De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

In gunst tot ons gewend

Bekijk het origineel

In gunst tot ons gewend

Calvijn over het beeld Gods (6)

10 minuten leestijd

Beeld Gods niet statisch, maar dynamisch
De spiegel en het spiegelbeeld zijn voor Calvijn, zo hebben we al eerder ontdekt, geliefde (voor)beelden om aan duidelijk te maken wat naar zijn, aan de Schrift ontleende, inzicht het beeld Gods is. Dat (voor)beeld heeft echter ook zijn beperkingen. Want het spiegelbeeld dat Calvijn bij zijn gedachten over het beeld Gods voor, ogen stond, is mijlenver verwijderd van het spiegelbeeld van bij voorbeeld de knotwilg die zich de ganse warme zomerdag roerloos staat te spiegelen in het water van de poldersloot waarover heen gebogen hij staat. Het beeld Gods is er wel heel ver vandaan zo'n roerloos spiegelbeeld te zijn. Het is naar Calvijns gedachten één en al beweging. Het is alles dynamiek wat de klok hier slaat.
We hebben daarvan al iets vernomen toen we Calvijn zijn belangrijke gedachte van het christenleven als pelgrimage zagen verbinden met zijn gedachten aangaande het beeld Gods. Waarbij we hem hoorden zeggen: 'Nous sommes seulement au chemin'. – we zijn nog maar onderweg. De volkomenheid van het beeld Gods wacht in de heerlijkheid. Dit onderweg zijn geeft aan Calvijns gedachten over het beeld Gods een sterke dynamiek. Er is geen sprake van stilstand, wel van voor(ui)tgang. De zaligheid is ons nu nader dan toen wij eerst geloofden. En met reikhalzend verlangen zien wij uit naar die grote dag die 'zeer wenselijk en troostelijk is voor de vromen en uitverkorenen, dewijl alsdan hun volle verlossing volbracht zal worden…' (Nederlandse Geloofsbelijdenis, art. 37).
Dat is de ene spits van de dynamiek die bij Calvijn aanwezig is in zijn denken over het beeld Gods. Maar er is ook nog een andere spits. Hoewel straks zal blijken dat er nauwelijks sprake kan zijn van twee spitsen, van twee aparte bruggehoofden. Daarvoor zijn ze uiteindelijk te zeer met elkaar verbonden. Maar voor de duidelijkheid van het betoog halen we ze hier even uiteen om ze straks weer in elkaar te vlechten.

Onderhouding als voortdurend scheppen
Die tweede spits, zo willen we het nu even noemen, van Calvijns gedachten aangaande het beeld Gods als een werkelijkheid vol van daadkracht, heeft vooral te maken met het feit hoe hij zich de onderhouding van de schepping voorstelt. En om maar met de deur in huis te vallen: het lijkt me dat hij zijn gedachten daarover toch wat anders vorm geeft dan onder ons wel gebruikelijk is. Ik generaliseer nu misschien enigszins. Maar ik ontkom toch niet helemaal aan de indruk dat wij ons weliswaar enerzijds distantiëren van het Deïsme. U weet wel, die filosofie aangaande de onderhouding van de schepping die onder ons wat simpel wordt voorgesteld door het beeld van de klokkenmaker. De man heeft de klok gefabriceerd, vervolgens het uurwerk opgewonden en kijkt er nu niet meer naar om. Het uurwerk loopt immers. Hij heeft zijn werk gedaan.
Dat God zo met Zijn schepping om zou gaan, dat Hij zich er niet meer mee zou bemoeien nadat Hij de schepping en alles wat zich daarin afspeelt op gang heeft gebracht, omdat het hele gebeuren in de schepping overeenkomstig de door God daarin gelegde natuurwetten en processen zich vanzelf zou afwikkelen…, nee dat wil er bij ons niet in. Zelfs na de zondeval heeft God Zijn schepping niet los gelaten, blijft Hij zich aktief met Zijn schepping bemoeien. Als vanzelf gaan onze gedachten naar Zondag 10 van de Heidelberger Catechismus, waar van de voorzienigheid Gods wordt beleden: 'De almachtige en alomtegenwoordige kracht Gods door welke Hij hemel en aarde, mitsgaders alle schepselen, gelijk als met zijn hand nog onderhoudt…'
In die woorden kunnen we ons vinden. Maar vergaat het ons anderzijds bij het voorstellen van Gods onderhouding van Zijn schepping niet zo dat we ons dat indenken als (vergeef mij het voorbeeld) een huiseigenaar die zijn huis een goede verfbeurt geeft, zodat hij er vervolgens weer voorjaren van af is? Ik bedoel: zit er in ons denken over Gods zorg met betrekking tot de schepping in bepaald opzicht niet een zekere ruimte tussen de schepping en haar Schepper, Die ook haar Onderhouder is? Een zekere ruimte die zelfs het gevaar in zich bergt van een bepaalde verzelfstandiging van het schepsel ten opzichte van de Schepper?

