De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Bijbel is er niet alleen voor het verhaal, maar ook voor de moraal *

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Bijbel is er niet alleen voor het verhaal, maar ook voor de moraal *

12 minuten leestijd

Kerkendag, 19 september 1992
1. De titel waarmee mijn bijdrage is aangekondigd, verwijst naar een bekende stellingvan dr. H.M. Kuitert, die hij laatst nog weer uitgewerkt heeft in zijn boek 'Het algemeen betwijfeld christelijk geloof'. De bedoeling van Kuitert is dat de Bijbel geen bron van normen is. Er is volgens hem aan de Bijbel geen specifieke ethische kennis te ontlenen. Op het vlak van de moraal kunnen we toe met het natuurlijke licht dat de mensen gegeven is, met rationaliteit en humaniteit. Wel inspireert en motiveert de boodschap die in de Bijbel te vinden is tot de keuze voor het goede. Maar een beroep op een bijbeltekst spaart geen argument uit.
2. Hiertegenover kies ik positie door de Bijbel als unieke bron van de christelijke ethiek te beschouwen. De Bijbel is allereerst getuigenis van Gods heil, maar dan ook bron van normen. 'Uw Woord is een lamp voor mijn voet en een licht over mijn pad', zo belijdt de dichter van Psalm 119 (vers 105). Hij doet dat vol vreugde. Hij haalt zijn hart op aan Gods woorden. Zijn lied is vol van de 'simchat hattora', de vreugde der wet. De christen zingt het hem graag na. Wat heeft God in Zijn liefde ons ontzettend veel gegeven in het Oude en Nieuwe Testament. Niet maar in het algemeen en in het vage, maar heel helder heeft Hij de weg van het heil geopenbaard. En met het heil is ook de heiliging gegeven.
3. Er is aan de Bijbel een rijke oogst van gegevens te ontlenen die ons de weg wijzen om naar Gods wil te handelen en in Zijn wegen te wandelen. De Heere heeft ons een milde overvloed van richtingwijzers geschonken. We denken in de eerste plaats aan de Tien Geboden en aan de Bergrede. Dat zijn concentratiepunten van de openbaring van Gods wil voor ons leven. Daarnaast staan de hoofdstukken in de apostolische brieven waarin we tal van vermaningen, opwekkingen, bemoedigingen en handreikingen vinden voor het christelijke leven. Deze geboden worden altijd weer gedragen door de boodschap van Gods genadige ontferming in Christus. Ze zijn als het ware niet los verkrijgbaar, de heiliging vloeit voort uit het heil (de imperatief rust op de indicatief). Er is de toepassing en nadere ontvouwing van de Tien Geboden in de oud-testamentische wetgeving. Er zijn de gegevens over het mens-zijn naar Gods beeld en gelijkenis, het huwelijk als ordening van God, de arbeid als opdracht, de sabbat als heilzame begrenzing van de arbeid, de overheid als dienaresse Gods (Gen. 1 : 26, 27; 2 : 18-24; 2 : 15-17; 2 Thess. 3 : 10; Ex. 20 : 8-9; Rom. 13 : 1-7). Dit alles vindt zijn brandpunt en hoogtepunt in het leven van Christus, die heeft laten zien hoe de wet vervuld wordt door de liefde. Gehoorzaamheid aan Gods wet betekent voortaan voor de christen navolging van Christus, wandelen in Zijn voetstappen, herschapen worden naar Zijn beeld.
