De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Gelijkvormig aan de Zoon

Bekijk het origineel

Gelijkvormig aan de Zoon

Calvijn over het beeld Gods (7)

10 minuten leestijd

De daad aan de mens
De vorige keer zagen wij dat het beeld Gods niet alleen maar een statische projektie is van de heerlijkheid Gods op de mens. Op de wijze zoals de al eerder ten tonele gevoerde wilg zich spiegelt in het water van de poldersloot. Het beeld Gods van de zijde van ons mensen is een verhouding vol van aktiviteit. Aktiviteit in de vorm van een leven in dankbare gehoorzaamheid aan God.
Hier kunnen we met betrekking tot het beeld Gods in zekere zin spreken van een draaipunt. God heeft (en dat is Zijn gunst, Zijn welbehagen tot en in de mens) meer dan op enig ander schepsel Zijn heerlijkheid laten afstralen op de mens. In dat specifieke wat de mens tot mens maakt en wat hem onderscheidt van alle andere schepselen komt dat met name aan het licht. Zo is de mens meer dan andere schepselen spiegel van de heerlijkheid Gods. Maar waar het nu op aankomt, is dat hij er ook metterdaad een spiegel van is. Dat hij het aldus opgevangen (spiegel)beeld van de heerlijkheid Gods naar God terugkaatst. Zodat God Zijn eigen beeltenis in de mens weer terugziet.
Misschien dat we ook mogen spreken van de mens als een 'reflector'. Dat hij de aldus opgevangen lichtstralen van Gods heerlijkheid metterdaad terugkaatsen zal.
Daarmee is feitelijk gezegd dat God in zekere zin de verwerkelijking van het beeld Gods van 's mensen kant in diens handen legt. Dat God het afhankelijk maakt van wat de mens doet.

Beeld Gods in twee-eenheid
Als we van het beeld Gods mogen spreken als van een twee-eenheid, dan hebben we hier de andere zijde, de tweede helft. De eerste en belangrijkste zijde is dat God in Zijn gunst op de mens Zijn heerlijkheid laat afstralen. De tweede niet minder belangrijke zijde is dat de mens die heerlijkheid terugkaatst en wel in een leven van gehoorzaamheid. Gehoorzaamheid als vrucht van dankbaarheid. Omdat God aan 's mensenkind Zijn teerste liefde schenkt en het antwoord op die liefde niet anders kan zijn dan wederliefde, vertolkt in dankbaarheid die omgezet wordt in de daad van gehoorzaamheid. Dan ziet God met recht Zijn beeld in de mens terug.
Beide kanten samen brengen het beeld Gods in de mens tot stand.

Waar het om gaat is dat de mens zich van deze volkomen afhankelijkheid van de barmhartigheid Gods zo bewust is, dat hij als met banden van liefde en dankbaarheid tot God wordt getrokken en zo waarlijk Gods kind wordt zoals geen ander schepsel dat ooit kan zijn. En wat voor de val gold, geldt ook nu nog steeds. Want het zijn de goedertierenheden des Heeren die ons tot bekering willen leiden. Tot terugkeer naar de Vader die wij vaarwel hebben gezegd. En wat die goedertierenheden des Heeren zijn, dat wordt door Calvijn ingevuld zoals hierboven aangegeven.

Is dit Gods bedoeling dat wij door de bewijzen van Zijn gunst als met banden van liefde en dankbaarheid tot Hem getrokken worden dan komt hierin 'de schandelijke ondankbaarheid der mensen aan het licht', dat zij aan de natuur toeschrijven wat van God komt. Derhalve 'de natuur in de plaats Gods' stellen en zo 'het gordijn der natuur, die voor hen de vervaardigster is van alle dingen, vóór Hem trekken (…)' (Citaten uit Inst. I.5.4.)

