Globaal bekeken
In 1914 werd ds. J.P. Paauwe afgezet als hervormd predikant toen hij In Bennekom in conflict was gekomen met de kerkelijke colleges i.v.m. het weigeren van doopconsenten en het niet-inschrijven van leden in het lidmatenregister. Hij bekende zich daarna 'tot de Nederlandsche Hervormde Kerk van vóór 1816' en zette nooit meer een voet in de Hervormde Kerk, noch in een afgescheiden kerk, omdat hij elke afscheiding verfoeide. In één van de zeven toespraken, die hij in 1938 In Den Haag hield over 'De Nederlandse Hervormde Kerk na 1816' laat hij blijken, dat hij niet zoveel ophad met mensen die 'de waarheid hebben'. Zijn eerste gemeente van lerseke. Daarover vertelt hij het volgende, n.l. na zijn overgang naar een 'gereformeerde gemeente':
'(…) Ik kan zeggen, dat ik daar bijna een heimwee had naar lerseke, want ik was altijd onbekend gebleven met de zogenaamde orthodoxe gemeenten, gereformeerde gemeenten of de zware gemeenten, want lerseke was zo'n gemeente niet. lerseke was een heel andere gemeente en de bevolking was er van een ander soort. Ik zeg vooral niet beter, maar anders, heel anders. Een Zeeuw is heel anders dan een Gelders man. En de geest van een zogenaamde "gereformeerde" gemeente vind ik eenvoudig verschrikkelijk. Die geest strijdt met mijn aanleg ook. Ik houd er nu eenmaal niet van dat de dingen kan en klaar voor mij worden gezet. Zo heb ik nooit tegenover het leven gestaan, van mijn vroegste jeugd af. Ik heb er altijd van gehouden de dingen zelf onder de ogen te zien, en vooral door een ander mij niet te laten zeggen, wat ik doen moet; al ben ik ook een mens, die voor indrukken vatbaar is, die gemakkelijk aan indrukken bloot staat. Een "gereformeerde" gemeente is een verschrikkelijke gemeente. Daar hebben zij (namelijk de gereformeerden) "de Waarheid". Zij weten precies hoe het moet en hoe het is. Zij weten heten zij weten het niet. Zij weten het alleen niet, zij weten niets. Het is een vreselijke geest.
Ik had, – daar ik nu toch bezig ben vertrouwelijk met u te spreken – ik had zogenaamde "gereformeerde" studenten ontmoet aan de academie. Ook dezen hadden niet mijn sympathie om dezelfde redenen. Deze mensen dachten dat zij het wisten. Kant en klaar kwamen zij van de academie. Terwijl zij er wáren, waren zij al kant en klaar. Zij hadden geen moeilijkheden. Zij hadden de gereformeerde dogmatiek aanvaard. De gereformeerde dogmatiek was voor hen een peuleschllletje. Ik had als student rondgelopen met de vraag: "Is er een God? En als Hij er is, wat is Hij dan?" Dus ik stond mijlen ver van deze mensen af en er was niemand op wie ik jaloers was. Ik verachtte het in mijn hart; alle wetenschap, alle kennis zonder de kennis van God verachtte Ik in mijn hart. En zo sta ik erin betrekking tot deze dingen nog tegenover. En hoe verder een student is in betrekking hiermee, hoe "gereformeerder" hij is, hoe beter hij het "weet", des te verder sta ik van hem af, des te onsympathieker is hij mij. Niet als mens, maar als aanstaand predikant. Acht, wat is een mens, die het van een ander overneemt! Dat wordt nooit iets in dit leven. Wij moeten de dingen doorgemaakt hebben en dan bij het begin beginnen, dat is bij het bestaan van God. En wanneer we de dingen niet hebben doorgemaakt van het begin af, dan hebben we weinig kans dat er iets van terecht komt. Ik zeg dit, omdat de mens zo niet is, de mens is niet zo gelovig, en als hij het dan toch is, schijnt te zijn, dan is dat alleen omdat hij eigenbelang zoekt en niets anders. Ruk dit kleed af, werp de sluier maar weg, dat zou in uw eigen voordeel kunnen wezen!
