Actueel belijden
De titel van het boek van vier (oud)hoogleraren van de Christelijk Gereformeerde en (Vrijgemaakt) Gereformeerde Universiteiten over de 'Actualiteit van het gereformeerd belijden' heeft een verrassende dubbelheid. Het is de vraag: 'Hoe staan wij ervoor?' Afhankelijk van de klemtoon hoor ik er twee vragen in, die te maken hebben met de betekenis van de Gereformeerde Belijdenis vandaag. 'Hoe staan wij ervóór?' – dat is de vraag naar de stand van zaken waar het gaat om de trouw aan de Confessie in de verschillende gereformeerde kerken die hun kerk-zijn daadwerkelijk willen richten naar de formulieren van enigheid. In hoeverre is het mogelijk om in deze tijd onverkort vast te houden aan de Belijdenis der vaderen? De vraag is ook: 'Hoe stáán we ervoor?' – hoe kunnen we duidelijk maken dat de Gereformeerde Belijdenis ook voor vandaag een zaak is om van harte voor te staan? Hoe kunnen zij die de kerkelijke eenheid (nog) niet beleven toch samen in confessionele eenheid staan voor hun zaak, om tegen alle relativerende 'waardering' en actualistisch dynamische hantering van de Belijdenis in duidelijk te maken hoezeer onze Confessie op grond van Gods Woord ook vandaag nog van kracht is en dient te blijven. De structuur van het boek is als volgt. Na een inleiding wordt in twee korte inleidende hoofdstukken vanuit de optiek van beide universiteiten afzonderlijk een verslag gegeven van de ontwikkeling van de gereformeerde theologie vanaf het einde van de vorige eeuw tot op heden. In beide opties wordt de nadruk gelegd op de belangrijke betekenis van de doordenking van het werk van de Heilige Geest in verband met de onderscheiden thema's van de theologie. Vervolgens is er een viertal hoofdstukken waarin enkele belangrijke actuele theologische thema's op confessionele wijze worden uitgewerkt.
Belijdenis van de Drieënige God
Het eerste hoofdstuk is van de hand van J. Kamphuis, met als titel 'Taal van thuis', over het existentieel karakter van de belijdenis van de Drieënige God. Het is een verrassend actuele verhandeling die mij bijzonder heeft aangesproken. Kamphuis laat namelijk m.i. overtuigend zien hoe de grote verlegenheid van het spreken over de zogenaamde 'Godsverduistering' alles te maken heeft met een afscheid nemen van de belijdenis van de kerk van alle eeuwen, van de Drieënige God. Theologen als Berkhof en Kuitert willen niet meer weten van de wezenstriniteit van God. Daar ligt de oorzaak van alle ontwikkelingen die uitlopen op het 'Algemeen betwijfeld christelijk geloof'. Ook theologen die van confessionele zijde de vragen van het gemis aan Godservaring serieus nemen. Graafland wordt als voorbeeld genoemd, hebben volgens Kamphuis te weinig verdisconteerd wat de betekenis was van het afscheid van de belijdenis van de Drieënige God. De kern van zijn betoog vinden we in de relatie die hij legt tussen de klacht over de huidige zgn. 'Godsverduistering' en in nauwe samenhang daarmee de 'verloochening van de God, die door de kerk van alle eeuwen is beleden als de Drieënige en die zó is gekend en zó is gezocht als de Levende, die als Vader, Zoon en Heilige Geest tot ons (vervreemd van het leven van God, Ef. 4 : 18) is gekomen uit vrije genade' (31). Vervolgens bespreekt Kamphuis uitvoerig de betekenis van het schijnbaar minder belangrijke artikel 9 van de N.G.B. Hij volgt de geschiedenis van de belijdenis in dit artikel door de eeuwen heen, hoe er tegen alle antitrinitarisch verzet heen vastgehouden werd aan de eenheid van wezens- en openbaringstriniteit, van die God Die zich als de Drieënige in Zijn werkingen ook laat kennen. Deze existentiële belijdenis is ook nu nog de 'taal van thuis'. Denken over God vanuit ons begrip van ontmoeting en relatie doet ons de ware ontmoeting met de levende God verliezen. Wat er overblijft is een 'schaduw in de grot'. Zo wordt er, met een woord van Nietzsche 'moord' gepleegd op God en op onze eigen ziel. Ik kan het niet nalaten nog één citaat te geven: 'Dan – als we met een schaduw leven en onze dogmatieken tot bestsellers in Nederland zien worden – want graag laten de mensen zich in een grot de schaduw tonen en ze zuchten in extase: 'wat een god is dit – toch heel wat 'levender' dan die van de oude orthodoxie!' –, dan klagen wij voorts gemeenschappelijk over een nieuw fenomeen: de Godsverduisterig. En we laten onze sociologie en onze aangepaste theologie er op af. En men kan de schim van Nietzsche nog zien grijnzen: ze dweilen met de kraan open' (62). Tot zover Kamphuis, die ik in het kader van de bespreking van dit boek de meeste ruimte heb gegeven, omdat het voor mij het meest verrassende voorbeeld was hoe wezenlijk hedendaags de zaak van het 'oude' belijden aan de orde kan komen. Hier is de Belijdenis geenszins een historisch document. In de brandkast, maar een levend getuigenis, op grond van De Schriften, van geloof tot geloof!