4. Nu kunnen we niet alle geboden die in het Oude Testament staan precies nakomen en vele ervan houden we helemaal niet meer, denk bijvoorbeeld aan de spijswetten. Orthodoxe joden eten nog altijd niet het vlees van dieren die door de wet van Mozes als 'onrein' worden gekwalificeerd. Als christenen achten we ons daaraan niet gebonden. In het Nieuwe Testament wordt dit ons duidelijk gemaakt (vergelijk Handelingen 10, 11, 15). Zelfs wordt het in de Galaten-brief uitdrukkelijk verboden om allerlei oud-testamentische voorschriften opnieuw verplicht te stellen binnen de christelijke kerk. Daarmee zou immers de vrijheid die in Christus gegeven is teniet gedaan worden. Het Nieuwe Testament maakt ons duidelijk wat vanuit het Oude Testament voor ons nog wèl geldig is en welke voorschriften anderzijds tot een bepaalde tijd beperkt blijven. We mogen ons dus niet zomaar lukraak op een bijbeltekst beroepen. Dan treden er inderdaad allerlei kortsluitingen op. Eerbiedige omgang met de Schrift houdt ondermeer in dat we de teksten in hun verband lezen en dat we ons er goede nota van geven aan wie en met het oog waarop een bepaald bijbels voorschrift gegeven is. In het licht van het gehele bijbelse getuigenis onderzoeken we dan vervolgens wat voor ons de normatieve kern in dat tijdbetrokken gebod is.
5. Wanneer wij ons bezinnen op de actuele betekenis van bijbelse voorschriften moeten we altijd allereerst bedenken Wie er spreekt. De Schrift is gevloeid van de lippen van de eeuwige God. Zijn wil is eeuwig. Hij is de Onveranderlijke. Vandaar de beslissende eenheid binnen de verscheidenheid van de Schriften. De volgende vraag is: tot wie is er in eerste instantie gesproken? Tot de mens voor de zondeval, tot de mens onder het oude verbond, tot de nieuw-testamentische gelovige? Welke betekenis heeft dit bepaalde tekstwoord oorspronkelijk gehad, gelet op de situatie waarin het in eerste instantie is geopenbaard? Verder is er onderscheid tussen historisch gezag en moreel gezag. Niet alle gedrag van mensen, ook niet alle gedrag van gelovigen, dat in de Bijbel beschreven wordt, is ter navolging beschreven. Soms wordt bepaald gedrag zonder commentaar beschreven, maar is òfwel uit de tendens van het verhaal, òfwel door vergelijking met andere bijbelse gegevens duidelijk dat God dit gedrag afwijst (bijvoorbeeld het hebben van meer dan één vrouw tegelijk, polygamie of bigamie). Er zijn ook allerlei incidentele voorschriften die aan mensen in een bepaalde situatie worden gegeven met het oog op die situatie, bijvoorbeeld ten aanzien van het rapen van manna in de woestijn. Uiteraard gelden dergelijke voorschriften niet voor anderen, lòs van die situatie.

