Plicht tot dankbaarheid
Calvijn over het beeld Gods (9)
Ondankbaarheid
Geen thema keert in Calvijns Institutie, commentaren, preken dan ook zo vaak terug als de plicht des mensen tot dankbaarheid in de gestalte van gehoorzaamheid aan God. Maar het andere zien we ook gebeuren. Dat Calvijn niet nalaat in schrille kleuren de ondankbaarheid te schilderen van de mens die God weigert terug te geven wat we in Zijn goedheid van Hem hebben ontvangen.
Hoe ver die ondankbaarheid reikt, zegt hij ons Inst. III.6.3 'Want indien wij op deze voorwaarde door de Heere tot kinderen aangenomen worden dat ons leven Christus, die de band onzer aanneming is, voor ogen stelt, dan wijken wij niet alleen in zeer slechte trouweloosheid van onze Schepper af, maar verwerpen ook de Zaligmaker zelf, wanneer we ons niet overgeven en toewijden aan de gerechtigheid.'
Twee-, maar ten diepste éénrichtingverkeer
Verder dan hiervoor getekend, brengen wij het niet. We wijken niet slechts van onze Schepper af, maar verwerpen ook de Zaligmaker zelf als al ons verlangen niet is gebundeld in de bede: 'Leer mij naar Uw wil te handelen…'
Wat ons betreft blijft het beeld Gods in ons bestaan als die armzalige puinhoop die van dat eens zo prachtige bouwwerk is overgebleven. Want bestaat het beeld Gods in een beweging van wederkerigheid van God naar ons en van ons tot Hem; bestaat het dus in een wisselwerking van geven van Gods kant en ontvangen door ons en weer geven aan God van wat wij ontvangen hebben, dan blijft de liefde van één kant komen. En onbeantwoorde liefde van onze kant, zeg maar door ons vergooide en verguisde liefde zal eens door God beantwoord worden met verschrikkelijke toorn. Want deze liefde die oneindig groot is kan ook grenzeloos toornen.
Maar dat is het laatste woord niet! Al is het dat Calvijn (terecht! dat mogen we nooit uit het oog verliezen) de wisselwerking, de wederkerigheid in het beeld Gods heeft benadrukt, ten diepste is er in die wederkerige beweging waarin het beeld Gods gestalte krijgt, dat tweerichtingverkeer, sprake van één hoofdbeweging. En die gaat van God uit. Zoals de golven op het strand altijd maar weer aan komen rollen en weer terug rollen, maar de aankomende beweging vanuit de zee er altijd eerst is.
Het is een beeld met beperkingen, maar het kan wellicht enigszins verstaanbaar maken dat alles van God komt. Juist ook het antwoord van de mens dat net zo wezenlijk is voor het tot stand komen van het beeld Gods als het spreken van God. God zelf werkt door Zijn Heilige Geest deze genade in ons '(…) dat wij zouden weten, dat we niets zijn; dat wij slechts staande blijven door de barmhartigheid Gods, dat wij van onszelf niet anders zijn dan slecht.' (Inst. II.2.11). Wat gebeurt er dan? De mens die dit voor de eerste keer of bij herhaling ontdekt, vlucht bij zichzelf vandaan en tot God om bij Hem te zoeken wat hij zelf mist. Dat noemt Calvijn dan ook geloof, bijvoorbeeld in zijn Commentaar op Hab. 2 : 4 ('…de rechtvaardige zal door zijn geloof leven.') 'En hierdoor wordt bevestigd wat ik kort geleden heb gezegd, dat 'geloof' niet moet worden opgevat als een deugd van de mens, maar meer als een geloof, dat de mens ontbloot van alle goed voor God stelt, om van Zijn genadige goedheid te vragen wat hem zelf ontbreekt. Want alle ongelovigen willen zichzelf beveiligen en versterken in de mening, dat het genoeg is als zij maar iets hebben, waarop zij vertrouwen. Maar wat doet de rechtvaardige? Hij brengt niets mee voor God dan zijn geloof. Hij brengt niets mee van zichzelf, omdat het geloof als het ware aan de genade ontleent wat de mens zelf niet bezit. Wie dus door het geloof leeft, heeft het leven niet in zichzelf, maar omdat het hem ontbreekt, neemt hij de toevlucht alleen tot God.'
Zo eindigt de theoloog, die in alles Gods eer bovenaan heeft staan, in God. Ook met betrekking tot het (in beginsel herstelde) beeld van God. 'O diepte des rijkdoms beide der wijsheid en de kennis Gods! Hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen en hoe onnaspeurlijk Zijn wegen! Want wie heeft de zin des Heeren gekend, of wie is Zijn raadsman geweest? Of wie heeft Hem eerst gegeven het zal hem wedervergolden worden? Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in eeuwigheid. Amen.' (Rom. 11 : 33 t/m 36).