Een vader en moeder, hoe goed ze overigens voor hun kinderen zorgen, zullen hun kinderen ook niet altijd vast kunnen houden. Er is ruimte voor de zelfstandigheid van het kind dat zich steeds meer los maakt van de ouders. Ligt ons denken over Gods trouwe zorg niet wat in deze lijn? Natuurlijk vergeten we niet dat Paulus op de Areopagus aangaande God, Die hij verkondigt, uitgerekend de woorden van de Griekse filosoof Ara(s)tus aanhaalt dat wij in God leven, bewegen en zijn. Maar heeft dat bij ons wel het gewicht dat Paulus er aan geeft?
Het is op zijn minst een leerzame verrassing en wellicht ook een beschamende ontdekking om op dit punt kennis te maken met de gedachten van Johannes Calvijn. En het lijkt me dat er weinig tegen is om zijn gedachten ook inzake deze locus van onze gereformeerde geloofsleer te bestempelen als repetitio sacrae Scripturae.

Gods direkte bemoeienis met de schepping
Heel de schepping wordt als van ogenblik tot ogenblik door God in stand gehouden, zo stelt Calvijn vast. Ze sterft dagelijks en wordt ook dagelijks in haar verschillende delen uit het niet-zijn in aanzijn geroepen. Geen schepsel heeft het leven van zichzelf, maar elk leent het leven van God. Calvijn spreekt over wat wij de onderhouding van de schepping noemen dan ook als over een doorgaande schepping: creatio continua. In zijn commentaar bij Psalm 104 : 29 ('Verbergt Gij Uw aangezicht, zij worden verschrikt; neemt Gij hun adem weg, zij sterven en zij keren weder tot hun stof') vat hij samen: 'Waar dit alles nu op neer komt is, dat wanneer wij de wereld dagelijks zien vermolmen en wederom vernieuwd worden, het de levendmakende kracht Gods is, die ons in deze spiegel, wordt voorgehouden. Want zo menigmaal als er een levend wezen sterft, even zo vele malen is ons dit een toonbeeld van onze nietigheid, als ik dit zo zeggen mag. En als anderen in hun plaats voortgebracht worden, wordt ons hierin als een vernieuwing der schepping getoond. En dewijl dus de wereld dagelijks opnieuw in haar delen geboren wordt, is het gemakkelijk hieruit af te leiden, dat zij niet anders bestaat dan door de verborgen kracht Gods.'