Dus zo'n gemeente was Bennekom. Men "wist" het daar en men sprak over "de Waarheid". Ik durfde het woord waarheid zo ongeveer niet in mijn mond te nemen; aan de academie zeker niet. Want daar wisten ze allen wat "waarheid" was. Het spreekt vanzelf, dat daar weinig te doen valt voor een dominee. Het gaat op in het formele. Dat was alweer niets voor mij. Dat was helemaal in strijd met mijn aanleg. Ik zal (nu ik toch vertrouwelijk met u spreek) daar iets van zeggen. Ik was pas in lerseke en op een zaterdagmiddag zie ik door weggetrokken gordijnen een aantal vissers in een kamer bij elkaar. Ik heb u gezegd, dat lerseke het dorp is van de oesterteelt. Zoveel had ik wel gehoord, dat ik wist dat het een zeer onverschillige omgeving was. Deze mensen kwamen niet naar de kerk en zij bezochten geregeld de herberg, ook op zondag. Ik dacht – daar kwam ook wel een beetje overmoed bij, daar heb ik ook iets van – ik dacht, ik ga daar binnen en in het volgende ogenblik bevond ik mij tussen die ruwe vissers, die, (maar dat was toevallig) nogal erg groot van stuk waren ook. "Wel, dat is aangenaam", zeiden zij, "daar hebben wij de dominee. En dominee, u weet, op de dijk (het werd nog een beetje anders aangeduid, maar dat woord zal ik nu maar niet gebruiken), daar staan 's zondagsmorgens onder kerktijd een massa mensen". "Zo, daar heb ik van gehoord", zei ik. "Veronderstel nu eens dominee, dat de Heere Jezus daar kwam. Wij hebben hier zes kerken in lerseke, dat weet u, en naar welke kerk zou de Heere Jezus deze mensen nu sturen?" En mijn antwoord was: "Ik geloof niet dat Hij ze naar een kerk zou sturen, maar ik geloof dat Hij ze een vraag zou doen; deze: Wat doen jullie hier?" Ik had het hart van deze mensen gewonnen en zij hielden op met mij strikvragen te stellen en zij traden in een allerhartelijkste betrekking. Zoiets paste mij meer dan in aanraking te komen met mensen die het "weten".'
Een lezer reageerde op het artikeltje van ds. A. Kastelein over De Zaaier, weergegeven in deze rubriek van 5 november:
'In Globaal bekeken (de Waarheidsvriend van 5 november) schreef ds. A. Kastelein dat de vele vacante predikantsplaatsen op het eiland Goeree-Overflakkee te wijten waren aan het geestelijk klimaat.
Maar de werkelijke oorzaak hiervan was de geïsoleerde ligging van het eiland en het ontbreken van christelijk voortgezet onderwijs.
Tot aan de bouw van de Haringvlietbrug was het eiland aangewezen op vervoer over het water. Met een enkele reis Rotterdam was minstens drie uur gemoeid, 's winters werden de veerdiensten vaak bemoeilijkt door mist en ijsgang, soms was vervoer helemaal onmogelijk, zodat het eiland echt geïsoleerd was. In de winter van 1929 is erzelfs op het gors van Dirksland een vliegtuig geland om een plaatselijke winkel te bevoorraden.
De jeugd op het eiland die mocht "doorleren" was aangewezen op de Rijks H.B.S. te Middelharnis tot 1930, toen kwam er een openbare ULO, ook te Middelharnis.
Door samenwerking van de plaatselijke schoolbesturen kon er ook een christelijke ULO geopend worden, eveneens in Middelharnis.
De scholieren ook uit Ouddorp en Ooltgensplaat kwamen per tram of bus of fiets naar school, zij die van ver kwamen waren soms langer dan een uur onderweg.
Alles bij elkaar weinig aantrekkelijk voor een beroepen predikant met kinderen.