Deze 'schandelijke ondankbaarheid' kleeft ons, kinderen van Adam, allemaal aan. Ook al is het dat wij zo bruut niet zijn om de natuur als een gordijn voor God (en Zijn zorg voor ons) te schuiven…, ook al is het dat wij met de mond belijden wat Zondag 10 van de Heidelberger Catechismus ons voor zegt. Maar dat is nog wat anders dan onszelf te verloochenen en in stille overgave en diepe afhankelijkheid in alle dingen onze weg met God te gaan. Het komt er voor ons inderdaad op aan dat de goedertierenheden des Heeren die ons tot bekering willen leiden ons ook metterdaad tot bekering zullen leiden. Wedergeboorte is de weg naar herstel van het beeld Gods. Wedergeboorte als een bijzondere vernieuwing binnen het proces van de voortdurende wisseling van het menselijk bestaan. Als gevolg van het alsmaar vergaan van de mens en tegelijk alsmaar vernieuwd worden door Gods kracht. Deze bijzondere vernieuwing is er één die derhalve boven het natuurlijke proces van voortdurend sterven en tot leven gewekt worden uitstijgt, omdat ze vernieuwing is niet van wat al bestaat en dreigt te sterven. Maar vernieuwing is van wat slechts als een jammerlijke rest van een eens zo heerlijke toestand is gebleven: ernieuwing naar het beeld Gods in Christus. Calvijn spreekt daarvan in een preek over Job 14 : 13 'Het is als (…) giet (Hij) ons opnieuw in de smeltvorm en legt (Hij) ons voor de tweede keer op Zijn werkbank.'

De plaats van de wil
Nu bestaat wedergeboorte overeenkomstig de magistrale omschrijving van de Dordtse Leerregels (hoofdstuk III en IV, art. 11 en 12) niet alleen hierin dat de wil vernieuwd wordt, maar ook dat het verduisterde verstand verlicht, het gesloten hart geopend, het harde hart vermurwd wordt. Zonder echter aan de laatstgenoemde aspecten tekort te doen, hebben de Dordtse vaderen wel degelijk begrepen dat de vernieuwing van de wil een belangrijk facet is van en in de wedergeboorte. Vanuit het al eerder aangehaalde art. 12 wordt dat wel duidelijk. En ook hierin dat wij belijden dat onze onwil groter is dan onze onmacht. Ons verzet tegen God is een aktieve, door onze wil gedirigeerde verzetsdaad.
Maar dan is het omgekeerde ook waar. Als in de wedergeboorte ons innerlijk, vooral onze wil wordt vernieuwd, dan blijkt met name die vernieuwde wil een heel wezenlijke factor te zijn van het beeld Gods, dat in beginsel in de door de Geest vernieuwde en doorlopend te vernieuwen mens is hersteld. Welnu, die gedachte is ook bij Calvijn terug te vinden met betrekking tot het beeld Gods. Hier komt de dynamiek van het beeld Gods op de tweede, hierboven aangegeven wijze wel heel duidelijk tot uitdrukking. Namelijk dat ze van 's mensen kant tot stand komt in het daadwerkelijk gericht zijn op en gehoorzamen van Gods wil, zoals die is geopenbaard in Zijn Woord.
Hier bereiken we het punt dat we weer ineen gaan vlechten wat we eerder uiteen gehaald hebben. De ene spits van de dynamiek in het beeld Gods, veroorzaakt door de gedachte dat we nog onderweg zijn, dat we pelgrimeren. En hier de andere spits van de dynamiek die weerspiegeling is van Gods dynamiek in de aktieve onderhouding van de hele schepping, in het bijzonder van de mens. Die op zijn beurt met zich meebrengt dat de mens in aktieve gehoorzaamheid als vrucht van dankbaarheid zich richt op de wil van God zoals die in Zijn geboden. Zijn Woord tot uitdrukking komt. Hier vlechten we die twee nuances in de dynamiek van het beeld Gods weer samen en leggen we de brug tussen beide bruggehoofden. Want wat maakt het leven van een pelgrim bij uitstek tot een pelgrimage? Is het niet dit, dat we eigen wil en alles wat daarmee samenhangt, leren verzaken en steeds meer leren in overeenstemming met Gods wil te leven? Kortom '(…) de wereld verlaten, onze oude natuur doden en in een nieuw godzalig leven wandelen.' (Formulier Heilige Doop).

