Uit de Pers
Kerk in de wereld
'De samenleving is sinds de jaren zestig ontzettend veranderd, net als onze manier van voelen en denken. Dat kan de orthodox-gereformeerde kerken niet helemaal voorbijgaan', aldus prof. dr. G. Dekker in het Magazine Kerk van april 1992. We citeren deze woorden, omdat we Dekkers visie bevestigd zagen in De Wekker, orgaan van de Christelijke Gereformeerde Kerken.
Onlangs verscheen van de hand van ds. J.H. Velema een geschrift onder de titel 'Wie zijn wij?' Hij probeert daarin een schets te geven van zijn kerken. Prof. dr. W. van 't Spijker is in een reeks artikelen bezig, dit boek van ds. Velema te bespreken. Hij doet dat onder het veelzeggend opschrift 'Voor de spiegel'.
Een spiegel veinst of liegt niet. Van 't Spijker acht de situatieschets, die ds. Velema van zijn kerken geeft, niet op alle punten diepborend genoeg. Hij vraagt zich af of bij ds. Velema de spiegel wel scherp genoeg is. Is er ook in de Christelijke Gereformeerde Kerken niet veel meer aan de hand dan in 'Wie zijn wij?' wordt aangegeven?
Het eerste punt is dat van de na-oorlogse, en vooral in de laatste twintig jaren meer en meer doorwerkende geest van totale verwereldlijking. Die wereldgelijkvormigheid, waartegen de apostel zo ernstig heeft gewaarschuwd. Het is werkelijk waar geen kwestie van een jas of een broek of van de lengte van het haar, hoe belangrijk die dingen ook kunnen zijn. Was het maar waar. Ik ken mensen, die ik, gezien hun manier van dragen van een hoed, voor wereldgelijkvormiger houd, dan degene die nooit een hoed droeg.
Nog eens: was het maar een kwestie van een kledingstuk meer of minder. Ik walg van al het bloot van tegenwoordig. Maar onder ons, juist onder ons is de wereldgelijkvormigheid zich gaan nestelen in de andere dingen, die van de geruisloze socialisering van het leven. Het probleem zit in het sociaal-ethische vlak. De rijkdom, de weelde, de apparatuur, de auto's, de huizen, de vakanties, kortom die innerlijke vervreemding van de vreemdelingschap, waartoe ieder kind van God geroepen wordt. Kan God niet gevreesd worden in een salon waar je tot aan de enkels in het karpet zakt? Op de allerduurste stoel, op het laatste en allernieuwste bankstel? Wie zegt dat het niet mogelijk is? Maar men moet haast van adel zijn, en van goede adel, van hemelse adel, om hier de dingen te bezitten als niet bezittende. We waren het niet gewend. En het komt vreemd aan om dan te blijven zingen: red mij van hen, die 't ruim genot der wereld voor hun heilgoed achten. Ik meen, dat zich hier dingen verschoven hebben, die niet meer op hun plaats zijn gekomen. En dan is het nog maar een onderdeeltje van een algehele verschuiving in levensgevoel, in levensgrond en levensuitzicht. Die dingen houd ik voor de oorzaken van een geruisloze revolutie, die het innerlijk van de mensen grondig heeft veranderd. Ze zijn weliswaar niet in een schema te vangen. Het hoeft ook niet. Want op dit punt is er een eenheid: eenheid in schuld en zonde, die van toepassing is op alle in het boek genoemde kerken en groeperingen.
Overdreven?
Maar, zal iemand zeggen, moet een mens dan niet altijd bekeerd worden? En zijn dat allemaal geen uiterlijke dingen, het komt toch maar aan op het innerlijk. Men zal wel gelijk hebben. Maar de mens, wiens leven van alle gemakken voorzien is, zegent God. Bewaar mij voor rijkdom, bidt de wijsheid uit het Oude Testament. Want ik zou U vergeten. Onze welvaart heeft ons God doen vergeten. En die algehele omvorming van onze cultuur heeft alle harten in haar greep gekregen. En het hele kerkelijke leven is er door veranderd, grondig en onomkeerbaar. Het is een factor die de ongeestelijkheid in de hand heeft gewerkt. Zij heeft de eenvoudige vroomheid naar de Schriften verdreven. Waar wordt er nog gezongen in de gezinnen? Waar wordt er samen gebeden en gezocht om de wil van God te verstaan? Waar is er nog zorg voor de zwakken en de zieken? Alles is betaald, alles is geregeld, alles is verzorgd, alles loopt even goed door. En alles is zonder God. Ik overdrijf? Vraag het aan de ouderlingen, als ze (nog) op huisbezoek komen. Treft men de geestelijke toon of praat men over liturgie, vertaling, dominees en hun gebreken? Een Nadere Reformatie op het punt van deze levensgrond en geestelijke levensstijl was zo broodnodig. Maar wie kan de harten vernieuwen? Het gaat ons zo slecht, omdat het ons zo goed gaat. (…)
En het is een allesbeheersende factor, die tot op de bodem van ons bestaan alles doortrekt. Inderdaad, de mensen zijn niet meer zoals vroeger. En ze hebben onveranderd hetzelfde evangelie nodig, want dat is niet gewijzigd.