Schrijft Calvijn dit neer van de schepping in het algemeen, in al haar delen…, niet anders ziet hij het ten aanzien van de mens. Juist als het om de mens gaat, schroomt Calvijn niet de sterkste uitdrukkingen te gebruiken om onze diepe en voortdurende afhankelijkheid van God te onderstrepen. In zichzelf is de mens niets en leeft hij voortdurend op de grens van leven en dood. Elk ogenblik kan de dood toeslaan en de mens in het graf dalen. Want in zichzelf immers bezit hij geen kracht, geen leven. Leven bezit hij alleen maar in God, omdat levenskracht alleen aan Hem van nature eigen is.
Calvijn verwijst dan naar de al eerder aangehaalde woorden uit Hand. 17 : 28 om daarbij op te merken: '(…) wij hebben niet alleen geen leven in ons dan alleen uit God, maar zelfs geen beweging, ja zelfs geen bestaan, hetwelk toch geringer is dan leven en beweging'. Veelzeggend is in dit verband ook wat hij over het wonder van de geboorte schrijft in zijn commentaar bij Psalm 22 : 11 ('Op U ben ik geworpen van de baarmoeder af; van de buik mijner moeder aan zijt Gij mijn God'): 'Want wat kan er niet in de weg komen, dat honderden malen de vrucht in haar omgeving vergaan zou, voordat de tijd om geboren te worden daar is; wanneer God niet door een geheime en onbegrijpelijke macht het levend bewaart als in een graf(!)'
In dit licht bezien, is de volgende uitspraak (in een preek over Deut. 28 : 65) werkelijk niet overdreven: de mens wordt elk ogenblik van zijn leven door het Woord en de wil van de Schepper, die Heere is over leven en dood, voortdurend uit het niet-zijn in het aanzijn en tot leven geroepen.
Zo bezien is er inderdaad sprake van een nieuw scheppen. Geen onderhouding, in stand houden van wat een zekere mate van zelfstandig bestaan heeft en met enige hulp van buitenaf wel verder kan blijven bestaan. Niets daarvan! Calvijn gewaagt van een metterdaad nieuw scheppen van wat voortdurend door de dood dreigt te worden verslonden. Het bestaan van heel de schepping en dus ook van de mens hangt voortdurend af van Gods onmiddellijk werk door Zijn (scheppings)Woord en Geest, Hij blaast ons als het ware doorlopend de levensadem in. God is een God die ons leven van dag tot dag en van minuut tot minuut als uit het graf opvoert, zouden we met een variant op Psalm 30 kunnen zeggen.

Gods welbehagen
We mogen niet over het hoofd zien dat zowel schepping als doorgaande schepping (= onderhouding) rusten in Gods welbehagen. Welbehagen dat heel bijzonder (de schepping en onderhouding van) de mens omvat. Als we zeggen dat het bestaan van de mens (om ons in verband met het beeld Gods nu tot hem te beperken) voortdurend van God afhangt, dan is het van die God Wiens wil met betrekking tot de mens welbehagen, heilswil is. Voor Calvijn staat immers onomstotelijk vast, zoals wij al eerder zagen, dat God, ondanks de breuk die wij tussen Hem en ons hebben geslagen, nadien niet anders is gaan denken en doen ten opzichte van ons dan voordien. Gods woorden en daden worden evenzeer, ja nog meer dan tevoren, gedragen door Zijn toewending in gunst naar ons. Zo was God voor Adam.
Adam – dat is de mens die op zichzelf bezien de bewoner is van een lemen stulp zodat aan hem niets verhevens of verdienstelijks is. Maar wiens nederig bestaan uit vrije gunst door God tot de hoogte van het beelddrager Gods verheven werd. Een zaak, waarvan Calvijn niet ophoudt te benadrukken dat er niets hogers, edelers en verheveners is dan beelddrager van God te mogen zijn.
Deze gunst nu, die God heel bijzonder voor de mens aan de dag heeft gelegd, is als gevolg van de zondeval niet opgehouden, alleen maar rijker, voller en dieper geworden. Met andere woorden: het is niet alleen maar de levenskracht die God aan alle schepselen meedeelt om hen in het leven te houden waardoor ook de mens leeft. Maar het is vooral Gods gunst die de mens bij het leven bewaart.
Deze gedachte moeten we vasthouden, omdat ze van wezenlijk belang is voor de verdere uitwerking van Calvijns gedachten voor wat betreft het beeld Gods en dan met name naar de kant van de mens. Een belangrijke sleutel die ons toegang verschaft tot Calvijns gedachten over het beeld Gods in de mens wordt ons hier in handen gelegd als Hij de schepping en onderhouding van de mens door God zet in het licht van Gods genadig handelen met die mens. Want God laat ons, nadat wij eenmaal op de wereld zijn gezet, maar niet eenzaam onze weg gaan, zo goed en zo kwaad wij kunnen. Nee, Hij is als het ware voortdurend bij ons en Zijn hand is steeds naar ons uitgestrekt. En terwijl Hij ons niet nodig heeft en Hij van onze dienst niet meer of minder wordt, heeft Zijn oneindige goedheid jegens ons Hem ertoe bewogen ons tot ontvanger van Zijn rijke gaven te maken.
Maar als de zaken er zo voor staan, blijft voor de mens, die uit vrije gunst met zoveel rijkdom overladen wordt, maar één houding over: God de hoogste dankbaarheid te bewijzen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 september 1992

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

In gunst tot ons gewend

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 september 1992

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's