De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verbondsgeheimenissen (2)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verbondsgeheimenissen (2)

Het Verbond – waardering – overwaardering – onderwaardering

8 minuten leestijd

De breedte van Gods Verbond
Met de breedte bedoelen wij de reikwijdte, de inhoud en de prediking van Gods Verbond.
Eerst dus de reikwijdte.
Om te beginnen gaat de Heere van meet af verbondsmatig met de mens om. Daarom spreken wij van het scheppingsverbond van God. Er is een relatie tussen Verbond en schepping. De schepping is het werk van Gods handen en God heeft met het scheppen van de wereld een doel. Psalm 148 zingt van dit Verbond: 'Looft Hem, gij hemel der hemelen en gij wateren, die boven de hemel zijt… Looft de Heere, van de aarde gij walvissen en alle afgronden! Vuur en hagel, sneeuw en damp, gij stormwind, die Zijn woord doet. Het wild gedierte en alle vee, kruipend gedierte en gevleugeld gevogelte. Gij bergen en alle heuvelen; vruchtbomen en alle cederbomen. Looft Hem, al Zijn engelen. Ja alles wat adem heeft love de Heere'.
God was aan niemand verplicht de wereld te scheppen. Ook de schepping vindt haar grond in het welbehagen Gods.
Zelfs in het vreselijk gericht over de oude wereld bewaart God het zogenaamde natuurverbond waarin de kosmische krachten worden geordend.
Dit natuurverbond stelt God zelfs ten voorbeeld aan het afvallige Israël. 'Indien deze ordeningen van voor Mijn aangezicht zullen wijken, spreekt de Heere, zo zal ook het zaad Israëls ophouden, dat het geen volk zij voor Mijn aangezicht'. (Jer. 31 : 36). Alleen dienen we nu wel onderscheid te maken tussen deze genade en de verlossende genade. Tussen natuurverbond en genadeverbond. Ds. G. Boer wijst er op 'dat het natuurverbond dient als de brede bedding die de stroom van Gods bijzondere genade in zich bevat' (a.w. blz. 151).
In de handhaving van het natuurverbond bewaart God het genadeverbond aan Noach en zijn gezin.
Vervolgens plaatst God de mens binnen het kader van het scheppingsverbond in relatie tot Zichzelf in het werkverbond. God is tot de mens gekomen en heeft een verbond met hem opgericht. Ook dit was Hij niet verplicht, maar het was Zijn wil en welbehagen verbondsmatig met de mens om te gaan. Alle beloften, die er in gedaan werden aan de mens, hingen af van zijn al of niet gehoorzamen aan de eisen die erin aan de mens gesteld werden. Wilde Adam blijven in het verbond en daarmede in Gods gunst, dan moest hij zich houden aan Gods wil en niet in het minst daarvan afwijken.
Dus ook in het werkverbond ligt alle nadruk op Gods gunst waarin de Heere zich tot de mens neerboog.
Adams val kan dus terecht worden gezien als bondsbreuk. God zegt bij Hosea: 'Zij hebben het verbond overtreden als Adam'. (6 : 7).
En dan, o wonder van genade, laat God het hier niet bij.
Hij openbaart om te beginnen bij Adam, vervolgens aan Abraham en in hem aan het volk van Israël, het Verbond van Zijn genade. Na de val is van God zelf een heel nieuw initiatief uitgegaan om de verbroken verbondsrelatie met de mens te herstellen. Er is aan die relatie een geheel nieuw element toegevoegd, dat van de onverdiende genade in Christus; vandaar de naam Verbond der genade.
Aanvankelijk is de stroombedding, waar de stroom van Gods bijzondere genade doorheen vloeit, versmald tot Abraham en zijn zaad. Maar van meet af staat het genadeverbond in het perspectief van de verbreding. 'In u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden'. De reikwijdte van Gods verbond strekt zich uit tot alle volken der aarde.
In de tweede plaats betreft de breedte van dit Verbond de inhoud. Inhoudelijk omvat Gods genadeverbond drieërlei.

Belofte, eis en bedreiging
Het genadeverbond is kenbaar aan de belofte. Gods genadewoord aan Adam luidt: Ik zal vijandschap zetten. Abraham verneemt: 'Ik zal u tot een God zijn en uw zaad na u. Mozes mag tegen het verdrukte Israël in Egypte zeggen: 'Ik zal zijn. Die Ik beloofd heb te zijn. De God van het welbehagen is hier aan het Woord.
Het verbond met Israël wordt ingeleid met 'Ik ben de Heere uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis heb uitgeleid. Het verbond der genade heeft ook meermalen een persoonlijk karakter. God maakte een verbond met David en zijn huis. Vooral in de Psalmen krijgt dit persoonlijk karakter alle aandacht. Het geeft ons enig en eeuwig houvast in leven en in sterven. David heeft er zijn leven lang uit geleefd en Gods verbond en woorden als zijn schatten mogen gadeslaan. Hij is er ook mee gestorven. Nochtans heeft Hij mij een vast verbond gesteld.
Gods genadewoord, dat Hij in het Verbond ter sprake brengt, heet bij voorkeur belofte. Belofte voor het tegenwoordige en toekomende leven.
Door heel het Oude Testament heen liggen de bewijzen van Gods verbondsgenade voor het grijpen. Het voert te ver om dit nu gedetailleerd aan te tonen.
Samengevat komt het hier op neer: Ik zal, Ik ben die Ik beloofde te zijn. Ik ben Israël tot een Vader. Ik zal Mijn wet in hun hart schrijven. Ik zal hun tot een God zijn. Ik zal een rijsje doen voortkomen en gij zult Zijn Naam noemen Immanuël, God met ons.

