Uit de Pers
Prof. Runia over de prediking
In september nam prof. dr. K. Runia afscheid als hoogleraar van de Theologische Universiteit van Kampen (Koornmarkt). Ruim twintig jaar doceerde hij er praktische theologie. In het magazine Kerk van september 1992 staat een gesprek met hem te lezen. Voordat prof. Runia in Kampen hoogleraar werd, was hij dat al vanaf 1956 aan het Reformed Theological College in Geelong (Australië).
'In 1971 ben ik teruggegaan naar Nederland om hoogleraar te worden aan de Theologische Hogeschool in Kampen. De studentenprotesten van de jaren zestig heb ik niet meegemaakt, maar dat heb ik nooit betreurd. Sterker, ik moest geweldig wennen aan de manier waarop studenten zich in Nederland gedroegen, ook in Kampen. In Australië gingen de studenten staan als ik de collegezaal binnenkwam. Hier gaf ik m'n eerste college preekkunde – ik was een kwartier bezig –, toen een student een hand omhoog stak en zei: "Professor, voor u verder gaat, zou ik willen weten wat uw vooronderstellingen zijn". Ik snapte hem niet eens, ik wist niet wat hij bedoelde. Ik wilde de jongens preken leren, maar wat bleek: zij wisten niet zeker of er wel gepreekt moest worden. Dat was het klimaat toen ik in Kampen kwam. Ik wist er echt niets van. Ik had altijd de gereformeerde kerkelijke pers trouw gelezen, dus ik dacht op de hoogte te zijn. Maar dit had ik niet verwacht. Wat in de kerkbladen staat, is toch vaak iets anders dan wat de mensen bezighoudt.
Het heeft wel een paar jaar geduurd, voor ik eraan gewend was. De eerste jaren in Kampen heb ik me soms doodongelukkig gevoeld. Niet omdat ik de studenten zulke akelige mensen vond, maar omdat ik veel dingen heel anders aanvoelde. Ik was ook van vak veranderd. Ik had vijftien jaar dogmatiek gedoceerd en ineens moest ik praktische theologie gaan geven. Daar had ik zelf nooit iets van gehad. Wat wist ik van dat hele vak af? Dus moest ik me inwerken. Ondertussen miste ik van dag tot dag en van week tot week mijn dogmatiek. Nog steeds schrijf ik het liefst over dogmatische onderwerpen. Ja, als je in mijn hart kijkt, ben ik dogmaticus.'
Van professie eigenlijk dogmaticus, moest prof. Runia in Kampen omschakelen naar de praktische theologie. Daarbij hoort het onderwijs in de homiletiek of predikkunde. Over de prediking maakt hij in het vervolg van het gesprek nog een aantal opmerkingen.
'Er waren ook studenten, die niet wilden meedoen aan de preekcolleges. Ze zagen de zin van preken, catechetiek en pastoraat niet zo. Daar hebben we vaak en lang over gediscussieerd binnen de faculteit. Uiteindelijk mochten ze wel hun doctoraal doen, maar kregen ze de aantekening dat ze geen kerkelijke examens konden doen. Ik denk dat verlegenheid deze jongens parten speelde. Ze hadden weinig fiducie meer in de kerk, want het instituut kerk werd zwaar onder vuur genomen, helaas ook door veel predikanten. Ik heb preken gehoord, waar m'n oren van klapperden, niet omdat er ketterijen werden verkondigd, maar omdat er zo ongenadig tegen het instituut van de kerk werd aangeschopt. Nou, onze studenten zogen dat op en de resultaten daarvan hoorde ik op de preekcolleges. Ik zeg niet dat ze niet meer geloofden in de Heere Jezus; ze geloofden alleen niet meer in de toekomst van het instituut kerk, dus ook niet in preken. Ze wilden alternatieve vormen. Als ik dan zei: kom er maar mee, dan hadden ze niet meteen een antwoord. Na al die jaren van kritiek op de kerk en op de preek zijn er eigenlijk helemaal geen alternatieven tevoorschijn gekomen. Dialoogprediking, twee preekstoelen in de kerk, vragen stellen na de preek: 't is allemaal op niets uitgelopen. Ik denk dat dat ook samenhangt met het eigen karakter van het Evangelie. Dat vraagt niet allereerst om discussie, maar om verkondiging. Dan kom je toch in de buurt van de prediking terecht, zoals die in de oude christelijke kerk al begonnen is.'
In 1981 verscheen van de hand van prof. Runia een publikatie met de titel 'Heeft preken nog zin?'. De vragen, die hij aan de orde wilde stellen, luidden: Moet er eigenlijk nog wel gepreekt worden en kan er vandaag nog wel gepreekt worden? Zijn slotconclusie was: Het is mijn overtuiging dat de kerk niet zonder de preek kan. Maar dan dient de prediking wel aan bepaalde eisen te voldoen. In het gesprek, dat we hier citeren, merkt hij daar nog het volgende over op.
