteld zijn èn de gewaarwording van onze diepe en droevige val de hoop op het toekomend leven voedsel geven. Dan immers zal het beeld Gods in ons opnieuw in volle glans schitteren, heerlijker nog dan Adam in de staat der rechtheid ooit Gods beeld als in een spiegel heeft vertoond.

Terugblik
Op enkele opvallende punten uit de twee voorgaande artikelen en deze bijdrage willen we tot slot hier nog wijzen.
Allereerst is (opnieuw) opgevallen dat Calvijn zonder links of rechts te kijken de mens voortdurend wil gezien hebben in diens verhouding tot God. Wanneer de mens door hem in dit licht is geplaatst, kan hij, kijkend naar de gevallen mens, van zijn situatie niet anders spreken als van een droevig schouwspel van onze afzichtelijkheid en schande waarin wij verkeren.
Weet Calvijn niets méér van de mens te zeggen? Jawel. Want aan het voorgaande wil Calvijn geenszins de conclusie verbinden dat de gevallen mens tot niets meer in staat zou zijn; dat hij niet zou kunnen ontplooien een hoogstaande wetenschap of een machtige techniek. Daarover schrijft hij in Inst. II.2.15 dat gering achten van zulke gaven niet plaatsvindt zonder dat men de Geest Gods zelf minacht en smaadt.
Als Calvijn zo spreekt, beziet hij de mens even in het horizontale vlak, weliswaar niet los van God, maar als de mens aan wie God ook na de val nog zoveel gaven heeft geschonken. Calvijns gewone manier van denken over de mens is echter deze dat hij zonder links of rechts te zien de mens voortdurend stelt voor het aangezicht van God en hem zo beziet in zijn verhouding tot God. Dan is de zwartste tekening van onze misvormdheid nog niet zwart genoeg om onze zondeval te tekenen. In die verhouding tot God wil Calvijn de mens voortdurend gezien hebben telkens als in zijn theologie van de mens sprake is.
Daarmee komt ons een tweede opvallend punt onder ogen. Namelijk dat het beeld Gods in de theologie van Calvijn maar niet één van de vele loci is van zijn geloofsleer, maar een integraal onderdeel ervan; een verbindende schakel tussen verschillende onderdelen van de geloofsleer en als zodanig van belang voor het eigenlijke verstaan van Calvijns theologiseren.
Of het nu gaat over de schepping of vernieuwing van alle dingen, over wedergeboorte of bekering of over het leven der hoop, telkens weer blijken Calvijns gedachten over het beeld Gods daarmee vervlochten en van essentieel belang te zijn. Kort gezegd: het beeld van God blijkt bij Calvijn de samenvattende uitdrukking te zijn voor de algehele verhouding tussen God en de (vernieuwde) mens.

Wat ons voorts stof tot overdenking geeft, is de manier waarop Calvijn enerzijds benadrukt dat het beeld Gods niet in de mens te vinden is als een 'hebbelijkheid', maar functioneert als de 'dadelijkheid' van het geloof. Hoewel deze begrippen bepaald niet voluit model kunnen staan voor wat Calvijn als verschil ziet tussen het beeld Gods als substantie in de mens en het beeld Gods bestaande in een verhouding-van-gehoorzaamheid van de mens tot God, toch is met beide begrippen wel iets aangeduid wat we in het denken over het leven der genade in onze traditie en niet zelden ook in ons eigen hart tegenkomen. Wat het eerste betreft: in de traditie hebben begrippen als 'dadelijkheid' en 'hebbelijkheid' des geloofs gefunctioneerd om respectievelijk aan te geven het geloof in zijn werkzaamheid en in zijn wezen. Maar is het al niet gevaarlijk om van het wezen van het geloof als een habitas, vertaald als 'hebbelijkheid' te spreken? Toegegeven: niet zelden was de bedoeling achter het gebruik van deze terminologie pastoraal van aard. Men wilde de gelovige mens, als hij in duisternissen wandelde en geen licht had en dan niet kon geloven dat God in hem of haar het goede werk begonnen was, troosten door hem of haar erop te wijzen dat wat door de Heere geschonken is nooit meer kan weggenomen worden. Dat is volkomen terecht. Maar varen we geen veiliger koers om die vastheid, die trouw in God te leggen, omdat Hij nooit laat varen de werken van Zijn handen en nooit zal herroepen hetgeen Hij eenmaal heeft gesproken? Zou het Godswoord door de mond van Jesaja voor mensen die in duisternissen wandelen en geen licht hebben, namelijk dat zij dan juist zullen betrouwen op de Naam des HEEREN en steunen op hun God (Jes. 50 : 10), ook vandaag niet krachtig genoeg blijken te zijn?
En wat het tweede betreft: we zullen zeer waarschijnlijk van harte instemmen met de felheid waarmee Calvijn elke poging bestrijdt om het beeld Gods hoe dan ook als een eigenschap van de menselijke ziel te zien. We zullen het ook van harte met hem eens zijn wanneer hij keer op keer stelt dat het beeld Gods van buiten ons afkomstig is; als gave Gods in de vernieuwing door de Geest ons is gegeven. Zodat ook van het beeld voluit Gods geldt: niet uit u, het is Gods gave. Maar hoe vaak zullen we niettemin op dit punt uitglijden als we toch weer bezig zijn, niet zelden in de voorbereiding op het Heilig Avondmaal, om toch weer iets in onszelf te zoeken of onszelf op een andere manier in ons christen-zijn te bewijzen.

Herkennen we daarin een satanische verzoeking, die inspeelt op onze zondige begeerte waarmee we sinds Adam behept zijn: om zelf iets (iemand) te zijn in plaats van te léven in afhankelijkheid van God? Dat besef zou ons althans aanleiding kunnen geven om deze schier onuitroeibare kwaal met des te groter felheid te bestrijden.
Tenslotte: wat het meest heeft getroffen is de diepere motivatie die Calvijn geleid heeft tot zijn keuze om eerst de beschrijving te geven van onze oorspronkelijke, ongerepte en onverdorven natuur vóór hij ertoe overgaat te beschrijven hoe onze toestand geworden is na Adams val. Dat motief bij de keuze van deze volgorde is hetzelfde als het motief dat hem aldoor geleid heeft: de eer van God.
Calvijn kan het niet verdragen dat ook maar de kleinste verdachtmaking op God zou komen te rusten in verband met de treurige toestand van onze val. Elke verontschuldiging in die richting wordt door hem met wortel en tak uitgeroeid. Hier voelen we inderdaad zijn liefde tot God en Zijn eer branden. En daarom moet elk excuus de mens uit handen geslagen worden, opdat alle mond gestopt worde en de gehele wereld voor God verdoemelijk zij (Rom. 3 : 19). Maar 'In Hem, mijn vaste rots is 't onrecht nooit gevonden.' (Ps. 92 : 8, berijmd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 september 1992

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Vernieuwing door de Geest

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 september 1992

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's