Schepping en verlossing
Dit gezegd hebbende over het eerste hoofdstuk, wil ik echter niets in mindering brengen van de andere bijdragen. Dr. W.H. Velema bespreekt de verhouding van 'Schepping en verlossing'. Daarbij komt een aantal vragen ter sprake, die in relatie met de moderne theologische ontwikkelingen worden belicht. Het gaat over de relatie van deze twee geloofsbegrippen, en vooral de erkenning van de breuk die de zonde betekent tussen schepping en verlossing. Aangetoond wordt hoe de belijdenis van de zondeval wezenlijk is voor een goede belijdenis zowel van schepping als daad van Gods heerlijkheid als van verlossing als werkelijke redding.
Een volgende vraag die Velema stelt is of de verlossing een meerwaarde heeft boven de schepping. Een derde vraag is die naar de betekenis van onze werken in eschatologisch licht. Ook bij deze vragen wordt de actualiteit van de gegevens uit de Schrift, die belijdend worden ingebracht, niet uit het oog verloren, al is de bijdrage van Velema wat minder duidelijk toegespitst als die van Kamphuis.
In een derde hoofdstuk behandelt dr. C. Trimp het thema Heilige Geest en Heilige Schrift'. De inzet is de vraag of de gereformeerde Schriftbeschouwing is uitgediend. Ook hier komen we Kuitert weer tegen, tegen wiens uitdagende afwijzing van deze Schriftbeschouwing de schrijver zich keert. 2 Timotheüs 3 : 16 vormt het uitgangspunt van zijn exposé, dat een pleidooi is voor het 'spreken van boven' in plaats van het moderne 'spreken van beneden'. Trimp kiest bij de belijdenis van de Schrift als Gods woord voor het begrip 'theopneustie', het God doorademd zijn van de Schriften, boven het volgens hem toch min of meer verwarrende begrip van 'inspiratie'. Bij dat laatste woord gaan we teveel de kant op van een al te zeer uitgewerkte beschouwing van de aard van het proces, die alleen maar in problemen kan brengen. Een waardevolle opmerking is, dat als we meer gebruik zouden maken van het veelzeggende woord 'theopneustie' voor de aard van de Schrift, we ook veel meer direct georiënteerd zouden zijn op het werk van de Heilige Geest in het schenken en hanteren van de Schrift. Niet de wijze van transport moet de meeste aandacht hebben, maar de wijze waarop God in Zijn Woorden woont bij de mens.
Deze wijze van omgang met de vragen van de Schrift verlost ook van de kramp van het fundamentalisme en bewaart ons voor de afbraak van de schrift-kritiek. Wij mogen 'spreken over beneden met wijsheid van boven (130). Tot zover deze originele bijdrage aan de voor de kerk zo aangelegen en fundamentele discussie over het gezag van de Schriften.
Verkiezing en kerk
Het laatste hoofdstuk is over 'Verkiezing en kerk' van de hand van dr. W. van 't Spijker. Hij behandelt zijn onderwerp vooral in het licht van de kerkhistorische gegevens. Na de historische lijnen wordt de relatie van verkiezing uitgewerkt naar de betekenis voor het wezen van de kerk, die vanuit Gods verkiezing in de gemeenschap met Christus volk Gods mag zijn. Ook de gestalte der kerk wordt erdoor bepaald. De verkiezing realiseert zich door middel van de prediking. Daarin mag ook over de verkiezing niet worden gezwegen. De prediking mag echter niet onder de beheersing van de uitverkiezing komen. Ook voor het pastoraat heeft de verkiezing betekenis, vooral waar het ook gaat om de uitoefening van de tucht. Tot zover dit laatste hoofdstuk. Hoewel hierin van de vier het minste het rapport met actuele fronten zichtbaar wordt, wordt toch duidelijk gemaakt hoe wij ook vandaag de zin van de belijdenis van Gods verkiezing hoog mogen houden. Tenslotte, dit boek heeft niet alleen waarde voor Kampen en Apeldoorn en omstreken. Het is een zegen dat er in een tijd dat in vele kerken en kerkelijke verenigingspogingen zoveel te doen is om de betekenis en waarde van de belijdenis een duidelijke poging wordt ondernomen om niet alleen te zeggen dat de Gereformeerde Belijdenis nog steeds actueel is, maar dat ook te illustreren. Dat is m.i. zeer zeker geslaagd. Al zijn er bij deze 'tussenbalans' best ook wel vragen te stellen en accenten anders te zetten – laatste dingen worden er niet over gezegd – toch hoop ik dat velen er in de diverse kerken dankbaar gebruik van zullen maken. Wellicht komt er dan in liefde voor de Gereformeerde Belijdenis ook iets terecht van een verlangde 'denkgemeenschap, die zich van haar historische roeping in Nederland en de wereld bewust is' (pag. 17).
M.A. van den Berg, Groot-Ammers
J. Kamphuis e.a. Hoe staan wij ervoor? Actualiteit van het gereformeerd belijden. Uitgeverij De Vuurbaak Barneveld, 1992, 180 pag. ƒ 29,75.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 november 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 november 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's