En die kwestie is er bij de Bond en bij de Gerefomeerde Gemeenten, bij de christelijk-gereformeerden en bij de vrijgemaakten. Zij sluimert in het hart van iedereen. En dat geeft een eenheid tussen belijders in het negatieve, in het niet-bezit, in liet niet-kennen, in het niet-beoefenen van de vreemdelingschap op aarde. We hebben wat dit betreft geen betere papieren dan wie ook.
Prof. Van 't spijker ontkent niet, dat ook ds. Velema deze dingen ziet. Maar ze staan bij hem in een rijtje naast andere zaken. Echter, de zaken liggen veel indringender en aangrijpender. Er is om zo te zeggen een ander type mens ontstaan. Niet alleen in wat heet de linkervleugel van de gereformeerde gezindte, maar evenzeer in de rechterflank. Het is eerlijk en reëel van prof. Van 't Spijker, dat te erkennen en onder ogen te willen zien.
De mens in de kerk
In 'De Wekker' van 25 september 1992 gaat prof. Van 't Spijker nog dieper op deze constatering in.
Mijn visie op het kerkelijke leven in het algemeen en dan ook van onze eigen kerken, wijkt van die van ds. Velema af in dit opzicht, dat hij naar mijn oordeel niet voldoende in rekening brengt de diepingrijpende omslag die over heel de wereld is gegaan in de jaren zestig, ook in Nederland. Zij bracht een diepere scheiding in de geschiedenis tot stand dan die welke door de Tweede Wereldoorlog ontstond. Misschien moeten we zeggen, dat eerst twintig jaar na die Wereldoorlog de ontzetting duidelijk werd, de ontwrichting die gevolg was van de miljoenenslachting, die werd aangericht. Een oorlog is een gesel van God. Alles gaat kapot.
De mens is toch niet veranderd?
Natuurlijk kan men zeggen dat een mens niet verandert, dat hij altijd zondaar is en blijft en dat hij altijd van dood levend gemaakt moet worden. Dat is waar. Maar er zijn tijden, waarin er een besef resteert van God, van eeuwigheid. En er zijn nu tijden, waarin dat besef is verdwenen. Er is veel over geschreven. De nood van de kerken lijkt op het eerste gezicht in de steden groter dan op het land. Het is niet waar. Want het sluipend vergif van de verwereldlijking is doorgedrongen in de harten, in het levensgevoel, in het besef van de mensen. En dit heeft alle kerken bereikt. Daarom is in vrijwel alle kerken niet meer aan de orde het een of andere schema omtrent verbond en bekering, doop en wedergeboorte, belijdenis en avondmaal. Maar het gaat om de religie in haar diepste, wezen. Men vraagt niet meer naar schemata. Twee of drie verbonden: een fraaie kwestie voor een theoloog. Ik onderschat haar niet. Maar de gemeente vraagt: hoe komt het dat mijn kind niets meer in de kerk ziet, dat het niet luistert, dat het niet meedoet. De hele problematiek is verschoven. Was het maar waar, dat men nog kon zeggen aan de hand van een verbondsschema en alles wat daarbij hoort: zo liggen de scheidslijnen tussen de kerken. In deze eindtijd staan alle kerken, ook die van de 'kleine oecumene' voor de vraag hoe men de dreiging van een atheïstische wereld kan weren, kan bestrijden. Er is, nu wij toch over de kerken spreken, een gemeenschappelijkheid in de nood, in de bedreiging, die ons, omdat zij zo ernstig is, de verschillen voor een moment geheel anders doet taxeren. En dit geldt alle kerken van de gereformeerde gezindte. Het gaat de kinderen van de Gereformeerde Gemeente net zo goed aan als onze eigen kinderen en die van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) en die van de Nederlands Gereformeerde Kerken. Het communisme is ineengestort. Maar in het Westen was al eerder een hele christelijke cultuur ineengeschrompeld. En de kerk staat voor het laatste bastion. Er is geen niemandsland meer tussen ons en de wereld. Er is geen enkele veilige zone, die een eerste, voorlopige bescherming zou kunnen bieden.
