De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Eénrichtingverkeer

Bekijk het origineel

Eénrichtingverkeer

Calvijn over het beeld Gods (8)

8 minuten leestijd

Een levenslange leerschool
De mens die ernaar verlangt dat Gods beeld meer en meer in hem gestalte krijgt, is getekend in het portret dat de berijmde Psalm 119 : 1 geeft: '(…) die bij dagen en bij nachten Gods wil bepeinst (…)'
Bij dit voortdurend overdenken van Gods wil niet in het algemeen, maar in betrekking tot onszelf bevinden wij ons op een leerschool die het hele leven duurt, '(…) aangezien het God behaagt zijn beeld langzamerhand in ons opnieuw te vormen.' (Inst. III.20.45). Bij de tekst die Calvijn in dit verband graag aanhaalt, 2 Kor. 3 : 18 ('En wij allen met ongedekte aangezichte de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest'.) tekent hij aan: 'Aanmerk, dat dit het einde des Evangelies is, dat het beeld Gods, 'twelk door de zonde uitgeroeid was, in ons wederopgericht worde, en dat de voortgang dezer wederoprichting, het ganse leven lang duurt, want God verklaart Zijn heerlijkheid in ons van trap tot trap (…). Daarom meldt Paulus van gedurige voortgang, dewijl wij dan (in de laatste verschijning van Christus, vdK) de volmaaktheid zullen hebben.'
Maar dit zo zijnde, is het ook noodzakelijk dat wij vervolgen om God te kennen. Dat wij ons hele leven vorderingen maken in de leerschool van de Heilige Geest, namelijk om Gods wil steeds meer te leren kennen met het doel dat onze wil steeds meer aan Gods wil gelijkvormig gemaakt wordt.

Ten dele
Als Calvijn op de noodzaak van deze voor(ui)tgang wijst, drijft hij de dingen echter niet op de spits. Hij beseft terdege dat wij in dit leven altijd onvolkomen blijven. Wij kennen ten dele. Wij struikelen dagelijks in vele. Het volmaakte moet nog komen. Daarom is het goed kennis te nemen van wat Calvijn schrijft in zijn Commentaar bij 1 Joh. 1 : 7 ('Maar indien wij in het licht wandelen, gelijk Hij in het licht is, zo hebben wij gemeenschap met elkander, en het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde.'). Hij merkt dan op: 'Nu zegt hij (Johannes), dat dit is een teken onzer vereniging met God, zo wij Hem gelijkvormig zijn.' Verderop vraagt Calvijn zich dan af: 'Nochtans kon men vragen, wie onder de mensen dat licht Gods in zijn leven kan uitdrukken, dat die gelijkenis, welke Johannes vereist, gezien worde.' Waarop hij zelf het antwoord als volgt geeft: '(…) wordt die gezegd Gode gelijk te zijn, welke naar Zijn gelijkheid staat, ofschoon hij van dezelve nog verre is.'

Onderweg
Heel duidelijk springt hier in het oog het 'onderweg zijn'. Beelddrager van God zijn in beginsel is niet anders dan pelgrim zijn. Overigens, en hier ontmoeten we ook terzake van dit punt weer zo'n opvallende karakteristiek van Calvijns theologie, reserveert Calvijn dit leven van onderweg zijn niet uitsluitend voor het leven buiten het paradijs. Calvijn acht dit ook van toepassing op Adam voor hij gevallen was. Bij de woorden uit Gen. 1 : 26 '(…) Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis (…)', blijkt dat Calvijn aarzelt om de mening van anderen over te nemen die menen dat met het tweemaal herhaalde 'naar' is bedoeld dat het beeld Gods in Adam nog maar in ontwerp zou hebben bestaan en dat het zijn voltooiing nog niet had bereikt. Hij zegt: ik geloof niet dat Mozes dit in gedachten is gekomen toen hij deze worden neerschreef, maar de zaak op zichzelf is wèl waar. Calvijn vraagt zich alleen maar af of Mozes daaraan gedacht heeft wat die anderen hierbij opperen. Maar de zaak zelf neemt hij wel voor zijn rekening. Ook hij acht het beeld Gods in Adam een beeld-Gods-in-ontwerp. Nog niet volkomen. Nog onderweg naar zijn definitieve voltooiing. Een zienswijze die trouwens wordt bevestigd door wat hij opmerkt bij Gen. 2 : 7 ('En de HEERE God had de mens geformeerd uit het stof der aarde en in zijn neusgaten geblazen de adem des levens; alzo werd de mens tot een levende ziel').
Hier voert Calvijn de tegenstelling ten tonele tussen de levende ziel die de eerste Adam was en de levendmakende Geest die de tweede Adam is (vergelijk 1 Kor. 15 : 45). Deze tegenstelling is door Paulus gemaakt, zegt hij, '(…) met geen andere doel om te leren, dat in Adam's persoon niet de volmaakte staat des mensen is geweest, maar dat dit de bijzondere weldaad is van Christus, dat wij worden vernieuwd tot een hemels leven, terwijl het zelfs vóór Adams val alleen (cursief van mij, vdK) maar aards was, omdat het geen onveranderlijkheid en standvastigheid had.'
Wat hier met zoveel woorden door Calvijn wordt gezegd, hebben we feitelijk al eerder vernomen toen hij erop wees dat Adam geen leven in zichzelf had, maar dat zijn leven voortdurend van God afhing en wel heel bijzonder van het Woord dat God in persoonlijke omgang tot hem sprak. Dat Woord was van Gods kant de band des levens die Adam in leven hield. Om in leven te kunnen blijven, kwam het er op aan dat Adam op dat Woord van God antwoord gaf in gehoorzaamheid. Deze verhouding was de bedding waardoor het leven vanuit God naar hem stroomde.
Het doel dat God daarbij voor ogen stond, was dat Adam komen zou tot volmaaktheid, dat wil zeggen tot standvastigheid en onveranderlijkheid, een staat van (eeuwig) leven waaruit hij nooit meer zou kunnen vallen.
Met andere woorden: ook Adam was onderweg. En het leven dat hij onderweg zijnde, leefde was in ontwikkeling naar de volkomenheid. Waartoe diende anders het zogenaamde proefgebod dan om Adams wil gedurig en steeds meer te conformeren aan Gods wil? In die weg stond de poort naar eeuwig leven voor hem open.
Hier zien we dus dat zowel voor als na de val de situatie in principe gelijk is gebleven en wordt ook duidelijk waarom Calvijn zoveel nadruk legt op het dynamisch karakter van het beeld Gods in de mens. Het leven is er voor ons mensen alleen in het (steeds meer) gelijkvormig worden aan het beeld van God.

