Geroepen uit de wereld om er te zijn voor de wereld (2)
Tussen isolement en engagement
Enkele weken geleden plaatsten we het eerste deel van de toespraak, die prof. dr. C. Graafland hield op de Kerkendag. Door een misverstand bleef plaatsing van het tweede stuk tot heden achterwege. Bijgaand plaatsen we alsnog het tweede en laatste gedeelte, met excuus aan de schrijver.Red.
Een nieuwe moraal brengt geen echte vernieuwing
Ik denk, dat we hier de diepste oorzaken raken van de malaise in de kerk en de gemeente, met name als het gaat over haar uitstraling en getuigenis in de wereld. Maar als er nu zijn, die aanvoelen, dat het inderdaad ergens niet goed zit, en daarom zich heel erg gaan inspannen om de zaak nog wat recht te trekken, maar dan beginnen bij wat in het Conciliair Proces aan de orde wordt gesteld, maar vergeten of niet inzien, dat het kwaad veel dieper zit, nu ja, dan denk ik, dat het toch weer op een mislukking uitloopt. Ik zei het zojuist al. Als je de geschiedenis van de kerk nagaat, vinden wij dat telkens opnieuw, dat men de wond op zijn lichtst wil genezen. En dat doet men door te denken, dat je met een andere moraal erop na te gaan houden wel een werkelijke vernieuwing op gang brengt. Maar dat blijkt altijd weer een illusie te zijn. Dat kan ook niet anders. Want waar wij Christus niet kennen en erkennen en dan, let wel, in zijn volle heil als verzoener van ons kwaad en vernieuwer van ons leven, en Hem niet ervaren als dè allesbeheersende werkelijkheid van ons bestaan, daar loopt alle idealisme stuk op de hardheid van het menselijk hart, waaruit alle uitgangen van het leven voortkomen. Met als resultaat, dat men vervalt van de ene wettische krampachtigheid in de andere. Daarom pleit ik voor een Conciliair Proces, inderdaad, maar dan zo, dat daarin de verticale component van de Godsrelatie in het centrum, in het hart, staat, om dan ook niet minder de nadruk te laten vallen op wat daar onlosmakelijk uit voortvloeit en dat dus wel, althans thematisch, in het Conciliair Proces aan de orde wordt gesteld.
Het isolementschristendom
Daarmee kom ik tot de tweede component van het thema: tussen isolement en engagement, of zoals ik het zou willen zien: door isolement tot engagement.
Ik ben me ervan bewust, dat mensen, die het niet met me eens zijn, mij zullen tegenwerpen: ja, mooi stichtelijk praten, maar wat komt er dan van deze wereld en van jouw roeping in deze wereld terecht? Ik voel dan een verlegenheid in me opkomen. Vooral als ik denk aan wat er aan isolementschristendom te zien is in ons land. Een christendom, dat wel pretendeert het octrooi te hebben op het enige ware geloof en daarom soms met het grootste gemak alle andere christenen uitsluit, zelfs tot uit de hemel toe, maar intussen zelf een manier van leven laat zien, dat in materialisme en egoïsme niets onderdoet voor wat Paulus hier noemt het leven van de heidenen in losbandigheid en onreinheid. Ik ben me ervan bewust, dat er ook zo'n christendom bestaat. En ik moet zeggen, dat het me altijd weer pijn doet, als ik daar tegenop loop. En ik loop er zo vaak tegenop.
Ik moet er wel onmiddellijk iets aan toevoegen. Als ik naga, wat er in mijn eigen hart leeft aan onreinheid, aan geneigdheid tot losbandigheid, dan moet ik tegelijkertijd mijn hand op de mond leggen en eerlijk erkennen, dat ik niet beter ben dan wie ook. Dat is geen vroom smoesje, maar dat is een bittere realiteit. Die me dan ook altijd weer klein maakt, als ik voor God sta, en me ook bescheiden doet zijn, als ik andere christenen de maat ga nemen.