Wanneer deze taxatie van onze tijd en van 'onze mensen' juist is (en ze is juist!), moet dat dan gevolgen hebben voor prediking en catechese? Het kan eigenlijk niet anders. Er is onder ons wel gesproken van een 'gehoorcrisis'. Kerken lopen leeg, maar ook woorden lopen leeg. Prof. Van 't Spijker merkt daarover nog dit op:
Rusteloos zijn de mensen op zoek naar iets anders. Ook achter al de vragen naar werkelijke ervaring gaat de angst en de benauwdheid schuil. In dat zoeken komt het er op aan, dat een mensenhart de weg naar de Heere vindt. Dat is de eerste vraag. Het is een zaak van waarachtige bekering. Niet een kwestie van oud of nieuw, van progressief of conservatief, van voor of tegen een vertaling en van wat voor sjibbolets men nog meer kan bedenken. Het is een kwestie van leven of dood. En de eerlijkheid gebiedt om te zeggen, dat men daarover nòch ter linker zijde, noch ter rechter zijde veel verneemt. Men twist over alles, wat voor de eeuwigheid geen stand houdt. Terwijl men de zaken, waarop het wezenlijk aankomt, laat liggen.
Hoe juist is deze verzuchting, want zo klinkt het en wordt het bedoeld voor mijn gevoel. Het is goed, zo'n analyse van wat er in onze tijd aan de hand is, ook eens te lezen uit de pen van een onverdacht gereformeerd theoloog.
Malaise en crisis
In Kontekstueel van september 1992 (7e jrg. nr. 1) verzorgt ds. T. Poot de Kroniek. Hij doet dat als altijd zeer lezenswaard en helder. Hij stelt de situatie aan de orde van het moment binnen de Hervormde kerk. Hij begint met een citaat uit een lezing, die ds. H.J. Kalf in zijn leven hield over de jaren dertig: Het was in de tijd dat de koeien loeiden: malaise en dat de vogeltjes in de bomen tjilpten: crisis, crisis! Volgens ds. Poot kun je deze ludiek bedoelde woorden thans in alle ernst laten slaan op de toestand van de kerk in de negentiger jaren van onze eeuw, in ieder geval op die van de Hervormde Kerk. Ds. Poot acht dat malaise en crisis met name toeslaan op twee voor de kerk vitale terreinen, dat van haar belijden en van haar orde. 'Met betrekking tot het geloof en het belijden van de kerk, kan ieder die geen vreemdeling is in kerkelijk Jeruzalem, waarnemen dat we in onze kerk steeds verder uit elkaar groeien. Op de afgelopen zomervergadering van de synode waren op meer dan één agendapunt de confessionele tegenstellingen zo diep, dat sommige synodeleden zich openlijk afvroegen, wat we als hervormden in ons belijden eigenlijk nog gemeenschappelijk hebben', aldus ds. Poot. Dat kan alleen nog maar erger worden, nu duidelijk wordt, wat de 'denktank' van de SoW-beweging de kerken heeft aangereikt.
Ds. Poot gaat o.a. in op de crisis in geloven en belijden.
Hoewel het in het voorgaande telkens al ter sprake kwam of achter de woorden schuil ging, wil ik tenslotte nog wat explicieter ingaan op de crisis in het geloven en belijden. Zoëven had ik het over concentratie en reductie in taakstelling. De kerk hoeft niet alles. De kerk moet doen wat der kerk is en velen hebben het gevoel dat ze juist daarin faalt. Meer dan ooit is nodig dat de kerk zich concentreert op de vraag: wat geloven en belijden wij vandaag aangaande God en zijn werk in schepping en verlossing? Wie is God en wat mogen wij van Hem verwachten? Wie ben ik en waartoe zijn wij geroepen? Het ongehoorde succes van het boek van dr. H. Kuitert: Het algemeen betwijfeld christelijk geloof, toont aan hoezeer mensen uitzien naar een verantwoording van het christelijk geloof ten overstaan van de vragen van deze tijd. Of Kuitert daarin geslaagd is, laat ik hier rusten, dat zou een verhaal op zich worden. Maar dat een geloofsleer over het apostolicum, want dat is het boek, wel in bondige, doorzichtige taal – over de toonbank vliegt en dat discussies over het boek stampvolle zalen trekken, vertolkt de geestelijke honger van menige tijdgenoot. De mensen zitten echt niet te wachten op kerkelijke statements over allerlei maatschappelijke zaken. Die kunnen ze elders meestal eerder en beter vernemen. De mensen zitten in een tijd, waarin het materialistische schip door de wal gekeerd wordt, te wachten op een woord aangaande God en zijn wereld. Dat de kerk dat woord dan overdenke en spreke en niet het veld overlate aan bewegingen als New Age.