Het gaat er dus om dat wij onze wil gaandeweg en steeds meer in overeenstemming leren brengen met de wil van God. Want het beeld Gods bestaat van 's mensen kant uit een voortdurend gehoorzamen aan de wil van God en wel als vrucht van dankbaarheid voor zoveel goedheid die God hem bewijst. Maar dan dient het te gaan om een antwoord dat het hele leven van de mens omspant.
Hier voorkomt Calvijn dat we over smalspoor gaan rijden en we het beeld Gods hoofdzakelijk beperkt zouden zien tot onze wil, die dan aan de wil van God geconformeerd moet worden. Calvijn wil het breder zien, in het licht van de hele menselijke persoonlijkheid. Al eerder immers heeft Calvijn als zetel van het beeld Gods de menselijke ziel met daarbij behorend innerlijke leven aangewezen. Behalve de wil behoren daarbij voor hem ook het verstand en het gevoel. De mens die alle uitingen van zijn innerlijke leven: zijn gedachten, willen en gevoelen in gevangenschap gebracht heeft onder de gehoorzaamheid van Gods Woord, die leeft in overeenstemming met de goedheid en gerechtigheid van God. Zo licht het beeld Gods in hem gaandeweg meer op.
Calvijn wil dus bij zijn gedachten over het beeld Gods de hele menselijke persoon in ogenschouw nemen en alle uitingen van zijn innerlijke (en zo ook het uiterlijke) leven in overeenstemming gebracht hebben met de wil van God. Maar daarbij heeft hij er wel degelijk oog voor dat in dit samenstel van zieleroerselen de wil in niet onbelangrijke mate de toon aangeeft. De wil stuurt in niet geringe mate de andere uitingen van het innerlijke leven van de mens. Daarom dient het er vooral om te gaan dat 's mensen wil steeds meer in overeenstemming gebracht wordt met de wil van God. En over Gods wil tasten wij niet in het duister. Die heeft Hij ons door Zijn Woord duidelijk genoeg bekend gemaakt en wil Hij ons door de inwendige Leermeester, de Heilige Geest, steeds meer inscherpen. Maar dan dienen wij die wil van God ook te (leren) kennen.
Op dit punt zien we een belangrijk verschil aan het licht komen tussen Calvijn en de theologen van de middeleeuwse scholastiek. Ook bij hen was het (leren) kennen van God een belangrijk onderdeel van hun theologie. Alleen ging het hen er veel meer om God op zichzelf te leren kennen. Om antwoord te kunnen geven op allerlei vragen naar wie God is in zichzelf bezien en op zichzelf bestaand. Los van de mens gedacht. Een abstrakte God dus.

Die weg is naar Calvijns smaak echter een zinloze en dus ook heilloze weg en hij weigert hem dan ook in te slaan. Want het geloof is er niet mee gediend om Gods wil in het algemeen te leren kennen. Zelfs niet om alleen Gods wil te kennen zoals die in de Wet tot uitdrukking is gebracht. Het gaat erom Gods wil ten onzent te leren kennen als welbehagen. In Inst. III.2.7. heet het: 'Dus staat vast dat we nog geen volle bepaling van het geloof hebben, daar de wil Gods min of meer te kennen niet voor het geloof gehouden mag worden. Maar als wij nu eens in de plaats van Gods wil, waarvan het Woord dikwijls een somber verhaal en een vreselijke tijding brengt. Zijn goedertierenheid en barmhartigheid stelden? Dan zullen wij zeker dichter bij de aard des geloofs komen.'
Gods wil kennen – dat is voor Calvijn allereerst Gods barmhartigheid ten opzichte van ons kennen. Want het is hem erom begonnen te weten wie God ten onzent is. Wie Hij voor ons wil zijn. Zijn 'visio Dei', schouwen of zien van God bestaat derhalve niet in een schouwen van God zoals dat in bepaalde uitingen van middeleeuwse vroomheid gewoonte was. Bij voorbeeld een schouwen van God langs wegen van vrome overpeinzingen, van een naar binnen gekeerd leven of onthouding van veel aardse dingen. Een weg die tenslotte zou moeten leiden tot innerlijke verlichting. Voor Calvijn is er maar één weg die leidt tot het werkelijk leren kennen van God voor zover dat mogelijk is, dus afhankelijk van Zijn openbaring. Die weg is het leren kennen van Gods wil vanuit Zijn Woord in de bede om de verlichting van en leiding door de Heilige Geest. Waar het op aankomt, is een voortdurende en aktieve overdenking van de wil van God. Daardoor wordt de mens, in wie het beeld Gods in principe hersteld is, steeds meer gelijkvormig aan de Zoon van God, Die het ware beeld Gods is omdat Hij altijd de wil van de Vader heeft gedaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 oktober 1992

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Gelijkvormig aan de Zoon

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 oktober 1992

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's