Belofte in het Nieuwe Testament
Hiermee zijn we met de belofte beland bij het Nieuwe Testament, concreter bij Christus, dè inhoud van Gods belofte, die God gedaan heeft aan de vaderen en nu vervuld heeft in Christus, in Wie alle beloften Gods ja en amen zijn.
'De som van alle beloften is dat wij om Christus' wil kinderen Gods zijn' (Calvijn). De God der belofte is de Vader van onze Heere Jezus Christus. Het Verbond der genade is in eerste instantie het Verbond met Gods Knecht, met Gods Uitverkorene. En de Heere houdt Zijn belofte aan Hem. Ook al moet Hij in de diepste duisternis van Gods oordeel op Golgotha klagen: Gij schijnt niet van het verbond met uwe Knecht te weten.
Dan klampt Hij zich in het Mijn God, Mijn God, als de overste Leidsman en Voleinder des geloofs aan de God van het Verbond vast.
'God zal Ik voor u zijn! Wat zag Hij daarvan als kruiseling? Hel en duivels. Wat ervoer Hij ervan? De immense last van Gods toom. Wat geloofde Hij? Dat de belofte volkomen was in de Zoon. Hoe? Nochtans! Amen. In de Borg is de grond gelegd voor het nochtanskarakter van het geloof' (drs. A. de Reuver, a.w. blz. 79).
Delen in het genadeverbond is niet anders dan God geloven op Zijn beloftewoord. Omdat nu Gods belofte een absoluut onvoorwaardelijk karakter draagt, hangt daarmee onmiddellijk de eis van het Verbond samen: God op Zijn Woord te geloven.
Dat de gansen zaligheid inhoudelijk in die belofte is verankerd en alle verbondsweldaden zoals de roeping, de schuldvergeving, de heiligmaking, de verheerlijking en het wonder van Gods verkiezing aan mij bij belofte vermaakt en geschonken is.
Ik hoef me niet pasklaar te maken voor de belofte, me niet eerst uitverkoren te weten, geen gestalte te hebben die mij geschikt maakt voor Gods genade. Het enige wat God vraagt is: geloof Mijn heil- en troostrijk Woord. Klinkt dit niet als verbondsautomatisme? Als ik dat geloof zelf moest opbrengen, ja. Maar als mijn zichzelfhandhavend 'ik' de genadeslag krijgt en de Heilige Geest door het Woord het geloof in het hart van mij, totaal en naakt aan de dijk gezette zondaar werkt, nee. Dan bloeit op de bodem van het verbrijzelde hart het nochtans des geloofs op en open.
Evenmin als ik tevoren kon geloven dat het voor mij was, kan ik nu niet geloven dat mij geen genade is geschonken, rijk en vrij. Het niet-geloven is mij een onmogelijkheid geworden; zij het een aangevochten onmogelijkheid, die mij doet belijden: Ik geloof Heere, kom mijn ongelovigheid te hulp. Laten wij er toch voor waken niet de zondaar vanwege zijn arm moordenaarsgeloof op de vingers te tikken zodra hij ook maar een vinger naar Gods belofte uit durft steken. Wee u als ge één van deze kleinen ergert. Gij vreest het verbeten aangezicht van hen die mompelen: weet u wat voor vrouw, jongen, man of meisje dit is. Maar Jezus verzekert u dat de engelen in de hemel het vriendelijk aangezicht zien van de God die de kleinmoedigen vertroost.
Bemoedigend lacht de Vader in de hemel hen toe: Toe maar Mijn kind, zet uw hoop maar op het Woord van Mijn belofte. Uw lieve Borg heeft aan al de te vervullen voorwaarden voldaan en alles wat Ik u beloof is niet minder dan de met het bloed des Verbonds getekende verklaring van Mijn hartelijke liefde en trouw jegens u.
Nu dit geloof weet het van 'horen zeggen' uit Gods eigen mond.
Ik denk hier aan een woord van Kohlbrügge, die over het aannemen van Gods onvoorwaardelijke belofte ergens schrijft: 'Ik heb daarbij in alle eenvoud steeds gedacht: ik ben immers toch verloren. Ik kan toch niet meer dan verdoemd en verloren zijn. Zo neem ik dan het Woord aan alsof het helemaal voor mij was'.
Welnu, dit in 't geloof aanvaarden van de belofte des Verbonds heeft ook een keerzijde in de bedreiging, die van Godswege aan het niet-geloven strikt en onverbiddelijk verbonden is. Niet God, maar uzelf plaatst zich door eigen schuld buiten de verbondszegen. Is er erger duisternis denkbaar dan de buitenste duisternis waarin de kinderen des Verbonds en des koninkrijks terechtkomen, omdat ze aan God en Zijn genade geen gehoor hebben gegeven? Ik moet als onwillig verbondskind er diep van doordrongen zijn of worden, dat wanneer de liefde van Christus mij koud en onverschillig laat, ik het bloed van Gods Zoon met voeten treed, ik duizendmaal meer veroordelenswaardig ben als welke blinde heiden ook maar.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1992

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Verbondsgeheimenissen (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1992

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's