Alleen, het kwalijke ervan is, dat wat schuld en tekort is in ons geloof, waarvoor wij ons moeten schamen en waartegen wij ten bloede toe moeten strijden, in een bepaalde vorm van isolementschristendom wordt getolereerd en zelfs gecultiveerd. Men houdt er wel een register van 1000 zonden op na, maar daarin komen nu net niet die zonden voor, die men zelf, al of niet heimelijk, koestert. Daarom, nogmaals, u hebt inderdaad vrij gemakkelijk spel als u met dit soort tegenwerpingen komt.
Vrij-gemaakt tot een nieuwe solidariteit
Maar het is niet de hele wijsheid. Er is ook nog dit. Als wij juist in onze onreinheid en losbandigheid en egoïsme door God pijnlijk en verootmoedigend aan de kaak zijn gesteld, om dan ook te ervaren, dat we toch niet afgedankt worden door Hem, maar in Christus gereinigd en vernieuwd worden, zodat, zoals het klassieke doopformulier het zegt, wij in nieuwheid van leven gaan wandelen, wel, dàn worden wij echt vrijgemaakt om de wereld, diezelfde wereld, waarover wij het zojuist hadden, lief te krijgen, om ons ermee solidair te voelen, om ons ervoor in te zetten en om al onze krachten te geven om er van te maken, wat er krachtens de belofte van God van te maken is.
Ik moet eraan denken, dat we met name in het Johannesevangelie dat woord 'wereld' in twee schijnbaar tegenovergestelde betekenissen tegenkomen. Enerzijds dat, wat we al noemden: het uit de wereld weggeroepen worden, omdat de wereld in het boze ligt, en wij als geroepen gelovigen niet (meer) van de wereld zijn. Maar anderzijds lezen wij in datzelfde evangelie, dat God de wereld zo liefheeft, dat Hij zijn eigen Zoon daarvoor heeft over gehad, opdat die wereld zou worden behouden door het geloof in Hem. Nu, zo is het precies ook in het leven van de christelijke gemeente. Aan de ene kant uit deze wereld weggeroepen en aan de andere kant deze wereld liefhebben en alles ervoor over hebben.
Ik zou het nog iets nauwkeuriger willen formuleren. Doordat God ons uit de wereld heeft weggeroepen, maakt hij ons klaar om deze wereld lief te hebben en onszelf ervoor over te hebben. En, mij dunkt, komen dan al die zaken, die het Conciliair Proces thematiseert, heel concreet en duidelijk op de agenda van ons christenleven te staan. En dat dan niet vanuit een platonische liefde, maar vanuit een reële, zichzelf opofferende liefde, die in de praktijk van het leven gestalte krijgt.
Uit het hart zijn alle uitgangen van het leven
Daarmee kom ik tot het laatste, wat ik voorlopig zou willen zeggen. Het bovenstaande heb ik nog al in een persoonlijke vorm onder woorden gebracht. Omdat ik dat nog wel eens meer doe, menen anderen, dat dit komt vanwege mijn piëtistische inslag. Dat zal wel zo zijn. Maar wat mij betreft, zit er toch iets meer achter dan alleen een piëtistische eenzijdigheid. Ik ben er namelijk diep van overtuigd, dat wij als gemeente en als kerk alleen iets in deze wereld te betekenen hebben, als het ook en allereerst persoonlijk voor ons realiteit is. En het is alleen persoonlijk voor ons een realiteit, als ons hart ervan vervuld is. Als dit persoonlijke en dit hartelijke er niet in is, blijft het een kwestie van organisatie en formaliteiten, van vrijgestelde specialisten of van een bevlogenheid, die zo lang duurt als de wind uit een bepaalde hoek waait, en die niet de werkelijke en duurzame zelfverloochening kent. Of anders gezegd: we zullen als gemeente en als kerk geen enkele geloofwaardigheid hebben, als we niet als leden van die gemeente zelf in heel onze manier van leven in praktijk brengen, wat wij anderen voorhouden. Ik zeg dit zo uitdrukkelijk, omdat mijn ervaring nogal eens vaak geweest is, dat degenen, die het meest in allerlei bredere organisatorische verbanden de mond vol hebben van wat er aan gerechtigheid en dienstbaarheid moet geschieden, in hun eigen persoonlijke levensstijl daar geen vinger naar uitsteken, maar zelf volop meedoen aan de verloedering van een consumptiemaatschappij. Onze persoonlijke levensstijl is de test voor ons gemeenschappelijk getuigenis. Daar moeten we wel aan denken.