Verder zijn blijvende geboden vaak in een tijdgebonden kleed gehuld. Wanneer de os en de ezel genoemd worden in het tiende gebod, schemert daarin een agrarische cultuur door. De specifieke vorm van het gebod is dus cultureel en situationeel bepaald. Maar het is duidelijk dat het gebod evenzeer betrekking heeft op het begeren van andermans eigen huis, auto, plezierboot of bankrekening. Een ander voorbeeld is Johannes 13 waar de discipelen de opdracht krijgen elkaar de voeten te wassen, zoals Christus het hun heeft voorgedaan. Dit voorschrift veronderstelt de voetwassing als een in de toenmalige cultuur zinvol gebruik. Er kan dan niet zomaar geconcludeerd worden dat deze handeling als blijvende symbolische verrichting aan de kerk der eeuwen is voorgeschreven. De normatieve kern is de opdracht elkaar te dienen door de liefde en de ander uitnemender te achten dan zichzelf. Zeer bekend is ook het voorbeeld van 1 Cor. 16 : 20: 'Groet elkander met een heilige kus'. De kern van de vermaning is de opwekking om hartelijk en liefdevol met elkaar om te gaan. Niemand zal toch willen beweren dat er aan het gezag van Gods Woord tekort wordt gedaan wanneer wij elkaar in plaats van een kus een welgemeende handdruk geven?
6. God heeft ons geplaatst in deze tijd en roept ons tot actuele gehoorzaamheid. Hoe kan het blijvende gebod van God gehoorzaamd worden in veranderlijke situaties en in veranderde omstandigheden? Ik zou met S. Meijers willen zeggen: de kerk heeft een tweevoudige roeping: in-dachtig zijn en aan-dachtig zijn. In-dachtig wil zeggen: ons het gehele Woord in al zijn rijkdom te binnen brengen. We beperken ons daarbij dus niet tot enkele motieven of kernwoorden, zoals 'liefde', 'gerechtigheid', 'vrijheid'. Het is zeker waar dat er ethische kernen en constanten zijn in de Schrift. De Tien Geboden spreken ons direkter aan dan een serie voorschriften uit Leviticus. Maar het is als met een grote stad: de grote verkeersaders en pleinen in het centrum zijn op één of andere manier verbonden met de buitenwijken. Lezend in de Bijbel zullen we altijd weer de lijnen vanuit de buitenwijken moeten doortrekken naar het centrum. Maar ook de omgekeerde richting moeten we gaan: vanuit de kernen en de criteria terug naar de concrete geboden. Ook in die concrete bijbelse geboden, die ons wellicht op het eerste gehoor heel vreemd voorkomen en ver van onze situatie lijken af te staan, ligt toch voor ons een normatief moment, een vingerwijzing van Gods wege.
7. Je kunt die concrete geboden niet zomaar kopiëren. Dan zou je geen rekening houden met de voortgang van de heilsgeschiedenis of met de culturele verschuivingen die zich hebben voorgedaan. Maar wel moet onze geloofsgehoorzaamheid getoetst worden aan die concretisering. Heel de Schrift moet resoneren in de christelijke ethiek. Als voorbeeld noem ik Deuteronomium 22 : 5: 'Het kleed eens mans zal niet zijn aan een vrouw, en een man zal geen vrouwenkleed aantrekken; want al wie zulks doet is de Heere, uw God een gruwel'. Betekent dit dat meisjes bij geen enkele gelegenheid een pantalon mogen dragen en dat de Schotten met hun kilts ook helemaal fout zitten? De vraag is om te beginnen, welk verschil er in de klederdracht van een man en een vrouw zat in de wereld van de Bijbel. Ook de mannen droegen rokken, vrouwenkleding en mannenkleding was in wezen hetzelfde! De verschillen zaten in de fijnere stoffen, rijkere versiering en grotere variëteit in kleuren bij de vrouw. De rokken waren waarschijnlijk over het algemeen langer dan die van de man. Het verschil was in elk geval op korte afstand duidelijk, mede door de hoofdtooi van de vrouw, soms ook aangevuld door een sluier. Het woord dat met 'manskleren' vertaald is, kan behalve kleren ook voorwerpen als wapens, een herdersstaf, een reiszak of een muziekinstrument aanduiden. Allerlei symbolen van mannelijkheid mag een vrouw niet 'aanhebben'. Wat is nu de bedoeling van dit voorschrift? Het gaat niet alleen maar om een verbod op travestie of verkleding op zichzelf. Het gebruik van het woord 'gruwel' geeft te denken. Deze uitdrukking voor wat afstotelijk en afschuwelijk is en waar de Heere een grondige afkeer van heeft, is vaak gekoppeld aan de heidense religie. A. Geelhoed merkt op: 'Het doet sterk denken aan wat cultisch onrein is en aan seksuele uitspattingen.' (De Reformatie 66/4, 73). Bij de meeste hedendaagse exegeten wordt verondersteld dat deze passage zinspeelt op een oude cultuspraktijk waarbij vereerders in de dracht van het andere geslacht gekleed een god vereerden. Na afweging van verschillende varianten in de exegese komt Geelhoed tot de slotsom: 'Deut. 22 : 5 blijft normatief in die zin, dat klederdracht en mode niet gesteld mag worden in dienst van de verleiding tot zonde tegen het zevende gebod'. Het lijkt mij een goed gefundeerde slotsom die duidelijk maakt hoe enerzijds een beroep op zo'n tekst op de klank af tot kortsluitingen leidt, maar dat het anderzijds zo is dat ook zo'n schijnbaar ver van ons afstaand woord actuele betekenis heeft.