Ds. Poot constateert, dat onze kerk lijdt onder het wegvallen van wat hij noemt het hoedemakeriaans-gereformeerde midden. Waar deze krachtige romp van de kerk verzwakt, gaat deze lijden aan haar vleugels. Zo kun je de nood van de kerk typeren. 'Polarisatie slaat hevig toe', aldus ds. Poot. 'Een gemeenschappelijke visie op onze missie ontbreekt. Scheiding der geesten dreigt voortdurend en wordt (in stilte) soms verhoopt'. Hier ligt een stuk nood, acht hij. En die nood uit zich in organisatorische onrust en weerstand, die met structurele maatregelen niet op te heffen is.
Hoe dan wel? Daarover is in het voorgaande al het een en ander opgemerkt. Concentratie en reductie. Terug naar de Bron en terug naar de kern. Maar waar nood voorhanden is, moet niet in de eerste plaats over aktie en maatregelen en plannen gedacht en gesproken worden. Waar nood is in de kerk, moet allereerst worden opgezien tot Hem omhoog, die ons in angst en nood, verlossen kan tot aller stond, ja zelfs ook van de dood. We weten dat zulke opmerkingen spoedig als stichtelijke dooddoeners verstaan worden. Toen ik onlangs in een artikel in Woord en Dienst soortgelijke klanken liet horen, werd mij terstond door een collega een fatalistische visie verweten. Maar ik blijf toch maar zeggen dat verlossing uit onze kerkelijke nood ten principale niet in onze hand is, maar in de hand des Heeren. Dat sluit niet uit, maar in, dat wij een bepaalde weg te gaan hebben. Die van verootmoediging en wederkeer. We bevinden ons in de kerk in een tijd van afbraak. Uitgerukt wordt wat tevoren geplant was. Misschien moeten we ophouden met onze pogingen om uit alle macht het verlopend tij te keren. Wellicht is het een betere weg om ons met elkaar te buigen onder het oordeel, dat in de eerste plaats over het huis Gods gaat. Zou dàt niet de gemeenschappelijke visie op onze missie moeten zijn? Misschien – u merkt wel hoe tastend ik schrijf – kunnen we pas weer aan opbouw denken, als we eerst met elkaar door het dieptepunt zijn heengegaan. Is de weg naar het licht niet de weg van het kruis?
De gereformeerde studentenpredikant B. Rootmensen wordt niet moe om in woord en geschrift onze huidige situatie aan te duiden als woestijn en verwoestijning. Terecht, denk ik. De woestijn: plaats van loutering, beproeving, verootmoediging. De plaats om, door het open dak van de schamele loofhut heen, in uitziend vertrouwen op te zien tot de Heere en zijn verlossend handelen alleen. Dàn kan de woestijn ook de plek van brood en water worden. Zoals bij Hosea geschreven staat: 'Daarom, zie. Ik zal haar lokken, en haar leiden in de woestijn, en spreken tot haar hart. Ik zal haar aldaar haar wijngaarden geven, en het dal Achor maken tot een deur der hoop. Dan zal zij daar zingen als in de dagen van haar jeugd, als ten dage toen zij trok uit Egypte'.
Iemand zal misschien zeggen: is er dan alleen maar zorg en is er dan niets 'goeds meer in Juda' te vinden? Van 'Juda's God' is altijd alleen maar goed te melden. En Hij is Koning, ook vandaag, over Zijn Kerk. Daarom zijn we niet al te mistroostig als we op Hem zien. Voorts drukt het ons wel neer, hoe machten van buiten, maar niet minder van binnen (en dan denken we ook aan doorgaande ontwikkelingen in het SoW-proces) er op uit zijn, het leven van Christus' gemeente bij de zuivere bron van de genade onmogelijk te maken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 oktober 1992
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 oktober 1992
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's