Geen minimalisering maar maximalisering
Nu zou ik nog wel graag meer hebben willen zeggen, maar de tijd is al ruimschoots op. Ik noem dus ter afronding nog een paar dingen puntsgewijs. We moeten in de gemeente en in ons persoonlijk christelijk leven niet erop uit zijn om het ideaal van een wereld van gerechtigheid, vrede en heelheid te minimaliseren, uit angst dat het anders politiek of maatschappelijk niet haalbaar zou zijn. Zo te denken, is een bewijs, dat we nog vastzitten aan een machtsbegeerte. Ik denk hierbij o.a. aan de discussie binnen het CDA, waar men blijkbaar doodsbang is om een verbinding te leggen tussen een politiek handelen en een persoonlijke geloofsovertuiging. Alsof een christelijke of christen-democratische invulling van het politieke denken en handelen los verkrijgbaar zou zijn, afgezien van ons persoonlijk geloof. Dat bedoel ik o.a. met die minimalisering. Maar ik zou het ook op vele andere manieren kunnen concretiseren.
Het moet ons echter gaan om een maximalisering van ons christelijk ideaal. Het gaat uiteindelijk om, zij het in alle voorlopigheid en gebrekkigheid, gestalte te geven aan de komst van het Rijk van God en zijn gerechtigheid en om niets minder dan dat, en niet om een aantal christelijke beginselen of om een vage inspiratie binnen een neutraal denken en handelen, waar zoveel mogelijk mensen het mee eens kunnen zijn.
De profetische, priesterlijke en koninklijke roeping van de christen en de gemeente
Het tweede betreft de concretisering van dit ideaal. Ik zelf zit dan (ik moet wel zeggen: meer intuïtief dan als een pasklaar program) te denken aan de oude trits van de drieërlei roeping van de kerk en de christen: de profetische, priesterlijke en koninklijke roeping. De profetische roeping zal zich uiten in het getuigenis van de kerk en van iedere christen persoonlijk op de plaats, waar hij of zij staat. De priesterlijke roeping voltrekt zich in het dienen door de kerk in de wereld, waarbij ik zelf dan steeds meer ook ga denken aan zoiets als een politiek diakonaat. Juist in deze tijd wordt het ons pijnlijk duidelijk gemaakt, dat een zgn. charitatieve hulpverlening te weinig is om waarachtig mensen en volken en mensheid te helpen. De nood zit dieper en daarom zal ook de hulp dieper moeten peilen.
De derde roeping geldt de koninklijke taak van de kerk. Die zit wellicht dicht bij de profetische en ook wel priesterlijke roeping, maar heeft toch in verbinding daarmee een eigen karakter. Op haar eigen, kerkelijke en geestelijke wijze, zal de kerk de strijd hebben aan te binden tegen de machten van de duisternis. Ik voel aan, dat het niet eenvoudig is om dat te concretiseren. Toch zal het moeten en kunnen als de Geest van Christus ons leidt. Zelf denk ik dan bijv. aan een vernieuwing van de tuchtoefening in de kerk. De kerk zal moeten duidelijk maken, dat niet alles meer kan. En dat allereerst binnen de kerk, maar ook daarbuiten, in een zo ruim mogelijke actieradius. Of anders gezegd: de kerk zal haar invloed moeten uitoefenen in de vormgeving van het totale menselijke, nationale en internationale bestaan, zoiets als een vernieuwde Koninkrijkstheocratie. Koninkrijk dan wel met een grote K.
Hiermee sluit ik voorlopig mijn verhaal af Ik dank u voor uvv aandacht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's