'Ik maak me zorgen over kerkverlating onder jongeren. Het is vreselijk als de kerk de jongeren niet meer vast kan houden. Kinderen moeten aan hun ouders merken, dat geloven iets voor ze betekent. Ook de manier waarop gepreekt wordt, is van groot belang. Helaas zijn de preken vaak zo erbarmelijk slecht, niet om aan te horen. Veel preken hebben geen samenhang. Soms kan ik gewoon niet navertellen wat de dominee me heeft verteld. Dan deugt er geen fluit van. Dominees lijden ook onder het vluchtige van de hedendaagse cultuur. Kijk naar de tv: het ene moment weet je al niet meer wat je het vorige moment hebt gezien. De structuur is zoek. Ik merk dat ook bij mijn studenten. Ze vinden het een bijna onmogelijke opgave om een preekschets te maken. Verder komt de Schrift veel te weinig aan bod. Als ik de kerk uitkom, weet ik vaak nog evenveel als toen ik erin kwam. Dan heb ik de Schriftuitleg gemist. Boeiend spreken is er meestal ook niet bij. Betrokkenheid en een goede woordkeus kom ik helaas te weinig tegen. Veel preken zijn dus niet te pruimen en dat heeft gevolgen voor de kerkgang, zeker van jongeren. Het valt me op, dat goede predikanten wel jongeren onder hun gehoor hebben.'
Naast een formele kant heeft de prediking vooral ook een inhoudelijk aspect. Ook daarover maakt prof Runia nog wat opmerkingen.
'Een predikant moet het Evangelie preken in zijn rijkdom en in zijn scherpte. Hij mag geen tekstgedeelten weglaten, zoals ik eens heb meegemaakt met twee achtereenvolgende preken over de gelijkenis van de wijze en de dwaze maagden. In beide gevallen hield de predikant halverwege de tekst op. Hij vertelde niets over het lot van de dwaze maagden, die de bruiloftszaal niet in mochten. Kijk, dan laat je een wezenlijk element weg. Dan laat je het oordeel weg.
Ik zeg niet dat je hel en verdoemenis moet preken. Ik moet wel eerlijk zeggen, dat wie zich van de Heere afwendt, het gevaar loopt, dat de Heere zich ook van hem afwendt. Hij gaat voor eeuwig verloren, zeiden we vroeger. De hel dus. En we konden ze bijna met de vinger aanwijzen wie dat waren. Zelf zeg ik liever, dat wie zich van God afwendt, de kàns loopt voor eeuwig verloren te gaan. Hij bewandelt een weg, die kan eindigen in de hel. Of dat gebeurt, weet ik niet. De Bijbel zegt van niemand dat hij in de hel is. Alleen van de rijke man uit de gelijkenis van de arme Lazarus staat geschreven dat hij in de hel is. En dat is dan een gelijkenis. Van de verrader Judas wordt gezegd, dat hij beter niet geboren had kunnen worden. Zo voorzichtig is de Schrift. Maar de Schrift laat wel voortdurend merken, dat God-verlaters gevaar lopen: wie zich van de Heere afwendt, gaat de weg op van de dood. Laat dat toch gezegd worden in de preek.'
In 1976 verscheen van de hand van de in 1985 overleden prof. W. Kremer een bundel opstellen over de prediking: 'Priesterlijke prediking'. Kremer sloot zijn boek af met een artikel over 'Het gericht in de prediking'. Hij zet dan in met hetzelfde bezwaar, hier door prof. Runia verwoord: In de prediking ontbreekt de waarschuwing teveel en de prediking boet daarom in aan ernst. Prof. Kremer schrijft: 'Gods recht krijgt niet het accent dat het behoort te hebben en de schuld van de mens evenmin. Hel en hemel in hun felle tegenstelling schijnen te verbleken en het getal van de gerusten in Sion wordt groot'. Hij wijst er dan op, dat in 1952 ook prof. dr. K. Dijk (één van Runia's voorgangers in Kampen) een geschrift uitgaf met de titel: 'Het gericht Gods in de prediking des Woords'.
Kremer geeft dan aan, dat de prediking van het gericht dient te geschieden in ernst. Niet uit 'bangmakerij', maar vanuit de oproep tot bekering. Verder dient het in alle soberheid te geschieden. Ook mag de vertroosting voor de gemeente van Christus niet ontbreken.
