De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

4 minuten leestijd

Een lezer was zo vriendelijk ons een treffend gedeelte toe te zenden van een vertaling van een boek van O. Funcke, predikant te Bremen, getiteld 'Paulus te water en te land' (uitgave Otto Petri, Rotterdam, 1879). De vertaling is van H.C.H. Reyen en het boek bevat een 'voorrede' van prof. dr. J.J. van Oosterzee, hoogleraar te Utecht. Hier volgt (in aangepaste spelling) een wat uitgebreidere passage over (gevaarlijk) 'patriottisme' oftewel nationalisme:

'Wat de zonde ook van de nationale verscheidenheden heeft gemaakt, ligt voor de hand. Men kan zeggen, dat bijna alle oorlogen, waardoor de natiën elkander wreedaardig geteisterd hebben, in het verkeerde, ontaarde patriottisme hun oorsprong hadden; desgelijks, dat de natiën zich door een dom en trots patriottisme hebben laten verblinden, zodat zij elkander niet waardeerden en weigerden van elkander te leren en aan te nemen. Het ziekelijk patriottisme was de voornaamste hinderpaal van ontwikkeling en beschaving. – De oude volken sloten zich gestreng van anderen af; ieder hield zich zelf voor het beste, alle anderen voor barbaren, voor wezens van een geheel andere aard, die andere Goden, andere verwachtingen en bedoeling hadden; en daarnaar ging men dan ook met hen om. Een naburige natie, die gevaarlijk was of worden kon, te vuur en te zwaard geheel te verdelgen, of haar geheel tot slaven te maken en deze slaven als het vee, ja dikwijls slechter dan het vee te behandelen, – de krijgsgevangenen bij duizenden en honderdduizenden te vermoorden, ja vrouwen en kinderen niet te verschonen, – het land in een woestijn te veranderen en alle roerende goederen te roven, – was en is doorgaans bij de niet-christelijke natiën recht en gebruik. Het Christendom en de christelijke beschaving (die ook een dochter des Christendoms is) hebben in dit opzicht reeds verwonderlijk veel veranderd. Ook heden nog en midden onder de christelijke natiën vinden wij ontzettend veel nationale ijdelheid, dwaasheid, ja nationale hoogmoed, die dikwijls tot waanzinnige verblinding leidt. Wij Duitsers waren in dit opzicht wellicht het deugdzaamste; wij hebben onze nationale voorrechten een lange tijd eerder te weinig dan te veel gewaardeerd, hebben te zeer onze naburen bewonderd, en waren daardoor de spot der wereld geworden. Sedert 1870 verkeren wij in het tegenovergestelde gevaar, dat wij namelijk in ons eigen oog de "grote natie" zijn, gelijk de Fransen zich dat sedert eeuwen inbeeldden. Hoe belachelijk schijnt ons echter die onware ijdelheid, b.v. van de Fransen, deze ijdelheid, die zich zelf zo onzinnig veel te hoog waardeert en wel de zwakheden, maar nooit de voorrechten van andere volken erkent en daarom ook niet leert. Hoe smartelijk is de verblinde haat, die een nationale zelfmoord wordt, ter wijl hij de andere natiën in het verderf zou willen storten. Hoe bespottelijk en afschuwelijk tevens is deze bittere nijd, die anderen alleen kan belasteren en verguizen. Van deze gezindheid moet een christen zich geheel en al reinigen. Het ware christelijke patriottisme berust even als de gehele christelijke gezindheid op liefde en waarheid. Het wil de zaken, de mensen, de omstandigheden, de volken beschouwen, zoals zij werkelijk zijn; het legt er zich op toe, om met het oog der zuivere liefde te zien, geen afgronden te maken, maar te dempen, geen bruggen af te breken, maar te leggen, – waarbij wij gaarne erkennen, dat volkomen onpartijdigheid voor ons zwakke mensen onmogelijk is; maar wij moeten toch oprecht zijn en in de liefde blijven.'


Uit een Japans hoofdkussenboekje (uitgave Tirion, Baarn), nemen we de volgende Japanse wijsheden over:

• De duistere ziel heeft altijd haast.

• Een bekwaam handelaar weet van een koperen penning nog een goudstuk af te wrijven.

• De moderne mensen weten niet meer wat echte ontspanning is; men zou hun moeten leren zich weer oprecht om iets te verheugen.
Kagawa Toyohiko

• ledere ontmoeting is het begin van een afscheid.

• Hoe vreemd is het ons te moede als wij, stil in gedachten verzonken, ons talloze gebeurtenissen uit vroegere dagen herinneren! Terwijl de anderen zich ter ruste begaven heb ik, om de lange nacht te verdrijven, een kleine opruiming gehouden onder de beuzelarijen die men ergens opbergt. Kattebelletjes waaraan men niet veel waarde hechtte, maar waarop met de losse hand een gedicht werd gepenseeld door iemand die inmiddels gestorven is, of waarop misschien een fraaie tekening prijkt, – krijgt men zodoende plots weer onder ogen, en men voelt zich onverhoeds opnieuw in het verleden teruggeplaatst. Een bron van weemoed is het eveneens na lange jaren brieven weer te vinden van iemand die nog leeft, en zich te herinneren in welk jaar en bij welke gelegenheid zij werden geschreven. De spullen welke al lang overleden mensen gebruikten, hebben geen hart meer maar zij blijven door de lange, lange jaren heen onveranderd. Hoe diep grijpen zij ons aan.'
Yoshida Kenko

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 september 1992

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 september 1992

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's