Calvijn over arbeid
Enigszins los van het voorgaande lijkt te staan wat Calvijn zegt over de mens en zijn arbeid. Wat Calvijn daarover gezegd heeft, is wellicht niet onbekend. Uiteindelijk wordt Calvijn en in zijn spoor het calvinisme verantwoordelijk geacht voor veel wat als kenmerkend voor onze hedendaagse samenleving wordt beschouwd. Onder die vele karakteristieken horen dan het kapitalisme en de daarbij behorende arbeidsmoraal. Dat is trouwens een gedachte die al langer bestaat.
Of aan de Reformatie de opkomst van het kapitalisme kan worden toegeschreven, is een zaak die we hier laten rusten. Wat betreft de arbeidsmoraal valt op te merken dat die inderdaad door wat Calvijn daarover te berde heeft gebracht, een krachtige stimulans heeft gekregen. Juist het gegeven dat Calvijn het hele leven van de mens heeft gesteld coram Deo, voor Gods aangezicht èn in het licht van het beeld Gods is aanleiding geworden tot wat de zogenaamde calvinistische arbeidsmoraal zou kunnen worden genoemd. Een moraal die de menselijke arbeid heel anders waardeert dan de ethiek van de Middeleeuwen. Kort gezegd: Calvijn heeft de menselijke arbeid weer zijn oorspronkelijke plaats gegeven. Ingebed namelijk in de totale verhouding van God en mens waarin het Woord de toon aangeeft en leven brengt. Een verhouding die van Gods kant, maar evenzeer van 's mensen kant, vol beweging, dynamiek is. Het onvermoeibaar voortgaan Gods met de onderhouding van Zijn schepping, van de mens vooral… resulteerde in de paradijselijke harmonie van 's mensen zijde in een voortdurend handelen naar Gods Woord. Het hele leven van de mens in al zijn verrichtingen lag voor Gods aangezicht te stralen tot Zijn eer.
Deze opvatting van het aardse leven vol dynamiek voor wat betreft de menselijke arbeid e.d. stond in flagrante tegenstelling met het quiëtisme dat de ethiek der Middeleeuwen over de hele linie beheerste. Waardoor het gewone leven en werken van de mens het stempel kreeg opgedrukt in godsdienstig opzicht minderwaardig te zijn. De werkende stand was van minder allooi dan de geestelijkheid.
Calvijn wijst het zogenaamde ingekeerde leven van kontemplatie dáárom niet alleen af omdat het naar zijn smaak niet anders is dan een excuus voor luiheid. Maar vooral hierom dat het aardse leven en werken van zijn goddelijke goedkeuring worden beroofd. Calvijn heeft sterk de waarde van de menselijke arbeid benadrukt en daarin een deel van het menselijk antwoord gezien op de goedheid Gods die hem van alle kanten omringt. Met andere woorden: Calvijn zag in de menselijke arbeid (uiteraard gebonden aan de wil van God) het beeld Gods gedeeltelijk tot werkelijkheid komen. In zijn Commentaar bij Lukas 17 : 7 e.v. (De gelijkenis van de dienstknecht die van de akker gekomen, zijn heer thuis dient en daarmee niets verdienstelijks heeft gedaan, maar slechts deed wat hij schuldig was te doen) schrijft hij: 'Dat dan een ieder bedenke dat hij geschapen is om te arbeiden en aanhoudend in zijn werkkring bezig te zijn; en dat niet voor een bepaalde tijd slechts, maar tot aan zijn dood. ja, dat hij evenzeer Gode sterven als leven moet.'
Tenslotte
Aan het begin van de weg die wij zijn gegaan langs Calvijns gedachten over de mens wat betreft zijn plaats in de schepping en als beelddrager Gods stond de vraag welke weg dient te worden ingeslagen naar de heden ten dage zo vaak geuite wens naar opwekking. Een wens die, als het goed is, bij ons allen zou moeten leven. De weg die daarheen leidt kan geen andere zijn dan die als naambordje 'verootmoediging' draagt. Me dunkt dat we van Calvijn hebben kunnen leren wat verootmoediging is als we van hem en via hem uit de Schriften hebben verstaan wat onze plaats is voor Gods aangezicht. Wie er iets van heeft gezien waar wij gestaan hebben in de paradijselijke situatie, waar we nu staan als gevolg van onze zonden en hoe desondanks God onophoudelijk met ons van doen wil hebben; wie heeft ontdekt dat God in die niet aflatende zorg als het ware koorden van liefde om ons heen slaat, maar wie in dit licht ook heeft ontdekt eigen ondankbaarheid om uitgerekend deze God niet als God te willen eren… die kan toch niet anders dan klein worden? Maar is daaraan juist niet deze belofte van God verbonden: 'Ik woon in de hoogte en in het heilige èn bij dien, die van een verbrijzelde en nederige geest is, opdat Ik levend make de geest der nederigen en opdat Ik levend make het hart der verbrijzelden.' (Jes. 57 : 15). Levendmaking. Wat is dat anders dan opwekking!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 oktober 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 oktober 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's