Geroepen uit de wereld om er te zijn voor de wereld (1)
Tussen isolement en engagement
Vorige week kondigden we aan, dat in dit nummer de bijdragen zouden worden geplaatst, die prof. dr. C. Graafland en dr. J. Hoek hebben gegeven op de laatst gehouden Kerkendag. Bijgaand zijn deze twee bijdragen opgenomen.Volgende week zullen we nog een impressie plaatsen van de bijdrage, die door de IZB is gegeven over de plaats van de zondag in onze samenleving. Dr. A. Noordegraaf geeft dan een samenvatting van deze bijdrage, waaraan is medegewerkt door dr. A. Noordegraaf, drs. H. de Leede (IZB), R. Veerman (classis Gorinchem) en J. Wienen.
Lezing Kerkendag 1992
Ambivalente gevoelens
Toen mij gevraagd werd om op deze Kerkendag een bijdrage te leveren, had ik na alles wat er in mijn eigen kring over gezegd was, niet zoveel animo meer om daar 'ja' op te zeggen. Maar toen erbij werd gezegd, waarover men graag zou willen, dat ik iets zou zeggen, namelijk dat het zou moeten gaan over het thema 'tussen isolement en engagement', heb ik er toch vrijwel onmiddellijk en spontaan in toegestemd. Dat komt vooral, omdat het precies mijn wat ambivalente gevoelens aangeeft, die rondom het gebeuren van deze kerkendag in mij leven.
Want aan de ene kant heb ik altijd al de gedachte gehad, dat de zaken, die in het z.g. conciliair proces aan de orde worden gesteld, toch wel heel erg belangrijk en heel erg urgent zijn, waar geen mens zich aan kan en mag onttrekken, laat staan een christenmens, een christelijke gemeente en de christelijke kerk. Maar aan de andere kant stond ik er toch ook heel kritisch en afwijzend tegenover, omdat ik uit de manier, waarop dit hele gebeuren zich voltrok, de indruk kreeg, dat wat ik zelf zie als het hart van het christelijk geloof, daarin werd gemist. En als men het dan laat voorkomen, dat wat men presenteert toch wel het hart van het geloof is, dan meen ik, dat het hierbij maar niet gaat om een verkeerde opvatting, maar dat het dan gaat om niet minder dan een zelfs gevaarlijke ketterij, die alle eeuwen door al de kerk op een dwaalspoor heeft trachten te brengen en haar meer dan eens een desillusie en frustratie heeft bezorgd.
'Maar gij geheel anders'
Nu wordt mij dus de gelegenheid geboden om in positieve zin mijn eigen gedachten hierover uit te spreken. Ik zou dan willen beginnen met het thema iets te wijzigen. Het thema luidt 'tussen isolement en engagement'. Ik zou het liever zo willen zeggen: 'zowel isolement als engagement', of nog iets anders: 'door isolement komen tot engagement'. Het lijkt een beetje op een frivole woordspeling, maar ik zal proberen uit te leggen, wat ik ermee bedoel.
Ik heb bij de voorbereiding hierop telkens moeten denken aan het woord van Paulus uit Efeze 4 : 20: 'maar gij geheel anders: gij hebt Christus leren kennen'. 'Gij geheel anders'. Paulus heeft het dan over de christelijke gemeente, die afsteekt, althans behoort af te steken bij wat hij 'de heidenen' noemt. Maar met de laatste wil hij feitelijk aangeven de gangbare manier van leven onder de mensen en de volken, die, zoals hij schrijft, zich 'in hun verdoving' hebben overgegeven aan de losbandigheid om gretig winst te slaan uit allerlei onreinheid'. In het licht van deze mentaliteit schrijft Paulus dan aan de gemeente: 'Maar gij geheel anders, want gij hebt Christus leren kennen'. Welnu, dat bedoel ik, als ik aan dat woord 'isolement' denk. Zo zou ik het tenminste willen invullen.
Je kunt er uiteraard over twisten, of deze typering van Paulus ten opzichte van de heidenen, dus nogmaals, van de toen gangbare levensstijl, die de gemeente overal om zich heen aantrof, ook voor nu geldt. Ik ben ervan overtuigd, dat dit inderdaad het geval is. Ik sluit dan aan bij de woorden 'losbandigheid' en 'onreinheid', waarover Paulus het heeft, en het zich daaraan overgeven, en dan menen, dat dat winst is. Dat herken ik ook in het leven van de mens in onze tijd in allerlei opzicht. Paulus spreekt trouwens ook over 'allerlei' onreinheid.