Een lichte last
Voor Adam behoefde dat geen zware taak te zijn. Netzomin voor ons. Wat van Adam voor de val gold, geldt op nog indringender wijze voor ons. We mogen ons immers verzekerd weten van Gods onbegrijpelijke goedheid. Die komt tot ons evenals ze tot Adam kwam: in en door het Woord dat God tot ons spreekt en Zijn welbehagen dat daarin jegens ons tot uitdrukking komt. En net zo goed als Adam daar teken en zegel van had in de boom des levens, hebben wij dat in het sacrament van de Heilige Doop. 'Want als wij gedoopt worden in de naam des Vaders, zo betuigt en verzegelt ons God de Vader, dat Hij met ons een eeuwig verbond der genade opricht, ons tot Zijn kinderen en erfgenamen aanneemt, en daarom van alle goed ons verzorgen (cursief van mij, vdK) en alle kwaad van ons weren of ten onzen beste keren wil.' (Formulier Heilige Doop).
Deze goedheid, die in woorden niet blijft steken, maar van dag tot dag door God in werkelijkheid wordt omgezet in Zijn dagelijks niet aflatende zorg om ons bestaan, vooral in Zijn zorg om onze eeuwige bestemming…, die goedheid Gods dient ons wel ten zeerste aan te sporen om Hem te vrezen. Wij leven voortdurend als in Zijn tegenwoordigheid. Calvijn bedoelt dit heel anders dan het schrikbeeld dat velen bij de gedachte aan Gods alwetendheid voor ogen staat: God ziet mij juist als ik liever heb dat Hij mij niet ziet. Calvijn plaatst de gedachte dat wij leven als in Gods tegenwoordigheid in het kader van Zijn onophoudelijke zorg. Zoals bij een zorgzame moeder haar kinderen nooit uit haar gedachten zijn, zo geldt op een veel rijkere wijze dat wij nooit uit Gods gedachten en zorgen zijn.
Calvijn kan maar niet ophouden om God in Zijn oneindige goedheid te tekenen. Op die manier was Hij God voor Adam. Zo is Hij God voor ons. De zondeval die tussen toen en nu is ingeschoven, kan ons alleen maar met dieper verwondering vervullen dat God Dezelfde is gebleven jegens ons toen wij op zo'n te verafschuwen manier tegenover Hem zijn gaan staan en nog steeds staan. Inderdaad: Calvijn is één van die mensen die niet ophouden te verkondigen dat God goed is, dat er in Hem geen onrecht is.

De erkenning dat wij tegenover God in de schuld staan vanwege Zijn onmetelijke goedheid jegens ons, een schuld die zich alleen maar ver(be)talen laat in gehoorzaamheid-uit-dankbaarheid, dat is nu even wezenlijk voor Calvijns denken over het beeld Gods als die andere kant dat God in Zijn goedheid Zijn heerlijkheid op ons laat afstralen.
Hier zien we dan ook die wederzijdse dynamiek duidelijk aan het licht komen. God houdt niet op Zijn heerlijkheid op de mens af te stralen en de mens, die in verwondering daarover leeft, kan niet ophouden om Gods wil te bepeinzen en die met ingespannen krachten te doen. Het is hem geen last, maar een lust. En het zingt in zijn hart met een variant op Psalm 119 : 49 (berijmd): 'Hoe liefheb ik Uw wet (wil), het is mijn doel om overeenkomstig daarnaar mijn hele leven vorm te geven.'

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 oktober 1992

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Eénrichtingverkeer

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 oktober 1992

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's