Schrift en prediking
De visie op de Schrift is bepalend voor de inhoud van de prediking. Hoe bezie ik de Schrift en welk gezag heeft ze voor mij, prediker van het Woord. In de Reflexen in Theologia Reformata (september 1992) snijdt prof. dr. W. H. Velema deze kwestie ook aan. Hij wijst daarbij op recente discussies over homoseksualiteit en over de weer opgelaaide discussie over de vrouw in het ambt. Wat het laatste betreft, merkt prof. Velema op, is er eigenlijk niet zoveel nieuws te zeggen. De verschuiving zit niet in de argumenten, maar in de mensen die de argumenten hanteren.
Voor mijn besef is beslissend hoe we met de Schrift omgaan. Dat is een kwestie van hermeneutiek. Elke hermeneutiek vindt haar vertrekpunt in haar visie op en haar belijden omtrent de Schrift. Het is een tragische fout dat tegenwoordig deze volgorde wordt omgekeerd. Dan bepaalt de hermeneutiek de visie op de Schrift. Om het wat scherp te zeggen: Waar de Schrift vooral als produkt van mensen wordt gezien, moet de hermeneutiek compenseren wat aan inspiratie door de Geest is verloren gegaan. De hedendaagse hermeneutiek kan men karakteriseren als inspiratief en creatief. Haar functie moet echter zijn het horen naar en het gehoorzamen aan de Schrift te concretiseren. Ik besef dat met dit onderscheid de problemen niet zijn opgelost. Wel is hiermee aangegeven, waarom het draait.
Hermeneutiek zal niet voor alle lezers direct een begrijpelijke term zijn. Bedoeld wordt: het geheel van de regels, die je bij de uitleg van de bijbel hanteert, de theorie van de exegese. Wie interesse heeft voor wat hier bedoeld wordt, kan uitstekend terecht in een onlangs verschenen deel uit de Reformatie Reeks van de hand van dr. A. Noordegraaf 'Leesbril of toverstaf'. Over het verstaan en vertolken van de Bijbel.
Prof. Velema maakt tenslotte nog de volgende opmerkingen over ons thema.
Aan de hermeneutiek werd ik ook herinnerd toen ik het proefschrift van Rein Bos las. Onder promotorschap van prof. Runia verdedigde hij zijn dissertatie Identificatie-mogelijkheden in preken uit het Oude Testament. Het gaat mij niet om een bespreking van dit homiletisch proefschrift. Ik ben geschrokken van een aantal preken die daarin volledig afgedrukt staan. Het zijn er maar enkele van de bijna vijfhonderd preken, die door de auteur in zijn onderzoek zijn betrokken. Ik wijs op deze preken, omdat daarin duidelijk wordt, dat de opvatting van de Schrift als neerslag of weergave van menselijke ervaring, tot een heel bepaalde verkondiging brengt. Dan is de enige mogelijkheid: zoals zij of hij, zo ook wij. Hun ervaring is stimulerend voor de onze! Tot heden was mij nog niet zo duidelijk onder ogen gekomen, dat de benadering van de Schrift van beneden (een hermeneutische positiekeus) vérstrekkende gevolgen heeft voor de praktijk van de prediking.
Als je op een rustige avond in wat verschillende boeken bezig bent, gebeuren er wonderlijke dingen. Juist na het beëindigen van de lectuur van het boek van dr. Bos las ik de 'cri de coeur' van prof. Runia in zijn boekje Schuldig. Hoezo?, over een bundel preken van 10 hervormde predikanten. Hij schrijft ervan geschrokken te zijn, dat er gehamerd wordt op de doemwaardigheid van de mens, terwijl de verlossing iets van 'ternauwernood' kreeg (blz. 61). Ik ken de bundel niet. Prof. Runia zal een faire weergave hebben neergeschreven. Wel vraag ik me af hoe hij homiletisch tegen de hermeneutische methode in de door Bos geanalyseerde preken aankijkt. Een gereformeerde homiletische hermeneutiek moet mijns inziens de smalle weg gaan tussen de beide zojuist aangewezen klippen. Runia gaat met – welverdiend – emeritaat. Misschien hebben we ook op dit gebied nog iets van hem te verwachten. Onze prediking is de proef op de som van onze theologie. Vanwege de geweldige consequenties heb ik me afgevraagd, of ik deze gecursiveerde zin niet moest schrappen. Ik laat hem toch maar staan, als een opdracht, een toetssteen en een uitdaging.
En daarmee stemmen we in, al was het alleen maar om ons predikers weer op het hart te binden: maak werk van uw preek. En ook om gemeenteleden te vragen: gun uw predikant rust en tijd tot gebed, bezinning en studie voor de zondag. Wie op de zondag een verantwoorde Schriftuitleg en toepassing wil horen, kan niet verwachten dat dezelfde man alles doet en overal bij is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 oktober 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 oktober 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's