Ons omgaan met de schepping en ons doen van de gerechtigheid
Laten wij maar beginnen bij het omgaan met de schepping, de dingen, die God ons gegeven heeft om daar Hem en onze medemens mee te dienen en in dat licht ook onszelf. Om er dus mee om te gaan als met een kostbaar geschenk. Maar de schepping wordt in feite uitgebuit door de mens, ten diepste toch om alleen zelf er beter van te worden, om zichzelf te dienen, om zichzelf uit te leven, in het groot en in het klein, zonder zich te bekommeren om de ander, o.a. ons eigen nageslacht. Ik hoef daar, dacht ik, niet over uit te wijden.
Hetzelfde zou gezegd kunnen worden ten opzichte van de gerechtigheid. Ik heb de afgelopen zondagen gepreekt over Psalm 17, die in de Statenvertaling begint met de roep van de dichter tot God: 'Heere, hoor de gerechtigheid'.
De gerechtigheid schreeuwt vanuit deze aarde tot God, hoewel deze stem gesmoord wordt van alle kanten. We maken het in deze dagen weer op een ontstellende wijze mee in Somalië en in het voormalige Joegoslavië. Tenminste, die landen staan momenteel terecht in de belangstelling, maar waar in de wereld heerst het onrecht en de wrede dictatuur ervan niet? Amnesty International drukt ons telkens met de neus op de verschrikkelijke feiten, bijna overal in de wereld. Maar wie zitten daar anders achter dan machten en mensen die zich uitleven in een bepaalde, vaak politiek gekleurde losbandigheid. Nu ja, ook daar zouden we nog wel over door kunnen gaan.
De zedelijke vervuiling
Maar ik noem nog iets, dat ik in het rijtje van de trits 'gerechtigheid, vrede en heelheid van de schepping' niet zo gauw kan terugvinden, maar waar ik wel voortdurend en steeds meer tegenop loop. Dat is de zedelijke vervuiling, die ons volk besmet. Ik vind het merkwaardig, dat daar zo weinig over wordt gesproken, terwijl het toch als een epidemie ons hele volksbestaan aansteekt.
Men leeft zich sexueel uit en in een genotzucht, die de grenzen van het eerbare steeds minder respecteert, en die daarom oorzaak is van b.v. ziekten en talloze gebroken relaties tussen mannen en vrouwen, ouders en kinderen, werkgevers en werknemers, buurtgenoten en zo maar mensen, die er schijnbaar stom toevallig het slachtoffer van worden.
Uit Efeze 4 wordt duidelijk, dat Paulus daar wel oog voor heeft, daarvoor vooral zelfs. En ik denk, dat als de wereld van Paulus ergens lijkt op onze wereld, dan is het wel in dit opzicht. Waarom wordt daarover onder ons zo weinig gesproken?
De kerk: uit de wereld weggeroepen zijn
Waar het mij echter vooral om gaat, is, dat Paulus schrijft, niet zozeer als een constatering, maar meer als een oproep: 'maar gij geheel anders, want gij hebt Christus leren kennen'. Paulus kan en mag dit zeggen, omdat hij het zegt tot de gemeente, de christelijke gemeente of de christelijke kerk. Want voor 'gemeente' en 'kerk' staat in het Nieuwe Testament hetzelfde woord, namelijk het woord 'ecclesia', dat letterlijk betekent: eruit geroepen zijn. Waaruit dan? Daarvoor worden verschillende woorden gebruikt. Ze is geroepen uit de wereld. Ik denk aan wat Jezus in Joh. 17 : 14 over zijn discipelen en over zichzelf zegt: 'omdat zij niet uit de wereld zijn, gelijk Ik niet uit de wereld ben'. De christelijke gemeente en dus ook iedere ware christen is niet uit de wereld, niet meer uit de wereld, want zij is uit de wereld weggeroepen om bij God en bij Jezus te behoren, bij Jezus, die ook niet uit de wereld is. Daarom motiveert Paulus dat anders-zijn met: want gij hebt Christus leren kennen.