8. Aan-dachtig zijn houdt in: de poging onze tijd te verstaan, de wereld en wat haar beweegt te proeven en te beproeven. Het is een spannend en inspannend gebeuren om in-dachtig te horen naar het Woord, aan-dachtig de situatie te peilen en zo het gebod toe te passen in de situatie. Als gelovigen zijn we geroepen tot deze actuele toepassing van Gods gebod. Wij moeten 'een baan uitzetten voor het gebod van God, wegen vinden waarlangs het gebod van God in iedere tijd loopt' (S. Meijers). Dat is natuurlijk geen geringe opdracht. Het betekent heus niet dat we alleen maar klakkeloos behoeven te herhalen wat er in inmiddels vergeelde handboeken van christelijke ethiek geschreven staat. Er zijn nieuwe vragen, dus is er behoefte aan nieuwe antwoorden. Die antwoorden kun je niet zomaar uit de Bijbel halen alsof de Schrift een ethisch handboek of naslagwerk was. Staande temidden van de diep ingrijpende veranderingen in onze tijd en cultuur, terwijl een nimmer eindigende informatiestroom om verwerking vraagt en onze horizon wereldwijd is geworden, zijn we geroepen tot spoorzoeken met behulp van de looplamp en in het vuurtorenlicht van Gods Woord. Het is geen geringe uitdaging om zich open te stellen voor die indringende moderne vragen en tegelijkertijd geen duimbreed af te wijken van het bijbelse spoor. Hoe gecompliceerd zijn de actuele vraagstellingen niet, hoe snel en onoverzichtelijk de ontwikkelingen, hoe dreigend de geweldsspiralen. Maar er mag veel verwachting zijn van de volheid en de zeggingskracht van Gods Woord en van het licht en de leiding van de Heilige Geest. In de weg van voortgaand Schriftonderzoek en van openhartig moreel beraad in de ruimte van de kerk, leren we 'ta diaferonta' onderscheiden, 'de dingen waar het op aan komt' (Fil. 1 : 9-11). Het gebed als 'het voornaamste stuk van dankbaarheid' neemt hier een grote plaats in. Alleen door telkens steun te zoeken in het gebed kan een mens een voet verzetten op de weg van het gebod. 9. Zoals gezegd is dagelijkse omgang met het Woord als licht over ons pad en als een lamp voor onze voet van andere orde dan het opzoeken van kant en klare recepten in een casuïstisch handboek voor de moraal. God heeft alle ruimte gelaten voor de mondigheid en de creativiteit van de gelovigen. De Geest zal ons wegen wijzen wanneer we met het Woord ingaan in de werkelijkheid. Daarbij behoeven christenen het niet altijd met elkaar eens te zijn. 'Sterken' en 'zwakken' worden geroepen elkaar te verdragen en te aanvaarden in Christus (zie Rom. 14 en 15). We moeten elkaar ruimte bieden om verschillend te denken, waar we beseffen dat ons kennen ten dele is, dat ook bijbelgetrouwe uitleggers soms aanzienlijk verschillen in de uitleg van bepaalde teksten, alsook bij de duiding van de blijvend normatieve kern in de concrete geboden. Ruimte is nodig gelet op het ingewikkelde en dikwijls verbijsterende karakter van de vragen waarvoor we in deze tijd worden gesteld. Ruimte is nodig gezien de snelheid van de ontwikkelingen. De grenzen van deze ruimte zijn bereikt waar men niet meer aanspreekbaar wil zijn op de volle inhoud van de Schriften. Daar waar men zonder zuiver bijbelse argumentatie breekt met een uitgekristalliseerde morele traditie in de christelijke kerk, zoals die van de uniciteit van het huwelijk of de onvoorwaardelijke beschermwaardigheid van het menselijk leven. Hiermee is iets aangegeven van de grenzen en de werkelijkheid van de christelijke vrijheid. Ten onrechte wordt deze vrijheid soms ingevuld als de vrijheid om zich een eigen mening te vormen, ook wanneer deze mening zou indruisen tegen wat God heeft geopenbaard inzake goed en kwaad. Christelijke vrijheid veronderstelt vrijwillige gebondenheid aan het Woord van God. Maar waar christenen elkaar herkennen in trouw aan dat Woord, verdragen zij elkaar in verschillende interpretaties van dat Woord.

(Toespraak op Kerkendag, 19 september 1992 te Amersfoort.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1992

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De Bijbel is er niet alleen voor het verhaal, maar ook voor de moraal *

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1992

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's