Van de Zuidhollandse en Zeeuwse eilanden was het eiland Goeree-Overflakkee wel het meest geïsoleerde.'
De heer J.C.M. van Haastrecht (archivaris van de Nederlandse Hervormde Kerk), van wie we vorige week een artikel plaatsten over Kerkelijke archieven, gaf ons nog een 'Impressie van een geslaagde reis door Hongarije'.
'De Protestantse Kerk van Hongarije is ingedeeld in 4 discricten: Danubian District (Budapest); Transdunubian District (Pápa); Cistibiscan District (Sérospatak) en Transtibiscan District (Debrecen).
Elk district heeft zijn eigen archieven (en bibliotheken) en een (in dienst van de kerk) archivaris. Daarnaast zijn er de synodale archieven (in Budapest).
De omvang van de archieven is: Budapest ca. 530 m, oudste stuk 1204; Pápa ca. 200 m, oudste stuk 1510; Sérospatak 400 m, oudste stuk 1270; Debrecen 650 m, oudste stuk 1209. De synodale archieven hebben een omvang van ca. 700 m, oudste stuk 1791
Met uitzondering van Pápa ben ik in al de archieven, bibliotheken en theologische opleidingen uitvoerig rondgeleid en heb met de daarvoor verantwoordelijke personen over het beheer en gebruik van de collecties gesproken.
Gelet op de omvang van de collecties en het feit dat alles zelf moet worden beheerd is één archivaris per district beslist niet te veel. Het gebruik van moderne hulpmiddelen door de archivarissen in de districten, zoals bijvoorbeeld vastleggen van archivalia op microfiches en gebruik van personal computers (PC's) is in deze situatie eigenlijk onontbeerlijk. Temeer gezien het intensieve gebruik van de collecties bij de opleidingen.
De relatie met de overheid daar is natuurlijk niet zoals bij ons. Wij hebben heel veel steun van de overheid bij het beheer van onze oudere archieven. Goed geoutilleerde depots en studiezalen voor bezoekers/onderzoekers en deskundige archivarissen die de oudere kerkelijke archieven beheren. De relatie Kerk-Overheid is daar, vanzelfsprekend, aanzienlijk afstandelijker
De archieven en bibliotheken zijn geplaatst in dezelfde gebouwen (of vlak daarbij) waar de theologische opleidingen zijn. Vooral Sérospatak en Debrecen hebben werkelijk bijzonder waardevolle, goed toegankelijke, historische collecties en bibliotheken.
Indrukwekkend vond ik het belang dat velen hechten aan een goede kerkhistorische kennis van (aankomende) predikanten. Het vak kerkgeschiedenis en het gebruik van de eigen bronnen daarbij (de archieven) vormen een wezenlijk aspect in de opleidingen. Verheugend vond ik ook het grote aantal theologie studenten. Ik heb begrepen dat deze trend zich alleen maar doorzet Het is niet verwonderlijk dat dit de Kerk ook de nodige zorgen oplevert om dit alles in goede banen te leiden (huisvesting, docenten, materialen, etc, etc).
Het is voor mij duidelijk dat de Hongaarse Protestantse Kerk zich grote inspanningen getroost, om de mensen niet alleen bij de Kerk te houden maar ook te brengen. Gelet op de omstandigheden waaronder ze de laatste 50 jaar hebben moeten werken een gigantische opgave.
Nogmaals, het belang dat men daar hecht aan de eigen (kerk)geschiedenis en de manier waarop men het meeneemt in de opleidingen maakte indruk op me.
Ook enkele overheidsarchiefdiensten, waarbij het Staatsarchief in Budapest, heb ik bezocht. Als gast van de Vereniging van Archivarissen in Hongarije woonde ik het 3-daagse archiefcongres in Kószeg bij. Hier had ik de gelegenheid om intensivering van het contact tussen de Verenigingen van Archivarissen in Hongarije en in Nederland te bespreken.'
J. van der Graaf
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 november 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 november 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's