Uit de wereld weggeroepen zijn om volgeling van Jezus te worden, kan ook omschreven worden met uit de duisternis geroepen zijn tot het Koninkrijk van Gods licht. Zo omschrijft Paulus het o.a. in Col. 1 : 13. En zo kunnen er nog wel meer bijbelse omschrijvingen worden gegeven. Maar wat telkens er duidelijk door wordt, is, dat de christelijke gemeente door God in deze wereld op een aparte plaats is gezet. Een plaats, die afsteekt tegen de rest van de wereld, van de volken, van de mensen.
Ik denk, dat dat heel fundamenteel is. In de Bijbel is het dat in ieder geval. Niet alleen in het Nieuwe Testament, als het over de christelijke gemeente gaat, maar ook in het Oude Testament al als het over Israël gaat, het volk, dat door God geheiligd is uit alle volken. Een fundamenteel, bijbels gegeven dus.
Het verzwijgen hiervan
Daarom vraag ik me af, hoe het komt, dat we als kerk, ik spreek nu even in het algemeen, deze belangrijke, beslissende notie nagenoeg kwijt zijn geraakt. Want dat is toch zo? Daar vergis ik me toch niet in? Het lijkt zelfs alsof dat niet meer gezegd mag worden, dat er een fundamentele tegenstelling is tussen de kerk en de wereld. Niet omdat die kerk in zichzelf zo iets aparts is, maar omdat ze in deze wereld apart gezet is dankzij haar geroepen zijn door God.
Hoe zou dat komen, denkt u, dat daarover doorgaans gezwegen wordt? Nu kan ik natuurlijk de theologie de schuld gaan geven. Omdat die in de laatste decennia zo druk met de wereld is geweest, dat zij het eigene van de christelijke gemeente uit het oog heeft verloren, en in feite kerk en wereld over één kam heeft geschoren. Ik denk inderdaad, dat hier een belangrijke oorzaak ligt. En als dat nu maar tot de theologie beperkt was gebleven, zou ook de schade nog beperkt zijn. Maar omdat het ook nu gaat zoals het altijd al gegaan is, dat wat de theologie zegt ook op de kansels terecht komt en zo in de gemeente, en dus door de gemeente wordt overgenomen, zien wij, dat deze nivellering tussen kerk en wereld ook in de gemeente volop aan de gang is.
Nivellering van kerk en wereld
Ik zie dat vooral op tweeërlei manier gebeuren. In de eerste plaats hoort men uit de prediking zo weinig meer, dat het nodig is, dat wij anders moeten worden, anders moeten gaan leven en andere mensen, van binnen èn naar buiten toe, moeten worden, m.a.w. dat we ons hebben te bekeren tot God, tot de navolging van Jezus, willen wij werkelijk bij God horen, bij Jezus horen, willen wij werkelijk geloven, werkelijk christen zijn. Omdat dat niet meer in de prediking tot de gemeente doordringt, weet men dat ook niet meer en beleeft men zijn geloof en zijn christen-zijn ook niet meer als een hart en leven vernieuwende realiteit. We zijn het eigenlijk alleen in naam, christen, en zelfs daarvoor schamen we ons nog.
Maar vooral het van Christus zijn als iets eigens beleven en uitleven en uitdragen, er inhoud en vorm aan geven: we weten niet meer hoe dat moet. Òf het moet zijn als iets, dat helemaal in het verlengde ligt van het gewone mens-zijn. Het krijgt dan de naam van solidair-zijn met de wereld.
Wat is een christen nu anders dan een ander? Men zou het niet weten. Men wil het ook niet weten. Want men mist de leven-vernieuwende ervaring van God, men weet niet van een ontmoeting met God, van een ommekeer in het leven, van een gehoorzaam geworden zijn aan Zijn Woord en Zijn geboden. Men weet ook niet van een berouw hebben over het kwade, dat wijzelf bedreven, omdat we God daarmee onteerd hebben, en daarom weet men ook niet van een zich verwonderen over de vergeving en de liefde van God.
Nu, dat leven uit en met God, dat juist het hart is van het christelijk geloof en dat God ons schenkt als wij door Hem geroepen worden in Zijn Licht, dat is in ernstige mate in de kerk teloor gegaan. En daardoor is het gans anders zijn van de gemeente, in onderscheid met en zelfs in tegenstelling tot de wereld rondom ook verloren gegaan. Ik besef heel goed, dat ik nu generaliseer. Maar ik wil er een heersend klimaat in de kerk mee aanduiden, dat niet alleen anderen aangaat maar ook onszelf.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's